Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU6284

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
200.080.045-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst, provisieafspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.080.045/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 87340 / HA ZA 10-2456

Arrest d.d. 29 november 2011 (bij vervroeging)

inzake

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage,

tegen

DE SCHEEPSBOUWERS MARITIEM B.V.,

gevestigd te Werkendam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Scheepsbouwers,

advocaat: mr. A.M.J. van Uitert te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand.

Het geding

Bij een drie grieven bevattend exploot (met producties) van 30 december 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Dordrecht tussen partijen gewezen vonnis van 24 november 2010. Het hof heeft vervolgens bij tussenarrest van 25 januari 2011 een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is niet doorgegaan, waarna Scheepsbouwers bij memorie van antwoord (met producties) de grieven heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen hun zaak mondeling bepleit op 14 november 2011. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt. Daarna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot met met 2.7) vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, gaat het geschil om het volgende.

Scheepsbouwers stelt dat met [appellant] als opdrachtgever een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verkoop van het schip de Zephyros (hierna: het schip), tegen een provisie van 4 % exclusief btw. Volgens Scheepsbouwers heeft zij het schip, na door haar gevoerde onderhandelingen, uiteindelijk in overleg met [appellant] voor € 675.000,-- verkocht aan koper. Zij maakt daarom aanspraak op provisie.

3. De rechtbank heeft in het thans bestreden vonnis de provisievordering toegewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort gezegd, (i) dat er een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen, (ii) dat ingevolge artikel 7:426, lid 1 BW de tussenpersoon recht heeft op loon, (iii) dat dit loon door de opdrachtgever verschuldigd is en (iv) dat een andersluidende afspraak niet gebleken of aannemelijk is.

4. [appellant] klaagt met zijn grieven over deze beslissing. Hij betwist met grief I dat een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen. Met grief II klaagt hij over het oordeel van de rechtbank dat hij de provisie verschuldigd is. Het hof oordeelt als volgt.

5. Grief I faalt. Vast staat, mede op basis van de niet langer betwiste inhoud van het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg, dat [appellant] heeft ingestemd met het verzoek van Scheepsbouwers om het schip te mogen verkopen, waarbij [appellant] te kennen heeft gegeven dat hij een 'netto'-prijs wilde ontvangen van € 725.000,--, en dat vervolgens is uitgegaan van een vraagprijs van € 760.000,--, daarbij rekening houdend met de bemiddelingskosten. Ook staat vast dat Scheepsbouwers vervolgens diverse activiteiten heeft ontplooid ten behoeve van de verkoop, zoals het organiseren van een proefvaart ten behoeve van koper en een inspectie. Daarnaast staat vast dat Scheepsbouwers namens [appellant] onderhandelingen over de prijs heeft gevoerd met koper.

In deze feitelijke gang van zaken ligt besloten dat [appellant] het aanbod van Scheepbouwers om voor hem te bemiddelen bij de verkoop van het schip heeft aanvaard, zodat een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen. De stelling van [appellant] dat hij dit niet heeft gewild, maakt dit niet anders, nu Scheepsbouwers de verklaringen en gedragingen van [appellant] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs in vorenvermelde zin heeft mogen opvatten (artikel 3:35 BW). De stelling van [appellant] dat het initiatief tot de bemiddeling van Scheepsbouwers uitging, maakt dit niet anders, nu [appellant] met dit initiatief heeft ingestemd.

6. [appellant] erkent dat uit de bemiddelingsovereenkomst voortvloeit dat de opdrachtnemer recht heeft op loon. Dit strookt overigens met het bepaalde in de artikelen 7:425 en 7:426 BW.

Hij betoogt echter dat hij met Scheepsbouwers heeft afgesproken dat hijzelf € 725.000,-- aan de verkoop wilde overhouden, waarna Scheepsbouwers de verkoopprijs heeft opgekrikt naar € 760.000,-- (hof: € 725.000,-- plus € 34.510,-- aan provisie van 4% inclusief btw = € 759.510,--). Volgens [appellant] moest hijzelf dus in ieder geval

€ 725.000,-- aan de verkoop overhouden en moest de provisie door de koper worden voldaan.

7. Scheepsbouwers voert daartegenover onder meer aan dat in de vraagprijs van € 760.000,- en ook in de uiteindelijke verkoopprijs van € 675.000,--, waarmee [appellant] akkoord is gegaan, de provisie was verdisconteerd, althans dat zij redelijkerwijs niet anders heeft begrepen of heeft hoeven begrijpen.

8. Scheepsbouwers heeft naar het oordeel van het hof het gelijk aan haar zijde. Zoals hiervoor reeds is aangegeven heeft de bemiddelaar bij het welslagen van de bemiddelingsopdracht recht op loon. Het systeem van de wet gaat uit van een betaling hiervan door de opdrachtgever met wie de bemiddelaar immers een contractuele band heeft. De enkele stelling van [appellant] dat hij met Scheepsbouwers heeft afgesproken dat hijzelf € 725.000,-- aan de verkoop wilde overhouden, is in de gegeven omstandigheden ontoereikend om de conclusie te dragen dat hij in het geheel geen bemiddelingskosten meer aan Scheepsbouwers verschuldigd is. Zonder nadere deugdelijke toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat Scheepbouwers in deze situatie redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat zij de provisie voor haar bemiddelingswerkzaamheden - in afwijking van het wettelijke systeem - maar bij koper had moeten bedingen. De opmerking van [appellant] bij pleidooi dat in de branche waarin hij werkzaam is (de weg- en waterbouw) de verkopende partij bij de onderhandelingen zelf zorg draagt voor doorberekening van een beloning aan koper, verandert dit niet. De weg- en waterbouw is, naar het hof begrijpt, niet de branche waarin Scheepsbouwers verkeert.

9. Het ongebruikelijke karakter én de dubbelzinnige formulering van de door [appellant] gestelde provisieafspraak, de uiteindelijke hoogte van de geaccordeerde verkoopprijs die van de eerdere afspraken afweek, alsmede de omstandigheid dat [appellant] beroepshalve kennelijk "geen kleine jongen" was, leiden het hof tot de conclusie dat toch tenminste van [appellant] gevergd had mogen worden dat hij bij zijn instemming met de uiteindelijke (lagere) verkoopprijs, zich ervan had vergewist dat het ook voor de bemiddelaar Scheepsbouwers duidelijk was dat hij ([appellant]) geen provisie zou betalen. Gesteld noch gebleken is dat hij dit heeft gedaan. Onder deze omstandigheden heeft Scheepsbouwers terecht mogen menen dat zij jegens haar opdrachtgever [appellant] aanspraak had op provisie. Dit betekent dat de tweede grief eveneens faalt.

10. De derde grief mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de andere grieven. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu er geen voldoende concrete, relevante stellingen te bewijzen zijn aangeboden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Hierbij past een proceskostenveroordeling ten laste van [appellant].

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Scheepbouwers tot op heden begroot op € 1.769,-- aan verschotten en € 3.474,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan-de Sonnaville, en A.G.M. Zander en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2011 in aanwezigheid van de griffier.