Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU8517

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
22-005608-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Het Hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 300,00 .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005608-10

Parketnummer: 11-088961-09

Datum uitspraak: 7 november 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 5 november 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te Woerden op [geboortedag] 1989,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

24 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van driehonderd euro, subsidiair zes dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 augustus 2009 te Gorinchem opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (krachtig) tegen het oog, althans het gezicht, heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 augustus 2009 te Gorinchem opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (krachtig) tegen het oog, heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat aan de verklaringen van [slachtoffer] en T. geen gewicht zou moeten worden toegekend. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen onderling tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn en om die reden niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat de overtuiging ontbreekt.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof constateert dat [slachtoffer] en T., afzonderlijk van elkaar, bij de politie een verklaring hebben afgelegd omtrent het ten laste gelegde feit.

[slachtoffer] heeft op 21 augustus 2009 verklaard dat hij die jongen (het hof leest: [verdachte]) pas op de grond heeft geduwd nadat hij door de verdachte was geslagen en dat hij [verdachte] niet heeft geslagen, ook niet met een stok.

[slachtoffer] heeft voorts verklaard dat de wondjes op de rug van [verdachte]vermoedelijk ontstaan zijn doordat [verdachte] door de val op het grind terecht was gekomen. T. heeft op 23 augustus 2009 verklaard dat [slachtoffer] is gaan praten met [verdachte]en de andere twee personen omdat zij ([slachtoffer] en T.) daar als eerste aan het vissen waren en dat [slachtoffer], op het moment dat hij met o.a. [verdachte]aan het praten was, geen (anker)stok meer in zijn hand had. [slachtoffer] had de stok namelijk neergelegd voordat hij ging praten. [slachtoffer] heeft niet met de stok geslagen. Voorts heeft T. verklaard dat de jongen in het rode t-shirt (het hof leest: verdachte Versluis) tekeer ging tegen [slachtoffer] en dat die jongen [slachtoffer] een tik op zijn gezicht gaf waarna [slachtoffer] die jongen een duw gaf zodat [verdachte]op de grond viel.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2011 zijn [slachtoffer] en T. (op verzoek van de verdediging) als getuigen gehoord. De getuigenverklaringen ter terechtzitting komen in essentie neer op hetgeen zij bij de politie hebben verklaard. De omstandigheid dat, zoals aangevoerd door de verdediging, [slachtoffer] bij de politie (ook) heeft verklaard dat hij [verdachte]van zich had afgeduwd voordat hij een klap had gekregen en hij zich dit in hoger beroep niet meer kon herinneren maakt zulks niet anders: [slachtoffer] heeft uitdrukkelijk verklaard, zowel bij de politie als ter terechtzitting in hoger beroep, dat het op de grond duwen pas plaats vond na de klap. Ten aanzien van het door de verdediging opgeworpen verweer dat het, gelet op de getuigenverklaringen ter terechtzitting, niet mogelijk was voor de verdachte om met zijn rechterhand een klap te geven op het rechteroog van [slachtoffer]: het hof ziet niet in waarom in de geschetste situatie, waarin [slachtoffer] omkeek op het moment dat hij door de klap op zijn oogkas werd getroffen, deze klap niet door de rechterhand van de verdachte zou kunnen zijn toegebracht.

Voorts acht het hof de verklaringen van [slachtoffer] en T., zoals afgelegd ter terechtzitting, zeer authentiek en betrouwbaar.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hof de verklaringen van [slachtoffer] en T. zal bezigen voor het bewijs.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken terzake van het tenlastegelegde.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door

mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. I.P.A. van Engelen en

mr. P.H. Holthuis,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 november 2011.

Mr. P.H. Holthuis is buiten staat dit arrest te ondertekenen.