Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU6566

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
200.010.689/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY6699, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY6699
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht, concurrentiebeding, relatiebeding, bewijsaanbod, boete, matiging (eindarrest). zie voor tussenarrest LJN-nummer: BU6562

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0999
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht

Zaaknummer: 200.010.689/01

Rolnummer Rechtbank: 665151 CV EXPL 07-1051

arrest d.d. 27 september 2011

inzake:

[de voormalige werknemer],

wonende te [Woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [de voormalige werknemer],

advocaat: thans mr. E.S.R. Ester te Hillegom,

(voorheen mr. R. van Kessel),

tegen:

LTO Noord Verzekeringen B.V.,

gevestigd te Deventer,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

nader te noemen: LTO Noord Verzekeringen,

advocaat: thans mr. A.J. Veeman te Zwolle,

(voorheen mr. M.P. Zeilmaker-Smit, daarvoor E. Grabandt).

Het geding

1. Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 18 mei 2010 (hierna: tussenarrest), waarbij - samengevat - aan [de voormalige werknemer] bewijslevering is opgedragen, de zaak is verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van [de voormalige werknemer] en een comparitie van partijen is bepaald. Bij akte na tussenarrest van 13 juli 2010 (hierna: akte) heeft [de voormalige werknemer] stukken doen overleggen, gevolgd door een antwoordakte van LTO Noord Verzekeringen (hierna: antwoordakte), met producties. Vervolgens is een comparitie van partijen gehouden op 12 oktober 2010 en, na opnieuw aanhouding op verzoek van [de voormalige werknemer], voortgezet op 22 december 2010. Van beide zittingen is proces-verbaal opgemaakt. Bij brief van 10 januari 2011 hebben de raadslieden medegedeeld dat partijen (ook) na de comparitie niet tot een schikking zijn gekomen en dat arrest wordt gevraagd.

De verdere beoordeling

In principaal en in incidenteel appel

2.1 Bij voormeld tussenarrest heeft het hof aan [de voormalige werknemer] opgedragen te bewijzen dat hij op 24 augustus 2005 met [de directeur], directeur van LTO Noord Verzekeringen, is overeengekomen dat LTO Noord Verzekeringen ten aanzien van cliënten van LTO Noord Verzekeringen die op eigen initiatief zouden overstappen naar [de voormalige werknemer], geen aanspraak zou maken op het concurrentiebeding. Het hof stelde [de voorma-lige werknemer] in de gelegenheid zich in de door hem te nemen akte uit te laten met betrekking tot de wijze waar-op hij aan die bewijsopdracht wenste te voldoen, zonodig onder opgave van de te horen getuigen.

2.2 Als vermeld heeft [de voormalige werknemer] daarop van akte gediend. In zijn akte (sub 4) heeft [de voor-malige werknemer] gerefereerd aan de bewijsopdracht en, kennelijk in dat kader, aan de akte een - niet ondertekend - schriftelijk stuk doen hechten dat onder het kopje “Bewijsvoering overeengekomen afspraak op 24 augustus 2005 met [de directeur]” kennelijk geacht wordt te strekken tot voldoening aan de bewijsopdracht. Op de door het hof verzochte “opgave van de te horen getuigen” is niet ingegaan en om het houden van een getuigenverhoor is niet verzocht. Het hof interpreteert dat aldus dat [de voormalige werknemer] (toen) kennelijk afzag van getuigenbewijs; de opmerking in het stuk onder “Conclusie (bevrijdend verweer)” dat “(i)ndien nodig alle hierboven genoemde cli-enten bereid (zijn) om ten overstaan van het hof een getuigenverklaring af te leggen” beschouwt het hof niet als de verlangde opgave of verzoek om getuigenverhoor. Het is niet aan het hof te bepalen wat onder “indien nodig” dient te worden verstaan en wie er (vervolgens?) als getuigen zouden moeten worden gehoord.

2.3 Dit zo zijnde heeft het hof een comparitie van partijen gepland, als aangekondigd in zijn tussenarrest waar-in stond dat het hof hetzij in aansluiting op de door [de voormalige werknemer] te nemen akte, hetzij in aanslui-ting op een getuigenverhoor in het kader van de bewijslevering door [de voormalige werknemer], een compari-tie van partijen zou gelasten.

2.4 Nadat vervolgens de comparitie van partijen op verzoek van [de voormalige werknemer] tweemaal was aangehouden, heeft de nieuwe raadsman van [de voormalige werknemer] bij brief van 17 december 2010 aan het hof medegedeeld dat [de voormalige werknemer] zichzelf als getuige wenste te doen horen. In aanmerking nemende hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof dit verzoek/deze getuigenopgave tardief. Dat betekent dat het hof daar-aan voorbij gaat en het voorliggende materiaal beoordeelt, inclusief het hiervoor (2.2) genoemde schriftelijke stuk.

2.5 Het hof ziet voorts geen aanleiding in te gaan op het betoog ontwikkeld in dit stuk onder het kopje “Reactie op het arrest van 18 mei 2010 (…).” Het hof heeft reeds in rov. (5.2 en) 5.3 van dat arrest beslist dat het niet ingaat op de door [de voormalige werknemer] bij MvA in incidenteel appel ontwikkelde nieuwe grieven en hetgeen [de voormalige werknemer] in bedoeld stuk heeft gesteld maakt dat niet anders, laat staan dat het hof zou ingaan op de door [de voormalige werknemer] in dit stuk in strijd met de goede procesorde wederom ontwikkelde nieuwe grie-ven, waartegen LTO Noord Verzekeringen zich overigens uitdrukkelijk gekeerd heeft (antwoordakte onder 1.)

Nader in principaal appel

Grief 1.

3.1.1 Het hiervoor (2.2) genoemde schriftelijk stuk bevat een “(l)ijst van ‘abusievelijk aangeschreven personen’ voor de mailing SNS VariVast, als bedoeld in de email van 23 november 2006” waarmee volgens de akte door [de voormalige werknemer] wordt “tegemoetgekomen” aan de opdracht van het hof in rov. 6.2.6 van het tussenarrest (dictum sub a. en b.). De lijst bevat 22 namen, waarvan er 17 gearceerd zijn en 5 ([cliënt 3], [cliënt 4], [cliënt 5], [cliënt 6] en [cliënt 1]) niet. Volgens [de voormalige werknemer]s toelichting zijn de gearceerde namen ‘geen ver-zekerde cliënten/personen bij WLTO Verzekeringen op 31-07-2005.’ [cliënt 3], [cliënt 4], [cliënt 5] en [cliënt 6] waren, zo begrijpt het hof, cliënten van LTO Noord Verzekeringen; over[cliënt 1] bestaat onduidelijkheid aan de zijde van [de voormalige werknemer]. Het hof gaat er vanuit dat [de voormalige werknemer] met “WLTO Verzeke-ringen” WLTO/Holag Assurantie B.V. bedoelt. Deze vennootschap is de rechtsvoorganger van LTO Noord Verze-keringen naar tussen partijen vaststaat (inl. dagvaarding sub 2, CvA sub 2, MvA in incidenteel appel sub 5). Mocht [de voormalige werknemer] met “WLTO Verzekeringen” de Vereniging WLTO bedoeld hebben, dan faalt dat be-toog, vgl. de vaststaande feiten in het tussenarrest genoemd in 2.1, 2.2 en 2.3.

3.1.2 Het hof begrijpt het gestelde op blz. 5 onder a. in de antwoordakte aldus dat LTO Noord Verzekeringen ten aanzien van de 17 gearceerde namen erkent dat dat geen bij haar “verzekerde cliënten/personen” in de zin van het concurrentiebeding zijn. Het op de door [de voormalige werknemer] overgelegde formulieren vermelde “geen klant” is daarop geschreven door de administratief medewerkster van LTO Noord Verzekeringen mw. [medewerker LTO Noord Verzekeringen].

3.1.3 LTO Noord Verzekeringen heeft er terecht op gewezen dat [de voormalige werknemer] de (vra-gen)formulieren van de 5 hiervoor genoemde personen niet heeft overgelegd. Voor 4 personen is dat in zoverre niet van belang, dat nu [de voormalige werknemer] heeft erkend dat dat verzekerde cliënten/personen van LTO Noord Verzekeringen waren, zulks tussen partijen vaststaat. Ten aanzien van[cliënt 1] is het hof van oordeel dat [de voor-malige werknemer], door na te laten het (vragen)formulier van[cliënt 1] over te leggen, zijn verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof acht daarmee vijf overtredingen van het concurrentiebeding vaststaan.

3.1.4 Het hof ziet geen aanleiding in te gaan op het betoog van LTO Noord Verzekeringen in haar antwoordakte onder 4 (blz. 4 t/m 8) met betrekking tot de vraag of [de voormalige werknemer] méér dan 22 adressen heeft aange-schreven. Reden hiervoor is dat het aldaar ontwikkelde betoog van LTO Noord Verzekeringen niet aansluit bij haar vorderingen (vgl. rov. 4.2 sub I en sub III van het tussenarrest). Immers, de vordering tot betaling van € 122.520,60 is de resultante van volgens LTO Noord Verzekeringen 54 overtredingen á € 2.268,90. Die 54 is opgebouwd (zie laatstelijk de cvr/cva in eerste aanleg sub 3 in aansluiting op prod. 10 bij inl. dagvaarding) uit de hier besproken 20 aanschrijvingen, 31 intermediairswijzigingen (29 + 3 – 1 {[cliënt 2]}) en 3 x “onderhouden van contacten.” De vor-dering van LTO Noord Verzekeringen sub III betreft de afgifte aan haar van “(…) de lijst met namen van de 20 door [de voormalige werknemer] in of omstreeks 3 november 2006 aangeschreven adressen uit het LTO Bestand.” Daarmee heeft LTO Noord Verzekeringen haar vorderingen beperkt tot 20 “aangeschreven adressen” en/of “verze-kerde cliënten/personen.” Ware het anders dan zou LTO Noord Verzekeringen aanspraak gemaakt hebben op een boetebedrag dat overeenkomt met méér dan 54 overtredingen.

3.1.5 Bij deze stand van zaken passeert het hof de bewijsaanbiedingen van LTO Noord Verzekeringen met betrekking tot dit onderdeel van haar vordering.

3.1.6 Grief 1 is gegrond. Er is voor wat betreft de in aanhef van rov. 3.1.1 genoemde mailing sprake (niet van 20 maar) van 5 overtredingen van het concurrentiebeding.

Grief 3.

3.2.1 In aansluiting op hetgeen hiervoor in 2.1 t/m 2.5 is overwogen is het hof van oordeel dat [de voormali-ge werknemer] er niet in geslaagd is te bewijzen dat hij op 24 augustus 2005 met [de directeur] is overeengeko-men dat LTO Noord Verzekeringen ten aanzien van cliënten van LTO Noord Verzekeringen die op eigen initiatief zouden overstappen naar [de voormalige werknemer], geen aanspraak zou maken op het concurrentiebeding. Daar-voor geldt, in aansluiting op hetgeen het hof reeds in rov. 6.4.3. van het tussenarrest heeft overwogen, dat LTO Noord Verzekeringen deze algemene stelling heeft betwist, [de voormalige werknemer] geen getuigen heeft voor-gebracht en zijn schriftelijke stuk (rov. 2.2) onvoldoende bewijs oplevert. In zijn schriftelijk stuk geeft [de voorma-lige werknemer] weliswaar een redenering ten beste die aannemelijk moet maken dat LTO Noord Verzekeringen heeft ingestemd met het vertrek van haar cliënten op eigen initiatief, maar de daarvoor onder 1 t/m/ 4 weergegeven premissen kunnen die conclusie niet dragen, ook niet wanneer de door [de voormalige werknemer] opgevoerde “praktische uitvoering” daaraan wordt toegevoegd.

Waar [de voormalige werknemer] onder het kopje “Misvatting” in dit stuk de overweging van het hof in rov. 6.4.3. van het tussenarrest bespreekt “dat [de directeur] erin heeft bewilligd dat [de voormalige werknemer] een zestal met name genoemde relaties zou meenemen (mits die klanten de wens daartoe schriftelijk aan haar kenbaar zouden ma-ken)” gaat hij er ten onrechte vanuit dat het hof daar een oordeel geeft. Het hof geeft in die passage slechts het (na-dere) standpunt van LTO Noord Verzekeringen weer zoals door haar bij cvr in conventie/cva in reconventie in eer-ste aanleg (punt 6 blz. 6) ingenomen. Het hof beschouwt dat standpunt, dat nader ingaat op hetgeen door [de voor-malige werknemer] is gesteld in zijn daaraan voorafgaande cva/cve, als een nadere duiding van de “enkele cliënten” genoemd in de inleidende dagvaarding. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de uiterste consequentie van de door [de voormalige werknemer] gestelde afspraken met [de directeur] zou zijn dat het concurrentiebeding - overi-gens niet ten onrechte door LTO Noord Verzekeringen als een relatiebeding aangeduid - zo niet geheel, dan toch in relevante mate aan betekenis inboette. LTO Noord Verzekeringen wijst daarop terecht bij MvA (sub 33). Dat [de di-recteur] daarmee akkoord zou zijn gegaan ligt weinig voor de hand.

3.2.3 Voor zover [de voormalige werknemer] er zich in zijn schriftelijk stuk (rov. 2.2) op beroepen heeft dat LTO Noord Verzekeringen blijkens haar inleidende dagvaarding ermee heeft ingestemd dat er cliënten “buiten het concurrentiebeding om” met hem mee mochten, het niet met name genoemde cliënten betrof en er geen ter-mijn is gesteld waarin de intermediairswijziging aan LTO Noord Verzekeringen gemeld moest zijn, baat hem dit niet. Onweersproken heeft LTO Noord Verzekeringen gesteld dat zij met intermediairswijziging van zes cliënten akkoord gegaan is en die buiten haar vordering heeft gelaten. Zonder nadere onderbouwing van [de voormalige werknemer], die ontbreekt, valt niet in te zien dat [de voormalige werknemer] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat “enkele cliënten” méér cliënten omvatte dan (deze) zes, laat staan een door hem zelf erkend aantal van (ten min-ste) zeventien, vgl. hierna rov. 3.3.2 sub I. Hoewel, naar [de voormalige werknemer] op zich terecht aanvoert, “en-kele” een onbepaald aantal is, vermag het hof niet in te zien dat voor de uitleg van “enkele cliënten” gerelateerd dient te worden aan het aantal door [de voormalige werknemer] voor LTO Noord Verzekeringen beheerde cliënten. [de voormalige werknemer] heeft geen feitelijke gronden aangegeven die hem in het licht van het Haviltexcriterium gerechtvaardigd tot die interpretatie hebben gevoerd (vgl. rov. 6.2.2 van het tussenarrest). Voor zover [de voormali-ge werknemer] zijn stellingen heeft gebaseerd op verklaringen of gedragingen van [de directeur] zijn die niet komen vast te staan.

3.2.4 De conclusie moet zijn dat grief 3 faalt.

Grief 4, 5 en 6.

3.3.1 Onder verwijzing naar hetgeen in het tussenarrest ten aanzien van grief 4 is overwogen, stelt het hof stelt vast dat LTO Noord Verzekeringen in haar antwoordakte een te ruime strekking toekende aan de overwe-ging van het hof dat “(v)oorzover het intermediairswijzigingen betreft het naar zijn aard (gaat) om ‘bij de werkge-ver verzekerde cliënten/personen.’” Dat sec betwist [de voormalige werknemer] ook niet. [de voormalige werkne-mer] voert in zijn schriftelijk stuk (rov. 2.2) ten verwere wel aan (“groep 2”) dat tot die bij de werkgever verzekerde cliënten/personen relaties behoren die voor zijn vertrek bij LTO Noord Verzekeringen, kennelijk óók, cliënt van “[X] & [de voormalige werknemer]” waren. Dit laatste leest het hof aldus dat [de voormalige werknemer] bedoelt dat het cliënten van [X] waren die, door zijn samenwerking met [X] in de nieuwe vennootschap onder firma [X] & [de voormalige werknemer], cliënten van de v.o.f. zijn geworden. LTO Noord Verzekeringen gaat er voorts aan voorbij dat [de voormalige werknemer] ten aanzien van een deel van die (33) volgens LTO Noord Verzekeringen ‘bij de werkgever verzekerde cliënten/personen’ stelt (“groep 3”) dat zij die hoedanigheid missen en/of niet binnen de looptijd van het concurrentiebeding cliënt van [X] & [de voormalige werknemer] zijn geworden. Dienaangaande ligt, naar het hof reeds in het tussenarrest heeft overwogen, de bewijslast op LTO Noord Verzekeringen. Zoals ook ter comparitie van 12 oktober 2010 door de raadsheer-commissaris aangegeven bevatte het tussenarrest geen eind-beslissing inhoudende 33 overtredingen door [de voormalige werknemer] van het concurrentiebeding. Dat [de voormalige werknemer], zoals door LTO Noord Verzekeringen ten pleidooie op 15 januari 2010 heeft betoogd, geen grief heeft gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat “(o)ok met betrekking tot deze 34 oud cliën-ten van LTO mitsdien vast (staat) dat [de voormalige werknemer] het beding heeft overtreden” leidt het hof niet tot een ander oordeel. De (toelichting op) grief 6 houdt onder meer in dat “(o)ook voor wat betreft de 34 namen op de lijst die door LTO (…) is overgelegd niet (is) vast komen te staan dat sprake is van overtreding van het concurren-tiebeding.” Onder verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg is gesteld, wenste [de voormalige werknemer] met (de toelichting op) grief 6 onmiskenbaar het debat in hoger beroep ter zake opnieuw te voeren. Het hof heeft uit de pro-cessuele houding van LTO Noord Verzekeringen in hoger beroep ook niet afgeleid dat zij dat niet heeft begrepen.

3.3.2 In aansluiting op het voorgaande stelt het hof vast

I. dat [de voormalige werknemer] ten aanzien van “groep 1” van 17 personen in zijn schriftelijk stuk uitdrukke-lijk aangeeft “Tussen 01-08-2005 en 01-08-2007 overgestapt van LTO Noord Verzekeringen naar [X] & [de voormalige werknemer].” Als laatste van de groep noemt [de voormalige werknemer] “[a. Y]”. LTO Noord Verzekeringen (inl. dagvaarding prod. 10) sprak over [b. Y], op hetzelfde adres. Gelet op de erkenning van [de voormalige werknemer] (“De 33 door LTO Noord Verzekeringen genoemde cliënten/personen”) houdt het hof het ervoor dat het om dezelfde verzekerde cliënt/persoon gaat. Per saldo komt het neer, gelet op de duur van het concurrentiebeding tot 1 augustus 2007 en inhoud daarvan, op 17 schendingen;

II. dat met betrekking tot “groep 2” [de voormalige werknemer] in eerste aanleg en in hoger beroep ten verwere heeft aangevoerd dat die reeds vóór zijn uitdiensttreding van LTO Noord Verzekeringen per 1 augustus 2005 relatie van [X] Verzekeringen waren en dat de contacten met deze mensen door [X] worden onderhouden. Het hof evenwel volgt LTO Noord Verzekeringen in haar opvatting dat ook ten aanzien van deze groep spra-ke is van schending van het concurrentiebeding waar het beding ziet op “commerciële contacten te onderhou-den of te laten onderhouden”. Dit laatste komt ten minste tot uitdrukking in de onweersproken plaatsgevon-den hebbende intermediairswijzigingen van [cliënt 7], [cliënt 8], [cliënt 9], [cliënt 10], [cliënt 11] en [cliënt 12] na het vertrek van [de voormalige werknemer] bij LTO Noord Verzekeringen. Terecht heeft LTO Noord Verzekeringen ten aanzien van [cliënt 13] gewezen op de door [de voormalige werknemer] overgelegde brief van [cliënt 7] (prod. 4 cva/eis in reconventie) waaruit ten minste blijkt van het hebben van commercieel con-tact met een bij LTO Noord Verzekeringen verzekerde cliënt/persoon. Ten slotte geldt met betrekking tot groep 2 dat LTO Noord Verzekeringen in haar “nadere beschouwing” (die kennelijk is geconcipieerd naar aanleiding van de opmerkingen van de raadsheer-commissaris ter comparitie van partijen op 12 oktober 2010) voorafgaande aan de voortzetting van de comparitie op 9 december 2010 heeft vermeld geen bewijs te kunnen leveren van de (betwiste) overtreding van het concurrentiebeding met betrekking tot F.H. Overbeek. Deze valt dus af, zodat er 7 schendingen van het concurrentiebeding over blijven;

Voor zover de gedachte bij [de voormalige werknemer] zou opkomen dat deze uitkomst met betrekking tot “groep 2” onredelijk is, wijst het hof erop dat [de voormalige werknemer]

a. (ook) op dit onderdeel geen feitelijke gronden heeft aangegeven die hem in het licht van het Haviltexcrite-rium gerechtvaardigd tot de interpretatie hebben gevoerd dat voor bij LTO Noord Verzekeringen verzekerde cliënten/personen die vóór zijn uitdiensttreding reeds relatie van [X] Verzekeringen waren, het concurrentie-beding niet gold;

b. geen beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft gedaan. Slechts in het kader van de beweerdelijke toezegging/indruk dat [de voormalige werknemer] zaken mocht doen met relaties die hém benaderden is daarop uiteindelijk een beroep gedaan (MvA in incidenteel appel sub 16/pleitnota sub 74).

Het hof komt in rov. 3.5.2. op deze groep terug bij de bespreking van het beroep op matiging.

III. dat voor wat betreft “groep 3” [de voormalige werknemer] in zijn schriftelijk stuk (rov. 2.2) zowel ontkent dat er in de periode 01-08-2005 tot 01-08-2007 - bedoeld wordt kennelijk: tijdens de looptijd van het con-currentiebeding - met betrekking tot die cliënten een overvoer heeft plaatsgevonden, als dat er “commer-cieel contact” heeft plaatsgevonden. Het hof herinnert eraan dat LTO Noord Verzekeringen in haar inlei-dende dagvaarding, die dateert van vóór de einddatum van het concurrentiebeding, de intermediairswijzi-gingen als (ultieme) bevestiging van het volgens het concurrentiebeding verboden “commerciële contacten te onderhouden of te laten onderhouden met de bij de werkgever verzekerde cliënten/personen” heeft opge-voerd. Maar bewijs van daadwerkelijke overvoer is niet nodig, het bewijs van het laatste (kortweg: contacten onderhouden) is voldoende. Het hof heeft hier een deel van de tekst van het concurrentiebeding gecursiveerd nu aan de voor de vaststelling van overtreding van het concurrentiebeding relevante kwaliteit van “verzekerde cliënt/persoon” in de vervolgens in het geding gebrachte “nadere beschouwing” van LTO Noord Verzekerin-gen, met name ten aanzien van “groep 3”, ten onrechte voorbij wordt gegaan. Aan de zijde van [de voormali-ge werknemer] is er met betrekking tot “groep 3” in zijn meergenoemde schriftelijke stuk slechts sprake van een blote ontkenning. Van de mogelijkheid om in reactie op de “nadere beschouwing” van LTO Noord Ver-zekeringen nadere stukken te produceren of er ter comparitie van partijen op 9 december 2010 het nodige van te (doen) zeggen is slechts gebruik gemaakt door het in het geding brengen van de producties 19 t/m 24 die, op het KvK-uittreksel van de V.O.F. [Z] na, allemaal betrekking hebben op “groep 2”. Deze proceshouding van [de voormalige werknemer] klemt in het bijzonder voor díe gevallen waarbij LTO Noord Verzekeringen onder verwijzing naar en het citeren uit door [de voormalige werknemer] zelf als prod. 4 cva/eis in reconven-tie in het geding gebrachte stukken stelt te hebben aangetoond dat er sprake is van “commercieel contact”. Het hof neemt in aanmerking dat ook de cva/cve in eerste aanleg is genomen vóórdat de looptijd van het con-currentiebeding was vervallen, dus de overgelegde producties hebben - wat er zij van “standaarddatering” op 29 mei 2007 - betrekking op handelingen tíjdens die looptijd. Het hof zal, zonder telkens te herinneren aan de processuele stelplicht maar wel met het oog daarop, per geval nader beoordelen of sprake is van overtreding van het concurrentiebeding. Er dient voorts nog de volgende algemene opmerking gemaakt te worden met be-trekking tot “groep 3”: in een aantal gevallen voert LTO Noord Verzekeringen in haar “nadere beschouwing” onder verwijzing naar de hiervoor bedoelde brieven aan dat daaruit blijkt van overname van verzekeringen van “deze klant.” Het hof is een ander oordeel toegedaan. Dat relaties van [X] & [de voormalige werknemer], blijkens de door hen ondertekende brieven, niet onderscheiden in de begrippen verzekeringnemer, verzekerde en cliënt (bijv. waar zij spreken over “onze verzekeringen”) wil niet zeggen dat het hof dat, in het kader van de vraag of sprake is van overtreding van het concurrentiebeding door [de voormalige werknemer], ten aan-zien van de relevante kwaliteit van “verzekerde cliënt/persoon” niet behoort te doen. LTO Noord Verzekerin-gen heeft niet gemotiveerd wat partijen precies met “verzekerde cliënten/personen” hebben bedoeld (vgl. rov. 6.2.2 jo. 6.2.4 van het tussenarrest). Maar de opmerking van LTO Noord Verzekeringen (cvr/cva sub 10) dat “(t)wee personen op één adres betekent gewoon 2x provisie voor zover aan elk van hen een verzekering (…) kan worden verkocht” (curs. hof) past precies binnen de tekst van het concurrentiebeding. Het hof deelt niet het oordeel van [de voormalige werknemer] dat de bewoordingen van het concurrentiebeding “volstrekt dui-delijk” zijn (pleidooi [de voormalige werknemer] punt 55).

1. [mevrouw cliënt 14] (die zich kennelijk ook [vrouwe cliënt 14] noemt): de door LTO Noord Verzekerin-gen aangehaalde brief is getekend zowel door [de heer cliënt 14] als mw. [cliënt 14]. Volgens de brief hebben “wij“ [de voormalige werknemer] benaderd met betrekking tot “onze” verzekeringspolissen van LTO Noord (en overvoer daarvan naar [X] & [de voormalige werknemer]). Het gaat dus kennelijk om commercieel contact, niet alleen met [de heer cliënt 14], die door [de voormalige werknemer] in “groep 1” is ingedeeld, maar ook met zijn echtgenote. Uit de door LTO Noord Verzekeringen bij haar “nadere beschouwing” overgelegde stukken (bijl. 8) blijkt evenwel niet van de hoedanigheid van verzekerde cli-ent/persoon van mw. [cliënt 14], anders gezegd, dat aan haar een verzekering is verkocht. Dat er overvoer heeft plaatsgevonden van een of meer polissen met mw. [cliënt 14] als verzekeringnemer of verzekerde cliënt/persoon is het hof niet gebleken. Aldus heeft LTO Noord Verzekeringen de gestelde schending van het concurrentiebeding onvoldoende onderbouwd;

2. [cliënt 15]: het onder 1. vermelde geldt hier m.m. ook, met inbegrip van het ontbreken van de hoedanig-heid van verzekerde cliënt/persoon van mw. [cliënt 15] (vgl. bijl. 9 bij de “nadere beschouwing”). Deze hoedanigheid blijkt ook niet uit de door [de voormalige werknemer] in eerste aanleg overgelegde e-mail en brief met betrekking tot de (naar het hof aanneemt: dezelfde) risicoverzekering bij Stad Rotterdam (ASR).

3. [cliënt 16]: MD Service is door [de voormalige werknemer] in “groep 1” geplaatst. De door LTO Noord Verzekeringen geciteerde brief van [cliënt 16] geeft blijk van het onderhouden van commercieel contact door [de voormalige werknemer] met [cliënt 16] (privé). Voorts heeft er volgens die brief intermediairs-wijziging plaatsgevonden. Aldus heeft [de voormalige werknemer] de gestelde schending van het concur-rentiebeding onvoldoende gemotiveerd weersproken;

4. [cliënt 17]: het onder 1. vermelde geldt hier m.m. ook, met inbegrip van het ontbreken van de hoedanig-heid van verzekerde cliënt/persoon van mw. [cliënt 17].

5. V.O.F. [Z]: voor zover LTO Noord Verzekeringen erop wijst dat het zowel om “een vennoot privé” (het hof begrijpt: [K], immers de brief van de andere vennoot spreekt over “wij” nu die tevens afkomstig is van [cliënt 17]) als om de v.o.f. gaat, mist dat in zoverre betekenis dat [de voormalige werknemer] [K] in “groep 1” heeft ondergebracht. Volgens het door [de voormalige werknemer] bij cvd/cvr in eerste aanleg overgelegde overzicht van “Polissen die intermediair zijn gewijzigd ná 31-07-2005” zijn er een AVB, rechtsbijstand bedrijf, brand bedrijf en transportverzekering overgevoerd. Gelet op het vermelde be-drijfsmatige karakter van deze verzekeringen houdt het hof het ervoor dat dat polissen van V.O.F. [Z] be-treft. Daarmee betreft het een schending van het concurrentiebeding ten aanzien van de v.o.f..

6. [cliënt 18]: de door LTO Noord Verzekeringen geciteerde brief spreekt voor zich. Er heeft kennelijk commercieel contact plaatsgevonden met de verzekerde cliënt/persoon [cliënt 18]. [de voormalige werk-nemer] heeft de gestelde schending van het concurrentiebeding onvoldoende gemotiveerd weersproken;

7. [cliënt 19]: [de voormalige werknemer] heeft erkend dat er contacten met mw. [cliënt 19] zijn geweest en hij heeft niet betwist dat zij als verzekerde cliënt/persoon is aan te merken. Hij heeft voorts de met prod. 12 bij cvr/cva in eerste aanleg van LTO Noord Verzekeringen onderbouwde stelling dat hij het dossier van (wijlen) dhr. en mw. [cliënt 19] na zijn vertrek bij LTO Noord Verzekeringen onder zich gehouden heeft niet weersproken. Daarmee is ook ten aanzien van mw. [cliënt 19] sprake van schending van het beding. Dat [de voormalige werknemer] dhr. [cliënt 19] vóór zijn overlijden beloofd heeft financiële za-ken voor zijn weduwe te behartigen, er geen overvoer heeft plaatsgevonden en een nieuwe verzekering bij LTO Noord Verzekeringen is ondergebracht leidt niet tot een ander oordeel.

8. [cliënt 20]: tussen partijen is niet in geschil dat [cliënt 20] onder de bij de werkgever verzekerde cliën-ten/personen valt en dat [de voormalige werknemer] na zijn vertrek bij LTO Noord Verzekeringen inten-sieve commerciële contacten met hem heeft gehad (o.m. prod. 13a bij cvr/cva). Daarmee is ook ten aan-zien van [cliënt 20] sprake van schending van het beding. De door [de voormalige werknemer] aange-voerde redenen voor dat contact leiden niet tot een ander oordeel.

Resumerend: binnen “groep 3” is er sprake van vijf schendingen van het concurrentiebeding. Daarmee komt het totaal op 5 + (17 + 7 + 5) = 34.

3.3.3 In aansluiting op rov. 3.1.4 tekent het hof aan dat voor zover het betoog van LTO Noord Verzekeringen bij antwoordakte na tussenarrest (ad b. en prod. 15) en “nadere beschouwing” (blz. 6) aldus moet worden begrepen dat haar vordering tevens gebaseerd is op de “nabel-actie” van mw. [medewerker 2 LTO Noord Verzekeringen], ople-verend drie “bingo’s” volgens LTO Noord Verzekeringen, dat betoog dient te worden verworpen. In rov. 3.1.4 is weergegeven hoe de vordering volgens LTO Noord Verzekeringen is opgebouwd. Een tijdige en als zodanig voor de wederpartij kenbare vermeerdering van de grondslag van eis heeft niet plaatsgevonden. Daarmee zijn de “bin-go’s” irrelevant.

3.3.4 Grief 4 (in combinatie met grief 6) is, naar uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, gedeeltelijk gegrond; er is - naast de 5 uit de SNS VariVast-mailing - geen sprake van 34 schendingen van het concurrentiebeding, zoals de kantonrechter heeft aangenomen, maar van 29. De grieven 5 en 6 zijn inzoverre gegrond dat de kantonrechter ten onrechte de bewijsaanbiedingen door [de voormalige werknemer] heeft gepasseerd.

3.4 Voor zover de stellingen [de voormalige werknemer] in hoger beroep (tevens) beogen een beroep te doen op artikel 7:653 lid 2 BW, sommige stellingen zouden met enige welwillendheid in dat licht geïnterpreteerd kunnen worden, bijv. MvA in incidenteel appel sub 28 en 29 en de nrs. 62 e.v. (“Beperking concurrentiebeding”) bij plei-dooi in hoger beroep, dienen die stellingen te worden verworpen. De kantonrechter heeft de reconventionele vorde-ringen van [de voormalige werknemer] die betrekking hadden op het concurrentiebeding afgewezen en [de voorma-lige werknemer] is daartegen niet opgekomen in hoger beroep (rov. 3.3, 4.1 jo. 6.1 van het tussenarrest). Dat bete-kent dat het vonnis van de kantonrechter in zoverre kracht van gewijsde heeft gekregen. Honorering van de hiervoor bedoelde stellingen van [de voormalige werknemer] zou alsdan leiden tot strijd met hetgeen reeds bindend tussen partijen geldt. Terzijde: de kantonrechter heeft het beroep op matiging, ingekleed als vordering in reconventie, wél gehonoreerd maar kennelijk als verweer in conventie. Het beroep op matiging komt hierna aan de orde.

Nader in incidenteel appel

3.5.1 Ingevolge hetgeen hiervoor is overwogen en beslist staat thans vast dat er sprake is van 34 overtredingen van het concurrentiebeding. Dat resulteert volgens het aan het concurrentiebeding verbonden boetebeding in een bedrag van (34 x € 2.268,90 = ) € 77.142,60. De kantonrechter heeft, bij de door hem aangenomen 54 schendingen van het concurrentiebeding, de boete beperkt tot een bedrag van (20 x € 2.268,90 = ) € 45.378,00. Daartegen keert zich de incidentele grief. Het hof zal de grief beoordelen op voet van HR 27 april 2007, NJ 2007, 262 in welk arrest de HR overwoog: “De in [art. 6:94 BW] opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen”.

3.5.2 Het hof stelt voorop dat het concurrentiebeding in zoverre een beperkte strekking heeft dat (het) [de voor-malige werknemer]

a. niet onmogelijk is gemaakt in dezelfde branche werkzaam te zijn nu het, LTO Noord Verzekeringen wijst daar te-recht op, als een relatiebeding is aan te merken;

b. zich onweersproken heeft kunnen vestigen in de regio waarin hij ook voor LTO Noord Verzekeringen werkzaam was; de verwijzing door [de voormalige werknemer] naar de vestigingsplaats van WTLO raakt daaraan geenszins;

c. mogelijk heeft gemaakt een aanmerkelijke positieverbetering te bereiken (aldus de eigen stellingen van [de voor-malige werknemer]).

Bij deze drie punten tekent het hof het volgende aan. Volgens [de voormalige werknemer] (pleidooi sub 10 e.v.) richt “[X] & [de voormalige werknemer] zich ‘met name’ op hypotheekbemiddeling en schadeverzekering voor particulieren in het midden- en kleinbedrijf.” Heel wel begrijpelijk is dat niet, het komt het hof voor dat het óf de particuliere markt óf de zakelijke markt van het MKB is, maar het hof begrijpt, mede gelet op het vervolg van het betoog van [de voormalige werknemer], dat hij bedoelt dat hij/[X] & [de voormalige werknemer] zich niet richt op de agrarische sector, waarin de klanten van LTO Noord Verzekeringen zich bevinden. Het hof verwerpt dat ver-weer. LTO Noord Verzekeringen beroept zich op de door haar voorafgaande aan de pleidooien in hoger beroep bij brief van 8 januari 2010 in het geding gebrachte e-mail van [de voormalige werknemer] aan Helviass van 11 de-cember 2009 die onder meer het volgende inhoudt:

“Helviass heeft met het intermediair LTO Noord Verzekeringen een speciaal tarief voor Werk- en Landbouwmaterieel. Dit ta-rief is de aanleiding van mijn volgende vraag:

Na mijn afstuderen aan de Agrarisch Hogeschool in Dronten was ik van 1991 tot 1996 werkzaam als adviseur buitendienst bij MAAT Adviseurs in Ede (toen nog CBTB Verzekeringen). Daarna, in dezelfde functie, van 1996 t/m 2005 werkzaam voor LTO Noord Verzekeringen. Sinds juli 2005 ben ik als zelfstandig adviseur actief voor [X] & [de voormalige werknemer] in de vesti-gingen Alphen aan den Rijn en Nieuwkoop.

Door mijn agrarische achtergrond, opleiding en ervaring heeft [X] & [de voormalige werknemer] een snel groeiend aantal veehouderij- en akkerbouwbedrijven in portefeuille. Ons bedrijf is door LTO Noord gevraagd om nauwere betrokkenheid bij haar verenigingsactiviteiten. Sinds dit najaar is [X] & [de voormalige werknemer] vaste sponsor van LTO Noord en zullen wij periodiek verzekeringsgerelateerde presentaties geven tijdens ledenbijeenkomsten.

Vanuit de organisatie hebben wij al diverse keren het verzoek gehad of [X] & [de voormalige werknemer] de leden van LTO Noord dezelfde Werk- en landbouwmaterieelverzekering kan aanbieden als LTO Noord Verzekeringen. Tot op heden heb ik de-ze vraag steeds met 'nee' moeten beantwoorden.

(…). Gelet op jouw affiniteit met- en netwerk binnen de sector is Helviass misschien wel bereid om [X] & [de voormalige werk-nemer] eveneens het LTO Noord tarief aan te bieden', (…)”

Deze mail toont in alle opzichten een gerichtheid van [de voormalige werknemer] zelf én [X] & [de voormalige werknemer] op de agrarische sector. Het moge zo zijn dat deze e-mail, zoals in repliek ten pleidooie aangevoerd door [de voormalige werknemer], niets zegt over de periode van het concurrentiebeding, maar juist gegeven de “agrarische achtergrond, opleiding en ervaring” van [de voormalige werknemer] had LTO Noord Verzekeringen een rechtens te respecteren belang bij bescherming van haar bedrijfsdebiet en (dus) dat [de voormalige werknemer] gedurende de looptijd van het concurrentiebeding weg bleef bij de bij haar “verzekerde cliënten/personen.”

Het beroep van [de voormalige werknemer] op matiging van de boete is vooral gebaseerd op de afspraken die hij stelt met [de directeur] te hebben gemaakt en het vertrouwen dat hij stelt daaraan te hebben ontleend. Waar deze af-spraken niet zijn komen vast te staan, mist dit betoog grond.

Het hof stelt vast dat LTO Noord Verzekeringen niets heeft gesteld omtrent de schade die zij heeft geleden als ge-volg van het gewraakte handelen van [de voormalige werknemer], ook niet in het kader van haar subsidiaire vorde-ring nu daarbij verwijzing naar de schadestaatprocedure is gevraagd. Wél staat tussen partijen vast dat [X] & [de voormalige werknemer] de gebruikelijke vergoeding bij intermediairswijziging heeft betaald. Deze vergoeding evenwel ziet naar zijn aard slechts op het verlies van de desbetreffende verzekering, niet op het verlies van de relatie die (LTO Noord Verzekeringen wijst daarop terecht) nieuwe omzet kan genereren. En dát is waartegen een relatie-beding beoogt te beschermen. Niettemin: dat (door het verlies van posten en relaties) een schade is geleden van een zo aanzienlijke omvang dat daarmee het totale bedrag van de boete van € 77.142,60 wordt benaderd is zonder nade-re toelichting van LTO Noord Verzekeringen, die ontbreekt, niet aannemelijk.

Het hof acht voorts van belang de situatie met betrekking tot “groep 2”, de verzekerde cliënten/personen die reeds vóór de uitdiensttreding van [de voormalige werknemer] bij LTO Noord Verzekeringen relatie van [X] Verzekerin-gen waren. [de voormalige werknemer] is door de werking van het concurrentiebeding met betrekking tot die cliën-ten in een spagaat gebracht. [X] & [de voormalige werknemer] móest, daargelaten de discussie tussen partijen om-trent het precieze aantal cliënten dat vóór uitdiensttreding van [de voormalige werknemer] reeds cliënt van [X] Ver-zekeringen was, die cliënten bedienen uit hoofde van haar functie als assurantietussenpersoon, immers zij diende ten minste het onderhoud van (haar deel van) de portefeuille van de desbetreffende cliënten te verzorgen, maar zij mocht dat niet uit hoofde van het concurrentiebeding. Deze omstandigheid is relevant in het kader van het beroep op matiging. Anderzijds is van belang dat [X] & [de voormalige werknemer] met betrekking tot deze cliënten niet de status quo gehandhaafd hebben, maar tot overvoer naar haar agentschap is overgegaan (rov. 3.3.2 II).

Ten slotte:

1. LTO Noord Verzekeringen heeft met betrekking tot het beroep op matiging bepleit dat daaraan voorbij ge-gaan moet worden omdat het vermoeden gerechtvaardigd zou zijn dat [de voormalige werknemer], ook buiten de “bingo’s”, aan (veel) meer verzekerde cliënten/personen de SNS VariVast-mailing zou hebben gestuurd dan de door hem toegegeven 5 (van de 22 “abusievelijk aangeschreven personen”.) Het hof gaat daaraan voorbij. Een groter aantal maakt geen deel uit van de vordering en het geuite vermoeden (“topje van de ijsberg”, pleitnota mr. Zeilma-ker-Smit) is onvoldoende onderbouwd om daaraan - al dan niet na bewijslevering - met betrekking tot het beroep op matiging betekenis te kunnen toekennen. Ter zake van de zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geponeerde stelling dat er actieve acquisitie door [de voormalige werknemer] heeft plaatsgevonden is in hoger beroep geen be-wijsaanbod gedaan;

2. tot de omstandigheden waaronder het concurrentiebeding is ingeroepen rekent het hof m.n. de SNS Vari-Vast-mailing. [de voormalige werknemer] heeft aangevoerd dat LTO Noord Verzekeringen zich pas in een zeer laat stadium op het concurrentiebeding beroepen heeft. Dat is in zoverre juist dat LTO Noord Verzekeringen eerst maat-regelen heeft getroffen jegens [de voormalige werknemer] toen zij kennis nam van zijn mail van 23 november 2006 (rov 2.4 tussenarrest). Een mailing uitzetten (mede) onder bij de oude “werkgever verzekerde cliënten/personen”, nota bene met gebruikmaking van gegevens die kennelijk tijdens en in het kader van het vroegere dienstverband zijn verkregen (“een oud LTO Noord Verzekeringen adressenbestand”) is een ernstige schending van het concurrentie-beding en dat daarmee “de maat vol” was (antwoordakte i.f.) is volstrekt begrijpelijk. Dat blijkens de door [de voormalige werknemer] overgelegde correspondentie de contacten tussen ([medewerker LTO Noord Verzekerin-gen] en [medewerker 3 LTO Noord Verzekeringen] van) LTO Noord Verzekeringen en [de voormalige werknemer] na zijn vertrek prima waren en LTO Noord Verzekeringen aanvankelijk wellicht niet zo zwaar tilde aan meer dan 6 intermediairswijzigingen, neemt niet weg dat [de voormalige werknemer], die in zijn genoemde mail zelf stelt te weten hoe gevoelig dergelijke zaken liggen, gebonden was aan een volgens hem “volstrekt duidelijk” concurrentie-beding. Wat er zij van de stelling van [de voormalige werknemer] dat hij het oude adressenbestand “per ongeluk” en “abusievelijk” heeft gebruikt, ook indien juist levert dat geen rechtvaardigings- of matigingsgrond op.

3. redenen om de boete te beperken tot 20 gevallen, gelijk de kantonrechter heeft gedaan, ziet het hof niet;

4. de opmerking van [de voormalige werknemer] ten pleidooie “Ik kan mijn vrienden, familie en kennissen niet twee jaar ontlopen.” is juist. Maar daarom gaat het niet; hij mocht na zijn uitdiensttreding gedurende die periode geen commerciële contacten met hen onderhouden (voor zover verzekerde cliënt/persoon van LTO Noord Verzeke-ringen.) En dat valt echt wel uit te leggen.

3.5.3 Het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat onverkorte toepassing van het boetebe-ding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Het hof matigt, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de boete tot een bedrag van € 65.000,--. De incidentele grief I is dus gedeeltelijk gegrond.

3.6 Het hof is van oordeel dat [de voormalige werknemer] met opgave van de “(l)ijst van ‘abusievelijk aange-schreven personen’ voor de mailing SNS VariVast, als bedoeld in de email van 23 november 2006” in het hiervoor (2.2) genoemde schriftelijk stuk, heeft voldaan aan de daartoe strekkende vordering van LTO Noord Verzekeringen. LTO Noord Verzekeringen heeft bij antwoordakte weliswaar gesteld dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat [de voormalige werknemer] meer dan de door hem opgegeven 22 personen heeft aangeschreven, maar zij heeft niet gemotiveerd betwist dat die opgave de 20 personen behelst die de vordering van LTO Noord Verzekeringen betreft. Dat betekent dat LTO Noord Verzekeringen thans geen belang meer bij haar vordering heeft en deze dus wordt af-gewezen.

Nader in principaal appel en incidenteel appel

3.7 Het hof ziet gegeven het tardieve bewijsaanbod van [de voormalige werknemer] (rov. 2.4) en overigens bij gebreke van feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, geen aanleiding tot bewijslevering aan de zijde van LTO Noord Verzekeringen of [de voormalige werknemer]. Voor alle duidelijkheid: het uitdrukkelijke aanbod van LTO Noord Verzekeringen te bewijzen dat “alle 54 cliënten verzekeringsgerelateerde cliënten zijn” ziet onvoldoende op de hoedanigheid van “verzekerde cliënten/personen.” (rov. 6.2.2 jo. 6.2.4 van het tussenarrest en rov. 3.3.2 III hiervoor).

Nu de vorderingen van LTO Noord Verzekeringen op de primaire grondslag worden toegewezen komt het hof aan de subsidiaire, onrechtmatige daad, niet toe.

3.8.1 Tussen partijen staat vast dat [de voormalige werknemer] nog een bedrag aan bonus toekomt. Dat betreft een bedrag van € 22.533,98 (rov. 6.1 tussenarrest), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2006. De kantonrechter heeft de vordering van LTO Noord Verzekeringen (rov. 3.1 tussenarrest) tot betaling van wettelij-ke rente vanaf de verschillende data van de gestelde overtredingen niet gevolgd doch toegewezen vanaf 1 december 2006. Geen van partijen heeft daartegen een grief gericht (dat LTO Noord Verzekeringen in hoger beroep met be-trekking tot de wettelijke rente hetzelfde petitum als in eerste aanleg formuleerde, beschouwt het hof niet als een grief) en [de voormalige werknemer] heeft in hoger beroep de wettelijke rente vanaf 1 december 2006 gevorderd, waartegen LTO Noord Verzekeringen geen verweer gevoerd heeft. Mét LTO Noord Verzekeringen en de kanton-rechter is het hof van oordeel dat aan LTO Noord Verzekeringen een beroep op opschorting en verrekening toe-komt.

3.8.2 Het hof zal het vonnis van de kantonrechter voor zover in conventie gewezen vernietigen, met uitzondering van de kostenveroordeling. [de voormalige werknemer] wordt veroordeeld aan LTO Noord Verzekeringen te beta-len (€ 65.000,-- - € 22.533,98 = ) € 42.466,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2006.

3.9.1 Nu partijen zowel in het principaal als in het incidenteel appel over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de kosten zowel in het in het principaal als in het incidenteel appel compenseren.

De beslissing

Het hof:

in principaal appel en incidenteel appel:

- vernietigt het vonnis van 4 maart 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, voor zover tussen partijen in conventie gewezen, evenwel met uitzondering van de kostenveroor-deling in conventie,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [de voormalige werknemer] tot betaling aan LTO Noord Verzekeringen van € 42.466,02, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2006;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten in principaal appel en incidenteel appel aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, R.S. van Coevorden en K. Aantjes en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2011 in aanwezigheid van de griffier.