Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU8530

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
22-005757-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal, waarbij de verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming. Het hof veroordeelt verdachte tot voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar. Het hof stelt hierbij als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland te Rotterdam en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen. Het hof veroordeelt de verdachte tevens tot een werkstraf voor de duur van 100 uren en wijst de vordering tot schadevergoeding ( € 519,00) van het slachtoffer toe. Daarnaast gelast het hof de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Rotterdam van 31 juli 2008, te weten: taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005757-10

Parketnummer: 10-720040-10, 10-700163-08 (TUL) en

10-651173-09 (TUL)

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 15 november 2010 en de van dat vonnis deeluitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [geboortedag] 1990,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

27 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij alsmede de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen bij vonnis van 31 juli 2008, parketnummer

10-700163-08, en bij vonnis van 24 augustus 2010, parketnummer 10-651173-09, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 september 2010 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit (het woongedeelte van) een binnenvaartschip heeft weggenomen een laptop/notebook (merk/type Fuji), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door een raam van/in dat binnenvaartschip (verder) te openen en/of (vervolgens) door dat raam naar binnen te gaan.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 september 2010 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in het woongedeelte van een binnenvaartschip heeft weggenomen een laptop/notebook (merk/type Fuji), toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming, te weten door een raam van dat binnenvaartschip verder te openen en vervolgens door dat raam naar binnen te gaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde van reclassering en een behandeling bij De Waag. Ter zake van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat deze in zijn geheel zal worden toegewezen. Omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging heeft de advocaat-generaal gepersisteerd bij de vorderingen van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen, met dien verstande dat de bij vonnis van 31 juli 2008 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal worden omgezet in een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en dat de proeftijd van de bij 24 augustus 2010 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf met één jaar zal worden verlengd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een inbraak in het woongedeelte van een binnenvaartschip. Dit is een ergerlijk feit, wat doorgaans financiële schade en gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het slachtoffer teweeg brengt.

Voorts heeft het hof in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 september 2011, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de ter terechtzitting afgelegde verklaring van mevrouw A.C. van Veen, reclasseringsmedewerker bij Stichting Reclassering Nederland, inhoudende – kort en zakelijke weergegeven –:

De verdachte is van een jongen een man aan het worden. Hij pakt alles op en komt steeds een stukje verder. Zo groeit hij beetje bij beetje. De verdachte werkt nu meer dan één jaar aansluitend. Voor het nakomen van afspraken en dergelijk heeft hij nog wel een buffer nodig. Die buffer is er in de vorm van zijn job coach en zijn woonbegeleider. De verdachte moet nog wel leren om andere keuzes te maken. Begeleiding blijft derhalve noodzakelijk. Van een gevangenisstraf leert de verdachte niets. Ook raakt hij dan zijn baan kwijt. Ik denk dat de verdachte inmiddels in staat is om een werkstraf goed af te ronden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 519,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 519,-.

De vordering van de benadeelde partij is niet door de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 519,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Parketnummer 10-700163-08

Bij vonnis van de kinderrechter te Rotterdam van

31 juli 2008 onder parketnummer 10-700163-08 is de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 20 november 2008 met één jaar verlengd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is in beginsel gegrond.

In plaats daarvan zal het hof evenwel - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren gelasten.

Parketnummer 10-651173-09

Bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van

24 augustus 2010 onder parketnummer 10-651173-09 is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is in beginsel gegrond.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is het hof van oordeel dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 14g, 22c, 22d, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland te Rotterdam en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van

100 (honderd) uren,

indien niet naar behoren verricht te vervangen door

50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 519,- (vijfhonderdnegentien euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 519,00 (vijfhonderdnegentien euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Rotterdam van 31 juli 2008, parketnummer 10-700163-08, te weten: taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter te Rotterdam van 24 augustus 2010 parketnummer 10-651173-09, met een termijn van

1 (een) jaar.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam,

mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. T.L Tan, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 oktober 2011.