Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU7546

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
200.095.688/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BS1096, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Levenslang gestrafte; behandeling in TBS-kliniek; gewekte verwachtingen; weigering onbegeleid verlof thans niet onrechtmatig; noodzaak tot bieden enig perspectief voor levenslang gestrafte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.095.688/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 396321 / KG ZA 11-698

arrest d.d. 13 december 2011 (bij vervroeging)

inzake

[Naam],

wonende te [Plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij spoedappeldagvaarding van 7 oktober 2011 (met producties) heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht, van 9 september 2011. In deze dagvaarding heeft [appellant] elf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Nadien heeft [appellant] bij akte nog een tweetal aanvullende producties overgelegd en de grieven nader toegelicht. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft [appellant] nog een aanvullende productie overgelegd. Op 21 november 2011 hebben partijen hun zaak voor het hof doen bepleiten, [appellant] door mr. Wybenga voornoemd en de Staat door mr. Bitter voornoemd. Zoals toegezegd tijdens het pleidooi heeft mr. Wybenga nadien nog enkele aanvankelijk in het dossier ontbrekende stukken aan het hof toegestuurd, te weten de brief van mr. Bitter van 27 juli 2011 (met daarbij twee producties), die zij ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg aan de voorzieningenrechter had gezonden.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in dit geding om het volgende

1.1. Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het hof 's-Gravenhage van 14 oktober 1984 is [appellant] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café "Het Koetsiertje" in Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. [appellant] is sinds 7 april 1983 gedetineerd.

1.2. Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar [appellant] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Overleg tussen de toenmalige minister van justitie (hierna: de minister) en het Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. Henri van der Hoevenkliniek (hierna: de kliniek) heeft geleid tot een memo van 9 juli 2001.

1.3. Dit memo van 9 juli 2001 vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

"De(...) kliniek is bereid tot opname, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

(...)

Het gegeven dat betrokkene levenslang gestraft is, mag niet leiden tot een aparte status binnen de kliniek. Betrokkene zal worden beschouwd als een patiënt die recht heeft op het behandelingsbeleid dat in de kliniek geldt voor TBS-patiënten. Dat kan op termijn betekenen dat er een verlofbeleid op gang komt. De heer […] (hof: de directeur sectordirectie TBS) zal deze optie in de lijn toetsen: voorkomen dient te worden dat rond het moment dat vanuit de behandelingsoptiek een verlofbeleid verantwoord wordt geacht, dit beleid wordt afgeremd vanuit bestuurlijke en / of politieke redenen.

Afspraken rond beëindiging van de behandeling

Algemene behandelingsstrategie van de kliniek is behandeling met het oog op verantwoorde terugkeer in de samenleving. De kliniek heeft geen "bewaarfunctie".

Wanneer mocht blijken dat behandeling - om wat voor redenen dan ook - onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn.

Datzelfde geldt indien het door de kliniek gevoerde verlofbeleid dat een wezenlijk onderdeel zal gaan vormen van de behandeling (conditio sine qua non), wordt tegengehouden.(...)

(...)

Horizonbepaling gratieprocedure

Uitgaande van de optie dat behandeling succesvol verloopt en er sprake is van een gunstige prognose voor wat de terugkeer in de samenleving betreft, is tijdige indiening van een gratieverzoek een belangrijk punt van aandacht."

1.4. Op 20 juli 2001 heeft de minister aan [appellant] meegedeeld dat hij op basis van artikel 13 Wetboek van Strafrecht (Sr) juncto artikel 41 van de Penitentiaire maatregel wordt geplaatst in een tbs-inrichting. Bij deze mededeling was gevoegd een afschrift van de brief van eveneens 20 juli 2001 van de minister aan de kliniek, waarin om plaatsing in de kliniek werd verzocht op basis van "de afspraken" in het memo van 2001. Vervolgens is [appellant] op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek.

1.5. Op 13 september 2002 is voor [appellant] een machtiging begeleid verlof afgegeven.

1.6. In april 2005 is het verlofbeleid gewijzigd. In het hernieuwde toetsingskader werd, anders dan in het voordien geldende beleid, als uitgangspunt gehanteerd dat in geval van levenslange detentievormen geen verlofmachtiging wordt verstrekt, tenzij gratieverlening wordt overwogen.

1.7. In juni 2006 heeft de kliniek voor het eerst een machtiging onbegeleid verlof aangevraagd bij de minister. De minister heeft besloten daarmee niet akkoord te gaan, hetgeen is verwoord in een brief aan de kliniek van 2 oktober 2006.

1.8. In 2007 is het verlofbeleid opnieuw aangescherpt. Sindsdien wordt als uitgangspunt gehanteerd dat in gevallen van levenslange detentie verlof - behoudens incidentele afwezigheid op humanitaire gronden - niet mogelijk is.

1.9. In een nota van 13 februari 2007 heeft de minister kenbaar gemaakt dat hij in verband met het aangescherpte verlofbeleid voornemens is [appellant] terug te plaatsen naar het gevangeniswezen.

1.10. Bij brief van 24 augustus 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aan de kliniek meegedeeld dat de kliniek op dat moment niet gemachtigd was [appellant] (begeleid) verlof te verlenen. De staatssecretaris heeft beslist dat, indien er sprake mocht zijn van een machtiging tot begeleid verlof, deze machtiging per direct wordt ingetrokken. Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: 'RSJ'). Bij uitspraak van 31 maart 2008 heeft de RSJ dit beroep van [appellant] gegrond verklaard. Hiertoe heeft de RSJ, voor zover relevant, het volgende overwogen:

"In het verlofbeleid dat gold tot de inwerkingtreding op 1 juli 2007 van het huidige verloftoetsingskader, bestond de mogelijkheid om levenslanggestraften waarbij gratieverlening wordt overwogen, resocialisatieverlof te verlenen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting komt de beroepscommissie tot het oordeel dat de bestreden beslissing uitsluitend is gebaseerd op veranderde inzichten ten aanzien van het verlofbeleid in het algemeen en niet op de bijzonderheden van het onderhavige individuele geval. Bij deze beslissing is niet betrokken dat klagers begeleide verloven al een aantal jaren zonder problemen zijn verlopen. Uit de verklaringen van de Staatssecretaris, noch uit die van klager komt naar voren dat er door toedoen van klager zelf enige aanleiding is ontstaan om de machtiging in te trekken. Dit alles klemt des te meer nu in het Memo van 2001, waarin uitdrukkelijk is vastgelegd dat voorkomen dient te worden dat het verlofbeleid ten aanzien van klager wordt afgeremd vanuit bestuurlijke en/of politieke redenen, verwachtingen zijn gewekt voor een resocialisatie traject.

Het hiervoor overwogene in aanmerking genomen moet tot de slotsom leiden dat de beslissing tot intrekking van de machtiging tot begeleid verlof als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt."

1.11. Intussen had [appellant] een kort geding aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 2 oktober 2007 heeft de voorzieningenrechter hem niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen, die onder meer strekten tot verlening van een machtiging onbegeleid verlof, althans tot behandeling van [appellant] als ware ten behoeve van hem een machtiging onbegeleid verlof verleend. Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het hof. In hoger beroep was onder meer aan de orde de vordering van [appellant] om in goede justitie een passende voorziening op te leggen. Het hof heeft in 2010 arrest gewezen, zoals hierna vermeld onder 1.14.

1.12. Op 16 oktober 2009 is een rapport uitgebracht van een slachtofferonderzoek, uitgevoerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen.

1.13. Bij beslissing van 27 november 2009 heeft de staatssecretaris besloten de machtiging tot het verlenen van begeleid verlof van 13 september 2002 in te trekken. Bij uitspraak van 12 juli 2010 heeft de RSJ het tegen die beslissing door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard. Hierbij heeft de RSJ, voor zover relevant, het volgende overwogen:

"Ter beantwoording van de vraag of de intrekking van de verlofmachtiging als onredelijk of onbillijk is aan te merken, zal de beroepscommissie moeten beoordelen of de resultaten van het in 2009 gehouden slachtofferonderzoek kunnen worden beschouwd als feiten of omstandigheden waardoor, indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn verleend.

(...)

Hier lijkt zich de situatie zich voor te doen waar alle betrokken partijen, inclusief het ministerie van Justitie, zich blijkens het verslag van 9 juli 2001 uitdrukkelijk van bewust moeten zijn geweest en die voor de Minister van Justitie desondanks geen beletsel vormde voor zowel de beslissing van 20 juli 2001 tot overplaatsing van klager naar de (...) kliniek als de machtiging voor diens begeleid verlof van 13 september 2002.

Voor zover al de huidige bevindingen van het slachtofferonderzoek qua toon ernstiger zouden lijken dan de Minister van Justitie destijds voor ogen stond, kan dat gelet op alle in 2001 gemaakte afspraken, het al zeven jaar lang goed verlopen van de begeleide verloven en de afwezigheid van incidenten of ongewenste confrontaties met slachtoffers/nabestaanden in redelijkheid en billijkheid niet leiden tot het intrekken van de machtiging tot begeleid verlof."

1.14. Bij arrest van 23 november 2010 heeft het hof het hiervoor onder 1.11 bedoelde vonnis van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2007 vernietigd en gedaagde, bij wege van passende voorziening, veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het arrest advies te vragen aan het Adviescollege Verloftoetsing TBS (dat sinds 1 januari 2008 belast is met de inhoudelijke toetsing van alle door tbs-klinieken ingediende verlofaanvragen) inzake de door de kliniek ten aanzien van eiser ingediende verzoeken om machtiging onbegeleid verlof, alsmede om na advisering door dit adviescollege binnen drie maanden op de verzoeken een beslissing te (doen) nemen.

In dit arrest heeft het hof, voor zover relevant, het volgende overwogen:

"3.9. Het hof overweegt te dien aanzien dat uit de in 2001 gemaakte afspraken volgt, dat ten aanzien van [appellant] een tbs-behandeling zou plaatsvinden, waarin een verlofbeleid op gang zou komen. Er is geen enkele aanwijzing dat toen niet de weg is ingeslagen dat alle te onderscheiden vormen van verlof, neergelegd in artikel 53 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden, op enig moment tot de mogelijkheden behoorden als de behandeling daartoe aanleiding zou (kunnen) geven. (...) Dat bij gunstig verloop van de behandeling een verzoek tot machtiging onbegeleid verlof zou kunnen worden gedaan is een situatie waar alle partijen bij het overleg over de tbs-behandeling van [appellant] en de minister bij de plaatsing van [appellant] in de kliniek, zich uitdrukkelijk van bewust moeten zijn geweest en dit vormde daarvoor geen beletsel.

3.10. De opvatting van de Staat dat er geen enkele ruimte is voor onbegeleid verlof en dat mitsdien de Avt over het verzoek van het hoofd van de kliniek niet behoeft te adviseren, acht het hof in het licht van het hiervoor overwogene onrechtmatig, aangezien niet blijkt dat de belangen van [appellant] en de eerder bij hem gewekte verwachtingen in de afweging zijn betrokken.

(...)

Het hof acht anders dan de Staat de overwegingen van de RSJ wel relevant (...)

Bovendien wijst het hof op de door de RSJ relevant geachte aspecten van het al zeven jaren goed verlopen van de begeleide verloven en de afwezigheid van incidenten of ongewenste confrontaties met slachtoffers/nabestaanden, die ook naar het oordeel van het hof op de juiste waarde geschat moeten worden, als onderdeel van alle mee te wegen belangen."

Tegen dit arrest heeft de Staat cassatie ingesteld.

1.15. Naar aanleiding van een op 14 september 2010 door de kliniek ingediende aanvraag machtiging onbegeleid verlof, heeft het Adviescollege Verloftoetsing TBS (hierna: het AVT) op 16 februari 2011 een positief advies gegeven. Dit advies vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

"(...) het adviescollege [komt] tot de conclusie dat het gevraagde onbegeleide verlof uit veiligheidsoogpunt aanvaardbaar is, mits er een meer uitgewerkt verlofplan voorhanden is. Het adviescollege slaat daarbij acht op het feit dat begeleide verloven al jarenlang goed verlopen zijn, dat zich daarbij geen incidenten hebben voorgedaan, dat het recidivegevaar als laag wordt ingeschat en dat het vluchtgevaar afwezig is. Het risico op confrontatie met nabestaanden is gering. Tijdens de verloven zal betrokkene zich niet naar Delft begeven. Hij zal de nabestaanden van slachtoffers uit de weg gaan en hen zeker niet opzoeken. Het adviescollege is van oordeel dat dit laatste expliciet in de voorwaarden van het te verlenen verlof moet worden opgenomen. Voorts zullen overeenkomstig de slotparagraaf in het Rapport van bevindingen inzake het slachtofferonderzoek de slachtoffers en nabestaanden, voor zover zij dat wensen, blijvend geïnformeerd moeten worden over het verdere verloop van de tenuitvoerlegging van de aan betrokkene opgelegde straf en zijn behandeling in de kliniek.

Het adviescollege heeft zich bij de bespreking van de onderhavige aanvraag het dilemma gerealiseerd waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie thans is geplaatst. Dit dilemma is het gevolg van de eerdere beslissing om betrokkene als levenslanggestrafte in een tbs kliniek op te nemen. Enerzijds is het vanuit veiligheidsoogpunt verantwoord en past dit verlof in de behandeling, die betrokkene ondergaat. Anderzijds is het tegenover de maatschappij en in het bijzonder de nabestaanden en slachtoffers moeilijk uit te leggen dat een levenslanggestrafte zich via de tbs-verlofprocedure zonder begeleiding in de maatschappij kan bewegen. Daarnaast kan het onbegeleide verlof niet anders gezien worden dan als een stap in de richting van verdere resocialisatie met als mogelijk eindpunt het beëindigen van de behandeling in een tbs-kader en de invrijheidstelling van betrokkene, hetgeen haaks staat op de levenslange gevangenisstraf die aan betrokkene is opgelegd."

1.16. Bij brief van 13 mei 2011 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de kliniek meegedeeld dat hij niet akkoord gaat met het verlenen van een machtiging tot onbegeleid verlof. Deze brief vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

"Het onbegeleid verlof zou in dit stadium zijn gericht op resocialisatie. De heer [appellant] is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Veroordeelden tot een levenslange gevangenisstraf kunnen in aanmerking komen voor gratie op voorwaarde dat aan de gronden voor gratieverlening wordt voldaan. (...)

Sinds 2005 houdt het Verloftoetsingskader in dat met betrekking tot levenslang gestraften ten aanzien van wie geen gratie wordt overwogen ook geen machtiging tot verlof wordt verleend. In 2007 is dit beleid aldus opnieuw geformuleerd dat levenslang gestraften alleen nog verlof krijgen op humanitaire gronden.

Op grond van dit beleid komt betrokkene niet in aanmerking voor onbegeleid verlof, omdat de reden voor dit verlof, resocialisatie, zich in zijn geval niet voordoet. Bijkomende redenen om geen onbegeleid verlof te verlenen zijn de maatschappelijke onrust die het verlof veroorzaakt en de gevoelens van de slachtoffers en nabestaanden, zoals die onder meer zijn gebleken uit het slachtofferonderzoek van eind 2009. Er bleek kort gezegd bij nabestaanden en slachtoffers nog vrijwel geen enkele verwerking op gang te zijn gekomen. Dat zijn op zichzelf valide redenen om een machtiging voor verlof te weigeren. Daarbij betrek ik dat onbegeleid verlof betekent dat betrokkene zich geheel vrij door de samenleving kan bewegen. Het vormt een vergaande stap naar invrijheidstelling.

Naar mijn oordeel maakt het memo van 9 juli 2001 dit niet anders. Daarin lees ik geen toezegging ten aanzien van verlof en zelfs gratie (....)

(...)

Daartegenover staat het belang van betrokkene bij uitbreiding van zijn lopende begeleid verloftraject en de wens die hij als levenslang gestrafte niettemin heeft tot resocialisatie.

Ik concludeer dat gelet op het maatschappelijk belang bij de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf van betrokkene, het belang van de slachtoffers en nabestaanden, de nog steeds bestaande maatschappelijke geschoktheid en de mogelijke verstrekkende gevolgen van een eventuele verlening van een verlofmachtiging tot onbegeleid verlof zwaarder dienen te wegen dan het belang van betrokkene bij verlening van een machtiging tot onbegeleid verlof.

Ik neem daarbij in aanmerking dat betrokkene in het kader van zijn behandeling in de (...) kliniek in staat is zich onder begeleiding in de samenleving te bewegen en ook buiten de inrichting contact te onderhouden met zijn gezin.

Door de aanwezigheid van begeleiding kan ervoor worden zorg gedragen dat een confrontatie met slachtoffers wordt vermeden."

1.17. Op 14 oktober 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het onder 1.14. bedoelde cassatieberoep. Het arrest van het hof is bekrachtigd.

2.1. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd, kort samengevat en zakelijk weergegeven, primair dat het hof zal bepalen dat de kliniek zal (kunnen) handelen als ware op de aanvraag tot verlening van een machtiging tot onbegeleid verlof ten behoeve van [appellant] door de Staat positief beslist, zulks met ingang van de datum van het te wijzen vonnis en tot aan het moment waarop een machtiging onbegeleid verlof voor onbepaalde duur zal zijn verleend en subsidiair dat het hof zal bepalen dat de Staat binnen twee weken na het te wijzen vonnis een machtiging tot onbegeleid verlof voor onbepaalde duur ten aanzien van [appellant] moet verlenen, meer subsidiair dat het hof de voorzieningen zal treffen die het onder de gegeven omstandigheden in goede justitie zal vermenen te behoren, onder veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2. Bij het bestreden vonnis van 9 september 2011 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. [appellant] klaagt met zijn grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, over deze beslissing en vordert in hoger beroep alsnog toewijzing van zijn vordering.

3.1. Het hof overweegt als volgt. Aanleiding voor deze zaak is de aanscherping van het beleid ten aanzien van de verlening van verlof (en van gratie) aan levenslang gestraften, in achtereenvolgens 2005 en in 2007 (zie hierboven onder 1.6. en 1.8.). De rechtmatigheid van het nieuwe beleid in het algemeen is geen inzet van dit geding. Kernvraag is of in dit concrete geval - (met name) gelet op het onder 1.3. genoemde memo van 9 juli 2001 dat hierna nog aan de orde zal komen - een uitzondering op het beleid gerechtvaardigd is en of de weigering van de staatssecretaris om zodanige uitzondering te maken, als onrechtmatig moet worden beschouwd. Daarbij is van belang dat staatssecretaris bevoegd is om af te wijken van een positief advies van de AVT, mits gemotiveerd, en meer in het algemeen, dat de weigering een machtiging te verlenen een bestuurlijke beslissing is, waarbij aan de Staat beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de beslissing door de civiele rechter met terughoudendheid moet worden getoetst. De beoordeling omvat een toetsing aan alle algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van behoorlijke besluitvorming, het vertrouwensbeginsel en het "redelijkheidsbeginsel" (de vraag of de beslissing in redelijkheid genomen kon worden).

3.2. Anders dan [appellant] is het hof van oordeel dat het memo van 9 juli 2001 niet kan worden aangemerkt als civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat, de kliniek en [appellant] dan wel als een, in een civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat en de kliniek opgenomen, civielrechtelijk derdenbeding ten gunste van [appellant], ook niet als de correspondentie rondom dat memo in aanmerking wordt genomen. Noch de vormgeving noch de inhoud en totstandkoming van het memo wijzen erop dat sprake was van een aanvaarding door [appellant] van een door de Staat en/of de kliniek gedaan aanbod als bedoeld in artikel 6:217 BW dan wel van een door [appellant] aanvaard derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 BW. Grief 2 faalt dus. Het belang van deze vaststelling dient echter te worden gerelativeerd nu het voorgaande niet wegneemt dat de Staat in bedoelde stukken (memo en correspondentie) zijn beleid met betrekking tot de detentie en verpleging van [appellant] heeft weergegeven en daardoor bepaalde verwachtingen bij [appellant] heeft gewekt, waaraan hij in beginsel is gebonden. Verwezen zij in dat verband naar overweging 3.9. van het arrest van 23 november 2010 van dit hof (zie hierboven 1.14.), waarin is overwogen, kort samengevat, dat destijds is gekozen voor een traject waarin alle onderscheiden vormen van verlof, dus inclusief onbegeleid verlof, op enig moment tot de mogelijkheden behoorden als de behandeling daartoe aanleiding zou (kunnen) geven. Conform deze verwachtingen zijn in 2002 voor het eerst begeleide verloven toegestaan, welke verloven gedurende enige jaren zonder problemen zijn verlopen. De kliniek ziet onbegeleid verlof thans als een passende vervolgstap in de behandeling en de AVT heeft te dier zake positief geadviseerd. Dit alles pleit uitdrukkelijk in het voordeel van [appellant].

3.3. Vanwege voormelde gewekte verwachtingen kon de machtiging tot verlening van onbegeleid verlof niet zonder meer geweigerd worden op grond van uitsluitend het gewijzigde beleid en de daarop gebaseerde opvatting dat het feit dat [appellant] een levenslange gevangenisstraf is opgelegd, de mogelijkheid van onbegeleid verlof uitsluit. Anderzijds volgt het hof [appellant] niet in zijn stelling dat hij uit het memo van 9 juli 2001 en de begeleidende correspondentie mocht afleiden dat een machtiging tot het verlenen van onbegeleid verlof verleend zou móeten worden, indien én zodra de kliniek zou menen dat dit geïndiceerd was in het kader van de behandeling. Grief 1 slaagt dan ook niet. Een dergelijke vergaande uitleg is niet in overeenstemming met de inhoud van het memo (ook niet indien dit memo wordt gelezen in samenhang met de bijbehorende correspondentie). Integendeel: met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat uit de zin "datzelfde (hof: te weten terugplaatsing naar een gevangenis) geldt indien het door de kliniek gevoerde verlofbeleid dat een wezenlijk onderdeel zal gaan vormen van de behandeling (conditio sine qua non), wordt tegengehouden" (zie citaat onder 1.3.) volgt dat voor de beslissing van de minister of onbegeleid verlof zal worden verleend niet (alleen) doorslaggevend is wat de kliniek als gewenste behandeling van [appellant] ziet. [appellant] kan zich wèl beroepen op de bij hem gewekte verwachting dat hij in beginsel behandeld wordt, inclusief het door de kliniek gehanteerde verlofbeleid, maar níet dat de Staat bij zijn beslissing wanneer dat verlof wordt verleend geen andere belangen (zoals de belangen van slachtoffers en het belang van het nog steeds bestaande gevaar voor maatschappelijke onrust) zal betrekken. Dit betekent dat ook grief 3 faalt.

3.4. In het besluit van 13 mei 2011 is niet alleen verwezen naar het gewijzigde beleid, maar zijn tevens als zwaarwegend aangemerkt de maatschappelijke onrust die het mogelijk maken van onbegeleid verlof zou veroorzaken en de gevoelens van de slachtoffers en de nabestaanden. De staatssecretaris achtte onder meer van belang dat uit het slachtofferonderzoek uit 2009 bleek dat er vrijwel nog geen enkele verwerking op gang was gekomen. Op zich is juist (grief 7) dat de Staat ook in 2001 moet hebben beseft dat resocialisatie van een levenslang gestrafte een bron van onrust kan zijn en dat deze zaak als gevoelig te karakteriseren valt. Dat laat echter onverlet dat men in 2001 nog niet wist hoe gevoelig de zaak zo veel jaren later nog zou liggen. Inzicht in de werkelijke situatie van de slachtoffers had men toen nog niet.

Onbegeleid verlof gaat voorts wezenlijk verder dan begeleid verlof; dat zal in elk geval in het algemeen zo "gevoeld" worden door de maatschappij en zeker door slachtoffers en nabestaanden. Het hof acht dan ook juist de overweging van de voorzieningenrechter dat een nieuwe afweging mogelijk is en volgt [appellant] niet in zijn stelling dat deze afweging hoe dan ook niet kan leiden tot een weigering. De belangen van slachtoffers en maatschappij kunnen niet alleen een rol spelen bij de modaliteit van het te verlenen verlof, maar ook bij de beslissing om al dan niet onbegeleid verlof mogelijk te maken. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat [appellant] daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden; ook in het memo van 9 juli 2001 wordt een dergelijke aanleiding niet gevonden. Grieven 4 tot en met 7 slagen evenmin.

3.5. De conclusie luidt dat naar voorlopig oordeel van het hof de beslissing van 13 mei 2011 niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het moge zo zijn dat de inhoud van die beslissing in overeenstemming is met de uitkomst die de Staat ook al vóór de verwerping van zijn onder 1.14. bedoelde cassatieberoep voorstond, maar dat betekent nog niet dat reeds daarom moet worden aangenomen dat de beslissing onrechtmatig is wegens het ontbreken van een belangenafweging (grief 8). Evenmin kan in het kader van dit kort geding geconstateerd worden dat de genomen beslissing betekent dat de weigering een machtiging te verlenen op onrechtmatige wijze de mogelijkheid van gratie voor [appellant] frustreert (grief 11), respectievelijk dat de aan [appellant] opgelegde levenslange gevangenisstraf "irreducible" is en daarmee in strijd komt met artikel 3 EVRM (eerste deel van grief 10). Juist is - en het Hof hecht eraan dit ook in dit arrest te benadrukken - dat er enig perspectief voor [appellant] moet blijven bestaan dat zijn straf niet daadwerkelijk levenslang zal zijn (vergelijk EHRM 12 februari 2008, EHRC 2008, 52 (Kafkaris/Cyprus) en HR 16 juni 2009, NJ 2009, 602, LJN: BF3741). In dat verband is van belang dat de Staat inmiddels accepteert dat, met name gelet op de bij [appellant] gewekte verwachtingen, een machtiging onbegeleid verlof niet reeds kan worden geweigerd op grond van louter een verwijzing naar het gewijzigd beleid. De Staat heeft ten pleidooie nog eens nadrukkelijk herhaald dat gratie en (dus) onbegeleid verlof nú niet aan de orde zijn, maar dat dit in de toekomst anders kan liggen. De Staat heeft daarbij als voorbeeld genoemd de mogelijke situatie dat de in 2009 gestarte begeleiding van slachtofferhulp (welke begeleiding in de jaren '80 helaas nog niet automatisch werd aangeboden en, kennelijk mede omdat een slachtofferonderzoek eerst vanaf 2005 of 2007 verplicht is gesteld, helaas ook niet eerder dan in 2009 op gang is gekomen) tot andere resultaten van een nieuw slachtofferonderzoek zal leiden. Het hof gaat ervan uit dat het de Staat ernst is en dat bij een in de toekomst herhaald verzoek om een machtiging onbegeleid verlof, een nieuwe zorgvuldige en serieuze belangenafweging zal plaatsvinden, waarbij in ogenschouw zal worden genomen dat de bij [appellant] in 2001 gewekte verwachtingen een zwaarwegende factor zijn.

3.6. Uit het voorgaande volgt dat het naar voorlopig oordeel van het hof te ver gaat om aan te nemen dat sprake is van het volledig ontnemen aan [appellant] van enig resocialisatieperspectief (stelling in pleitnota [appellant], onder 27), zodat (ook) om die reden niet geconcludeerd kan worden dat sprake is van strijd met artikel 3 EVRM. Voorts kan gelet op het voorgaande evenmin worden geoordeeld dat sprake is van een detentie waaraan het rechtmatige karakter is komen te ontvallen (artikel 5 EVRM), respectievelijk dat de op het privé- en gezinsleven van [appellant] gemaakte inbreuken verder gaan dan noodzakelijk met het oog op de in lid 2 van artikel 8 EVRM genoemde belangen. Grief 10 faalt dus eveneens. Grief 9 deelt dit lot, nu gelet op het vorenoverwogene onjuist is de stelling dat deugdelijke argumenten om [appellant] geen onbegeleid verlof te verlenen ontbreken en dat daarom sprake is van schending van artikel 37 Sr.

3.7. De slotsom is dat het appel faalt en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Hierbij past een veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 9 september 2011;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 694,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en D.J. de Brauw en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2011 in aanwezigheid van de griffier.