Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU8510

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
22-003550-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2005:AU1443, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft voorafgaande aan een risicowedstrijd tussen Feijenoord en Ajax op 17 april 2005 grovelijk onvoorzichtig gehandeld door temidden van vele omstanders een noodseinraket af te schieten. De noodseinraket is met grote snelheid in het gezicht van het slachtoffer [slachtoffer] terechtgekomen. De behandeling van de zaak heeft niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn ex artikel 6, lid 1 van het EVRM, het Hof zal de duur van de taakstraf in na te melden zin enigszins matigen. Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen (waarvan 100 dagen voorwaardelijk). Het Hof veroordeelt de verdachte tevens tot een werkstraf voor de duur van 200 uren en wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij van € 7.500,00 toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003550-11

Parketnummer: 10-691170-05

Datum uitspraak: 8 december 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair (poging tot doodslag) en subsidiair(opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel) en onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde (aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Voorts is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij een beslissing genomen als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van dit hof van 18 september 2008 onder rolnummer 22-002602-06 is de verdachte op de grondslag van de in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging van het onder 1 primair (opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel) en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen. Voorts is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte en door de advocaat-generaal is tegen bovengenoemd arrest cassatieberoep ingesteld.

Op 12 juli 2011 heeft de Hoge Raad het arrest van dit hof van 18 september 2008 onder rolnummer 22-002602-06 vernietigd en de zaak teruggewezen, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2011 - ten laste gelegd dat:

feit 1

primair:

hij op of omstreeks 17 april 2005 te Rotterdam aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een verwoeste linkeroogkas en/of sterk verminderd gezichtsvermogen links en/of sterk verminderd gehoorvermogen links, in ieder geval ernstig gezichtsletsel, heeft toegebracht, door opzettelijk

- een noodseinmiddel af steken en/of

- (daarbij) dat/een noodseinmiddel in de richting te houden van en/of af te vuren op/af te schieten op, althans in de richting van, die [slachtoffer],

(terwijl dit noodseinmiddel genoemde [slachtoffer] in het gezicht heeft getroffen/geraakt);

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 april 2005 te Rotterdam grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig een noodseinmiddel heeft afgestoken en/of heeft afgeschoten, althans heeft afgevuurd (in de richting van [slachtoffer], althans op korte afstand/in de nabijheid van [slachtoffer]), waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een verwoeste linkeroogkas en/of sterk verminderd gezichtsvermogen links en/of sterk verminderd gehoorvermogen links en/of ernstig gezichtsletsel, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van die [slachtoffer] is ontstaan;

feit 2:

hij op of omstreeks 17 april 2005 te Rotterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een noodseinmiddel af te steken en/of af te vuren, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of personen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer], in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van feit 1 primair

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal – overeenkomstig het op schrift gestelde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte requisitoir - betoogd dat de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu in de visie van het openbaar ministerie bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De advocaat-generaal heeft daartoe verwezen naar de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden:

- het incident heeft plaatsgevonden kort voor het begin van de voetbalwedstrijd Feijenoord-Ajax, welke wedstrijd altijd wordt aangemerkt (en wat als een feit

van algemene bekendheid kan worden verondersteld) als risicowedstrijd;

- een trein met Ajax-supporters was door onbekende oorzaak tot stilstand gekomen;

- de sfeer onder de Ajax-supporters was redelijk tot zeer opgefokt;

- er was sprake van een groeiende groep Feijenoord-supporters waarvan verschillende supporters zich provocerend gedroegen ten opzichte van de Ajax-supporters;

- de verdachte, naar eigen zeggen een fervent Feijenoord-supporter, bevond zich in die situatie en onder die omstandigheden te midden van de Feijenoord-supporters en zag dat er met stenen werd gegooid naar de trein met Ajax-supporters;

- de verdachte loopt enkele malen heen en weer naar en van zijn in de nabijheid geparkeerde auto;

- de verdachte belt naar zijn vrienden, vertelt over de stilstaande trein en vraagt B. om ook naar de trein te komen om de confrontatie met de Ajax-supporters aan te gaan;

- bij de laatste keer dat de verdachte naar zijn auto loopt, pakt hij uit de kofferbak een zogenaamd noodseinmiddel, neemt dat mee, gaat terug naar de plek waar hij vandaan kwam (uit de richting van de trein) en vuurt het noodseinmiddel af;

- bij het afvuren van het noodseinmiddel blijkt deze zich waarschijnlijk meer in horizontale dan in verticale richting te hebben bevonden; het zichtbare deel van

de vlucht van het noodseinmiddel was tamelijk vlak en licht dalend;

- op het moment van afvuren waren er nogal wat mensen in de directe omgeving van de verdachte aanwezig;

- de afstand tussen de verdachte en het slachtoffer was minimaal 13 meter en maximaal 36 meter.

Het hof overweegt het volgende.

Genoegzaam is komen vast te staan dat het slachtoffer, is geraakt door het noodseinmiddel dat door de verdachte is afgevuurd.

Voorts acht het hof het –evenals de advocaat-generaal- aannemelijk dat de verdachte niet het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer] te treffen.

Het hof buigt zich allereerst over de vraag, of er sprake is van (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte, zoals primair is ten laste gelegd en zoals door het openbaar ministerie is betoogd.

De verdachte heeft ontkend dat hij willens en wetens heeft gehandeld.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat die verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De eerste vraag die het hof zich dient te stellen in het kader van een mogelijke bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel betreft dan ook de vraag, of de verdachte zich bewust was van het gevaar en dan met name van het (mogelijk) gevolg van het afsteken van het noodsein op de wijze als door hem geschied.

Het hof stelt allereerst vast, dat niet exact valt vast te stellen op welke wijze het noodsein is afgevuurd. De getoonde beelden geven daarover geen uitsluitsel. Het hof zal daarom uitgaan van het volgende.

De verdachte heeft bij de politie op 27 april 2005 verklaard dat hij het noodseinmiddel (verdachte spreekt over een “lichtkaars”) schuin in de lucht heeft afgestoken. Tegenover de rechter-commissaris heeft de verdachte op 29 april 2005 verklaard dat hij het noodseinmiddel “schuin omhoog” heeft afgestoken. Ter zitting in eerste aanleg van 10 augustus 2005 heeft de verdachte verklaard dat hij van de uitleg, die hij kreeg van de man van wie hij ook het noodsein had gekregen, (onder meer) heeft onthouden dat hij het noodsein licht schuin moest vasthouden bij het afvuren. Ter zitting in eerste aanleg van 5 april 2006 heeft de verdachte, kennelijk met gebruikmaking van de daar voorhanden zijnde dummy van het betreffende noodsein, bovendien voorgedaan hoe hij het noodsein heeft afgevuurd. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt, dat de verdachte het noodsein in elk geval niet (geheel) verticaal heeft gehouden en ook niet boven zijn hoofd (hetgeen wél was voorgeschreven voor veilig gebruik); de getuige Van den Baard heeft tijdens voornoemde zitting van 5 april 2006 dit nog voorgedaan, zoals blijkt uit dat proces-verbaal, (pagina 2). De op 5 april 2006 ook ter zitting aanwezige getuige-deskundige Kerkhoff heeft voorts verklaard dat het op die (naar het hof begrijpt: die door de verdachte voorgedane) wijze afschieten van de noodseinraket gevaar kan opleveren voor de verdachte zelf, met name voor zijn gezicht.

Het hof leidt hieruit af, dat de verdachte gelet op zijn eigen verklaring wist dat hij een noodsein ging afsteken dat slechts bedoeld was voor gebruik op zee en dat hij ook wist dat er een zekere explosieve kracht in het noodsein aanwezig was (zie het proces-verbaal van 10 augustus 2005, zijn eigen verklaring). Het hof stelt op grond daarvan vast dat de verdachte zich van een zeker gevaar bewust moet zijn geweest.

De verdachte is vervolgens afgegaan op wat een derde hem – een half jaar vóórdat hij zelf het noodsein afstak - over het noodsein had verteld en heeft nagelaten zich op de hoogte te stellen van de precieze aard van het noodsein en hij heeft tevens verzuimd na te gaan op welke wijze een dergelijk noodsein veilig kon worden afgevuurd.

Dit is aan de ene kant op zichzelf ernstig verwijtbaar: hij had zich voldoende moeten informeren omtrent de risico’s, die er niet alleen voor anderen maar ook – zie de verklaring van voornoemde deskundige Kerkhoff – voor hemzelf aan verbonden waren.

Anderzijds ziet het hof hierin aanleiding om aan te nemen, dat er bij de verdachte geen sprake was van de bewuste aanvaarding van de kans dat het (hier daadwerkelijk ingetreden) zeer ernstige gevolg zich zou voordoen.

Het opzet op de zware mishandeling kan tegen die achtergrond niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld.

De hiervoor weergegeven door de advocaat-generaal genoemde omstandigheden maken dat niet anders. Weliswaar is aannemelijk dat het denken en handelen van de verdachte mede werden ingegeven door de op handen zijnde (risico-)voetbalwedstrijd Feijenoord-Ajax en waren er nogal wat mensen in de nabije omgeving van de verdachte, maar daar staat tegenover dat geenszins is komen vast te staan dat het noodsein is afgeschoten in de richting van de Ajax-supporters. Ook uit die –op zichzelf vaststaande- omstandigheden kan opzet van de verdachte gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letstel naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid.

Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Vrijspraak van feit 2

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte ook daarvan

– overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 april 2005 te Rotterdam grovelijk, onvoorzichtig een noodseinmiddel heeft afgeschoten, althans heeft afgevuurd in de nabijheid van [slachtoffer], waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een verwoeste linkeroogkas en sterk verminderd gezichtsvermogen links en sterk verminderd gehoorvermogen links en ernstig gezichtsletsel, heeft bekomen,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In het bijzonder overweegt het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde nog het volgende.

Het hof heeft hierboven al overwogen, dat de verdachte zich niet ten volle bewust was van de risico’s die hij nam en voorts dat het hem ernstig valt aan te rekenen dat hij zich niet op de hoogte heeft gesteld van de aard van die risico’s, en meer in het bijzonder van de werking van het door hem afgestoken noodsein en de wijze waarop een dergelijk noodsein veilig kan worden afgevuurd. Van een ieder die een dergelijk, bij onkundig gebruik zeer gevaarlijk noodsein afvuurt te midden van omstanders in een - vanwege de stilstaande trein en de op handen zijnde voetbalwedstrijd - onrustige situatie, mag en moet immers verwacht worden dat hij zich terdege op de hoogte heeft gesteld van de juiste wijze van afvuren.

De verdachte is echter lichtzinnig afgegaan op de mededeling van een ander met betrekking tot de wijze waarop het noodsein moest worden afgevuurd en heeft vervolgens, zonder voldoende stil te staan bij de risico’s die hij nam, te midden van omstanders het noodsein afgeschoten. Dat was bijzonder onvoorzichtig en vervolgens is hierdoor dan ook een omstander zwaar gewond geraakt. Het hof acht verdachtes handelen onder de gegeven omstandigheden zodanig onvoorzichtig, dat het de onder 1 subsidiair ten laste gelegde grovelijke onvoorzichtigheid bewezen acht.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft voorafgaande aan een risicowedstrijd tussen Feijenoord en Ajax op 17 april 2005 grovelijk onvoorzichtig gehandeld door temidden van vele omstanders een noodseinraket af te schieten.

De noodseinraket is met grote snelheid in het gezicht van het slachtoffer [slachtoffer] terechtgekomen, die op geringe afstand van de verdachte stond. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer ernstig letsel in zijn gezicht opgelopen.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij op een plek waar zich veel mensen bevonden en waar bovendien sprake was van een conflictsituatie tussen twee supporters-groepen waarbij stenen werden gegooid, een noodseinraket heeft afgeschoten, terwijl hij wist dat het een noodseinmiddel was, bestemd voor gebruik in noodsituaties op zee. Dit is een zeer ernstig feit dat voor het slachtoffer naast psychische gevolgen, zwaar lichamelijk letsel teweeg heeft gebracht dat deels blijvend zal zijn. Dat het letsel deels blijvend zal zijn blijkt uit de zich in het dossier bevindende medische verklaring en de door het slachtoffer opgestelde verklaring die namens hem op

16 november 2011 aan het hof is toegestuurd. Het slachtoffer heeft diverse operaties ondergaan aan zijn wang en heeft in het kader van zijn re-integratie een psychologische intensieve interventie ondergaan. Naast psychische klachten ondervindt het slachtoffer nog steeds erg veel beperkingen. Het slachtoffer is blijvend doof en heeft een niet behandelbare vorm van oorsuizen. Het gezicht van het slachtoffer is ontsierd en hij heeft na tweemaal afstoten van het bot afgezien van een derde reconstructie van de koon.

Het hof heeft tevens acht geslagen op een voorlichtings-rapport van de Reclassering Nederland d.d. 8 juli 2005

en een Pro Justitia rapport d.d. 15 juli 2005 van

drs. M.H. de Groot, klinisch psycholoog.

Uit laatstgenoemd rapport blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat er ten tijde van het tenlastegelegde bij de verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De verdachte wordt als normaal toerekeningsvatbaar beschouwd en de kans op recidive is volgens de deskundige erg klein. Een behandeling en/of begeleiding wordt daarom niet geïndiceerd geacht.

Het hof heeft voorts in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij in de periode voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit en in de jaren daarna tot op heden niet met politie en justitie in aanraking is geweest.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, waarvan een gedeelte voorwaardelijk, in combinatie met een taakstraf in de vorm van een werkstraf een passende en geboden reactie vormen.

In beginsel acht het hof een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden. Echter, gelet op het feit dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 van het EVRM, zal het hof de duur van de taakstraf in na te melden zin enigszins matigen.

Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 7.500,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.245,45 aan materiële schade en € 6.254,55 aan immateriële schade, derhalve een totaalbedrag van

€ 7.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat ten minste de gestelde materiële schade is geleden. Voorts acht het hof het aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden die naar redelijke en billijke maatstaven op ten minste het thans gevorderde bedrag kan worden begroot.

Aannemelijk is dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde.

Nu het gevorderde bedrag naar het oordeel van het hof

–mede gelet op de ernst van het feit– ten minste het bedrag is waarvoor de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk is, zal de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 7.500,00 aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 308 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] terzake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 1.245,45 (duizend tweehonderdvijfenveertig euro en vijfenveertig cent) wegens materiële schade en € 6.254,55 (zesduizend tweehonderdvierenvijftig euro en vijfenvijftig cent) wegens immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 1.245,45 (duizend tweehonderdvijfenveertig euro en vijfenveertig cent) wegens materiële schade en € 6.254,55 (zesduizend tweehonderdvierenvijftig euro en vijfenvijftig cent)wegens immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 73 (drieënzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. S. van Dissel en mr. H.C. Wiersinga,

in bijzijn van de griffier mr. M.C. Zuidweg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 december 2011.