Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU8529

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
22-001667-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet. Het hof is van oordeel dat de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 is omgeven niet zijn nageleefd. Echter, uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat het hierbij gaat om vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek waarop artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is (zie HR 11-10-2011 LJN BR3043). De resultaten van het onderzoek mogen daarom niet tot het bewijs worden gebezigd. Het hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) en ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/6 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001667-10

Parketnummer: 09-935396-09

Datum uitspraak: 12 december 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 maart 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

28 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij op of omstreeks 25 april 2009 te Zoetermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, (de Akkerdreef), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden terwijl hij verkeerde onder de invloed van alcohol (2,26 milligram alcohol per milliliter bloed) en/of (vervolgens)

- zijn motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, immers heeft hij slingerend gereden en/of (vervolgens)

- heeft gereden terwijl zijn motorrijtuig in onvoldoende staat van onderhoud verkeerde, immers heeft hij (geruime tijd) gereden met een band met te lage bandenspanning, danwel met een lekke band en/of (vervolgens)

- heeft gereden met een, gelet op de rijtechnische staat van het motorrijtuig, te hoge snelheid en/of (vervolgens) - de controle over zijn motorrijtuig heeft verloren waardoor hij op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een hem tegemoetkomende auto is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een (aantal) ribfractu(u)r(en) en/of een armfractuur en/of een gebroken middenhandsbeentje en/of nek- en/of rugklachten, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

1. subsidiair:

hij op of omstreeks 25 april 2009 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Akkerdreef, als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden terwijl hij verkeerde onder de invloed van alcohol (2,26 milligram alcohol per milliliter bloed) en/of (vervolgens)

- zijn motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, immers heeft hij slingerend gereden en/of (vervolgens)

- heeft gereden terwijl zijn motorrijtuig in onvoldoende staat van onderhoud verkeerde, immers heeft hij (geruime tijd) gereden met een band met te lage bandenspanning, danwel met een lekke band en/of (vervolgens)

- heeft gereden met een, gelet op de rijtechnische staat van het motorrijtuig, te hoge snelheid en/of (vervolgens) - de controle over zijn motorrijtuig heeft verloren waardoor hij op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een hem tegemoetkomende auto is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 25 april 2009 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,26 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, nu er om de hierna te vermelden redenen geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:

hij op 25 april 2009 te Zoetermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig auto, daarmede rijdende over de weg, de Akkerdreef zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden terwijl hij verkeerde onder de invloed van alcohol

- zijn motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, immers heeft hij slingerend gereden en

- heeft gereden met een band met te lage bandenspanning, dan wel met een lekke band en

– de controle over zijn motorrijtuig heeft verloren waardoor hij op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een hem tegemoetkomende auto is gebotst, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Het hof is op grond van de zich in het dossier bevindende stukken van oordeel dat het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 tot vaststelling van het alcoholgehalte in het bloed van de verdachte op een drietal punten onvolkomen is geweest.

Het hof stelt vast dat het identiteitszegel op de voorkant van het proces-verbaal, zoals op grond van artikel 6 van de Regeling bloed- en urineonderzoek is vereist, ontbreekt.

Daarnaast heeft de politie op de bloedmonsters twee analysezegels geplakt, in plaats van één analyse- en één tegenonderzoeksticker. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft vervolgens – kennelijk om de vergissing te herstellen – het buisje voor contra-onderzoek voorzien van een tegenonderzoeksticker.

Ten slotte stond in de schriftelijke mededeling aan de verdachte, inhoudende de uitslag van het bloedonderzoek vermeld dat het resultaat van de analyse 226,00 mg alcohol per ml. bloed bedroeg, terwijl dit 2,26 milligram ethanol per milliliter bloed moest zijn.

Het hof is derhalve van oordeel dat de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 is omgeven niet zijn nageleefd.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld, volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat het hierbij gaat om vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek waarop artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is (zie HR 11-10-2011 LJN BR3043). De resultaten van het onderzoek mogen daarom niet tot het bewijs worden gebezigd.

Niettegenstaande het vorenvermelde, heeft het hof de overtuiging bekomen dat de verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Op 25 april 2009 werd door getuige R. gezien dat er op de Akkerdreef een auto met een lekke band slingerend over de weg reed en dat deze auto, een Skoda, ter hoogte van de kruising Akkerdreef met de Erwtenakker op de verkeerde weghelft terechtkwam en frontaal op zijn tegenligger botste (zie proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 april 2009).

Naar aanleiding van het ongeluk op de Akkerdreef werd door verbalisant B.S. Schippers een onderzoek ingesteld. Door voornoemde verbalisant werd waargenomen dat de adem van de bestuurder van de Skoda, zijnde verdachte, naar inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook, dat hij onvast ter been was en dat hij met een zogenaamde dubbele tong sprak (zie proces-verbaal aanleiding onderzoek art. 8 WVW 1994, d.d. 24 mei 2009). Het hof stelt vast dat dit proces-verbaal niet conform de wettelijke vereisten is opgesteld, nu het niet is ondertekend. Naar ’s hofs oordeel dient dit “proces-verbaal van Aanleiding” echter te worden beschouwd als ander geschrift. Als zodanig leent het zich voor beziging in samenhang met het proces-verbaal “Relaas Art 8/163 WVW”, met nummer PL1551/2009/7805-17, nu in dit door verbalisant Schippers op dezelfde datum ondertekende proces-verbaal wordt verwezen naar het voormelde “proces-verbaal van Aanleiding”. Aldus gaat het hof er van uit dat de opsporingsambtenaar Schippers heeft waargenomen wat in het niet ondertekende geschrift “proces-verbaal van Aanleiding” als zijn ambtsedige waarneming is vermeld.

Daarnaast heeft getuige A. verklaard dat hij die dag bij de oversteekplaats van de Akkerdreef richting de Erwtenakker stond. Hij zag een Skoda aankomen en zag dat de linkervoorband lek was. Hij hoorde verder duidelijk de lekke band op het wegdek klapperen. Hij zag de Skoda vervolgens op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer rijden, waarna een tegemoetkomende auto en de Skoda elkaar aan de linkerzijde raakten.

(zie proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 april 2009 met nummer PL1551/2009/7805-9).

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij gedurende de nacht, tot half zes of half zeven, in de ochtend bier heeft gedronken en dat hij om 8.00 uur is gaan slapen. Toen hij om 12.00 uur wakker werd, is hij in de auto gestapt om boodschappen te gaan doen, terwijl hij zich niet uitgeslapen voelde. Desgevraagd heeft hij verklaard tijdens het rijden niets van een band in klapperende toestand te hebben gemerkt.

Alle bovengenoemde omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, mede gelet op de overige stukken, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl hij verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren zal worden ontzegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten ongeval veroorzaakt. Gedurende de nacht van 24 op 25 april 2009 heeft hij tot in de ochtend een aanzienlijke hoeveelheid alcohol genuttigd. Na enkele uren slaap is hij vervolgens

- onuitgerust en nog onder invloed van alcohol – in zijn auto gaan rijden, waardoor hij tijdens het rijden niet heeft bemerkt dat een van de banden van zijn auto, een te lage bandenspanning had dan wel lek was. Mede daardoor had hij geen volledige controle meer over het voertuig ten gevolge waarvan hij een ongeluk heeft veroorzaakt, waarbij aan het slachtoffer letsel is toegebracht.

Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer grovelijk miskend.

Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 november 2011, waaruit blijkt dat de verdachte, ofschoon recidivist ter zake van rijden onder invloed, de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het ongeluk grote indruk op hem heeft gemaakt en dat het nadien slechter met hem is gegaan, ten gevolge waarvan zijn relatie onder druk is komen te staan. Daarnaast heeft de verdachte er ter terechtzitting blijk van gegeven dat de gang van zaken hem ook thans niet onberoerd laat.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, alsmede een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. R.M. Bouritius en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 december 2011.