Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU6274

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
200.047.490/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BK3801, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY0485, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BY0485
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad doordat verificatiebureau niet tijdig een lading aardappels heeft gekeurd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.047.490/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 307687/HA ZA 08-1298

arrest van 18 oktober 2011

inzake

HZPC HOLLAND B.V.,

gevestigd te Joure, gemeente Skarsterlân,

appellante,

hierna te noemen: HZPC,

advocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove te 's-Gravenhage,

tegen

BUREAU VERITAS-INSPECTION-VALUATION ASSESSMENT AND CONTROL- BIVAC B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Veritas B.V.,

advocaat: mr. J.W. de Haij te Capelle aan den IJssel.

Het geding

Bij exploot van 23 oktober 2009 heeft HZPC hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 23 juni 2008 en 12 augustus 2009 van de rechtbank Rotterdam, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft HZPC tegen de bestreden vonnissen negen grieven gericht, die Veritas B.V. bij memorie van antwoord heeft bestreden. Partijen hebben de zaak op 5 september 2011 voor het hof doen bepleiten, HZPC door mrs. A. van Beelen en P.E. Mazel, beiden advocaat te Groningen, en Veritas B.V. door haar advocaat, telkens aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 HZPC heeft geen grieven gericht tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.6 van haar vonnis van 12 augustus 2009 heeft vastgesteld, met dien verstande dat zij in grief 1 een aanvulling op de feiten bepleit. Het hof zal dan ook uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten en zo nodig hierna beslissen of die feiten in de door HZPC verdedigde zin moeten worden aangevuld. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2 HZPC exporteert pootaardappelen, onder andere naar Angola. In 2007 heeft HZPC een partij pootaardappelen verkocht aan [afnemer] te Angola. De regering in Angola vereist inspectie van ingevoerde pootaardappelen door een erkend inspectiebureau, zoals Veritas, een onderneming met hoofdkantoor in Frankrijk en vestigingen in verschillende landen, waaronder Angola en Nederland (Veritas B.V.). Deze onderneming, daaronder begrepen de verschillende, al dan niet afzonderlijke rechtspersoonlijkheid bezittende vestigingen, zal hierna worden aangeduid als "Veritas".

1.3 De gebruikelijke gang van zaken bij een dergelijke transactie, zoals deze ook in het onderhavige geval is gevolgd, is dat de Angolese afnemer opdracht geeft aan de lokale agent van Veritas in Angola tot inspectie van de aangekochte partij pootaardappels. Door het hoofdkantoor van Veritas in Frankrijk wordt vervolgens een, deels reeds ingevuld, aanvraagformulier getiteld "request for inspection" per telefax aan HZPC gezonden, die op haar beurt dit formulier verder invult en ondertekent, met name door daarop datum en plaats in te vullen waarop inspectie (in dit geval bij de verlader in de haven van Vlissingen) kan plaatsvinden. Vervolgens verzendt HZPC dit ingevulde formulier per telefax aan Veritas B.V., die vervolgens de inspectie uitvoert.

1.4 Partijen verschillen van mening over de vraag binnen welke termijn Veritas na de inspectie een bevestiging aan HZPC verstuurde dat de inspectie had plaatsgevonden. Volgens Veritas mocht daar op grond van interne afspraken hooguit één werkdag tussen zitten, volgens HZPC duurde dit in de praktijk een week, hetgeen betekende dat deze steeds werd ontvangen nadat het schip was vertrokken. Die bevestiging, zo begrijpt het hof, werd vanuit het hoofdkantoor van Veritas in Frankrijk verzonden en hield voorts onder meer het verzoek in om een 'breakdown of the invoice' te verstrekken.

1.5 In het onderhavige geval heeft HZPC op het aanvraagformulier als "foreseen date of inspection" ingevuld 16 mei 2007 en als plaats van inspectie […] vof (de verlader). HZPC heeft het aldus ingevulde en ondertekende formulier op 11 mei 2007 per telefax aan Veritas B.V. verzonden. Inspectie van de bewuste partij pootaardappelen heeft niet plaatsgevonden voordat het schip op 23 mei 2007 de haven van Vlissingen verliet. Op 4 of 5 juni 2007 ontdekte HZPC dat de aardappelen waren verscheept voordat inspectie had plaatsgevonden. Op 6 juni 2007 heeft Veritas Frankrijk HZPC verzocht om toezending van de 'breakdown of invoice'.

1.6 Uiteindelijk heeft alsnog inspectie door Veritas plaatsgevonden in Angola, maar volgens HZPC waren de daaraan verbonden kosten veel hoger dan die in Nederland zouden zijn geweest. HZPC heeft deze kosten voor haar rekening moeten nemen en ook nog steekpenningen moeten betalen. Bovendien heeft het schip vertraging opgelopen doordat het met de niet geïnspecteerde partij aardappelen de haven niet in mocht. HZPC heeft hierdoor kosten moeten maken wegens demurrage.

1.7 In dit geding vordert HZPC dat Veritas B.V. de schade vergoedt die HZPC stelt te hebben geleden doordat inspectie (in Nederland) is uitgebleven, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten. HZPC legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat Veritas B.V. jegens haar onrechtmatig, want in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, heeft gehandeld door, in afwijking van de gang van zaken die jarenlang tussen partijen gebruikelijk was en waarop HZPC heeft vertrouwd, en wetende van de belangen die voor HZPC op het spel stonden, met die belangen geen rekening te houden door niet (tijdig) de aardappelen te inspecteren. HZPC stelt zich in dit verband op het standpunt dat Veritas B.V. de fax van 11 mei 2007 heeft ontvangen, aangezien HZPC een positief verzendrapport heeft ontvangen. Indien deze fax bij Veritas B.V. in het ongerede is geraakt komt dat voor haar risico.

1.8 De rechtbank heeft de vorderingen van HZPC afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe (samengevat) het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen geen overeenkomst geldt. Het is de verantwoordelijkheid van de afnemer van HZPC om voor inspectie zorg te dragen. Al aangenomen dat de fax van 11 mei 2007 Veritas B.V. heeft bereikt, is daardoor nog geen (bijzondere zorgvuldigheids)verbintenis jegens HZPC ontstaan. Veritas B.V. heeft immers niet aan HZPC te kennen gegeven dat zij aan het verzoek om inspectie uitvoering zou geven. Veritas B.V. is op 16 mei 2007 ook niet bij [de verlader] verschenen. Onder deze omstandigheden mocht HZPC er niet op vertrouwen dat Veritas B.V. de inspectie zou uitvoeren. Dat Veritas B.V. in het verleden ook niet heeft gereageerd maar de inspecties wel heeft uitgevoerd maakt dit niet anders. Onder verwijzing naar HR 24 september 2004, LJN AO9069 overweegt de rechtbank dat om tot de door HZPC bedoelde onrechtmatige daad te kunnen concluderen ten minste dient komen vast te staan (a) een zo nauwe betrokkenheid van HZPC bij de behoorlijke uitvoering door Veritas B.V. van haar contractuele verbintenis dat HZPC schade of ander nadeel kan lijden als Veritas B.V. in die uitvoering tekortschiet, (b) tekortschieten van Veritas B.V. in de nakoming van haar contractuele verbintenis en (c) omstandigheden als door de Hoge Raad bedoeld. Van wanprestatie van Veritas B.V. hetzij jegens Veritas Frankrijk hetzij jegens de afnemer in Angola (voor Veritas B.V. een derde) is echter niet gebleken, aldus de rechtbank.

2.1 In grief 1 voert HZPC aan dat de rechtbank ten onrechte veronderstelt dat geen sprake was van een contractuele relatie tussen 'Veritas' en [de afnemer]. Naar HZPC bij pleidooi heeft verduidelijkt bedoelt zij in dit verband (zoals ook elders in de memorie van grieven) met 'Veritas' op het samenstel van Veritas-ondernemingen.

2.2 De grief faalt aangezien de rechtbank, terecht en begrijpelijkerwijs, heeft volstaan met de constatering dat tussen Veritas B.V. en [de afnemer] geen contractuele band bestond. Die constatering wordt door de grief niet aangevallen. Dat tussen [de afnemer] en andere onderdelen van 'Veritas' een overeenkomst tot stand was gekomen kon de rechtbank voor de in het onderhavige geding aan de orde zijnde vraag, namelijk of Veritas B.V. onrechtmatig heeft gehandeld, buiten beschouwing laten. Een betoog dat alle Veritas-ondernemingen met elkaar moeten worden vereenzelvigd of dat de wanprestatie van één van die ondernemingen aan Veritas B.V. moet worden toegerekend heeft de rechtbank niet in de stukken hoeven lezen en een dergelijk betoog treft het hof ook in de memorie van grieven niet aan. Voor zover HZPC een dergelijk standpunt wel bij pleidooi in hoger beroep heeft willen betrekken gaat het hof daaraan voorbij, omdat een dergelijk betoog moet worden opgevat als een nieuwe grief, waarvoor bij pleidooi geen plaats is.

2.3 Met grief 2 richt HZPC zich tegen het oordeel van de rechtbank dat HZPC de ontvangst door Veritas B.V. van het faxbericht van 11 mei 2007 moet bewijzen. De grief faalt wegens gebrek aan belang, aangezien de rechtbank er veronderstellenderwijs van uit is gegaan dat Veritas B.V. de bewuste fax heeft ontvangen en het hof zal dat ook doen.

3.1 Het hof zal eerst de grieven 6, 7 en 8 bespreken. Met deze grieven klaagt HZPC er over dat de rechtbank wanprestatie van 'Veritas' jegens [de afnemer] als voorwaarde voor onrechtmatig handelen jegens HZPC heeft gesteld en, wegens de afwezigheid van een contractuele band met Veritas B.V., daarop haar oordeel heeft gebaseerd dat niet onrechtmatig is gehandeld. HZPC betoogt dat onrechtmatig handelen ook mogelijk is zonder dat van wanprestatie sprake is.

3.2 De grieven zijn in zoverre gegrond, dat het in beginsel niet is uitgesloten dat Veritas B.V. onrechtmatig jegens HZPC heeft gehandeld zonder dat tevens sprake is van een door Veritas B.V. gepleegde wanprestatie jegens een derde. HZPC had in eerste aanleg als grondslag voor haar vordering ook niet aangevoerd dat Veritas wanprestatie jegens [de afnemer] had gepleegd. In hoger beroep doet HZPC dat blijkens grief 1 wel, maar aangezien die grief faalt moet er van worden uitgegaan dat Veritas B.V. geen wanprestatie jegens [de afnemer] heeft gepleegd en dat een mogelijke wanprestatie van enige andere Veritas-onderneming niet aan Veritas B.V. kan worden toegerekend. Het hof zal dan ook bij de bespreking van de grieven 3, 4 en 5 onderzoeken of Veritas B.V. onrechtmatig jegens HZPC heeft gehandeld hoewel Veritas B.V. geen wanprestatie heeft gepleegd.

4.1 Met de grieven 3, 4 en 5, die het hof gezamenlijk zal behandelen, komt HZPC op tegen het oordeel van de rechtbank dat Veritas B.V. niet onrechtmatig heeft gehandeld. HZPC neemt het standpunt in dat zij, gelet op de tussen partijen gangbare praktijk, er op mocht vertrouwen dat de inspectie zou worden uitgevoerd. Nadat HZPC het 'request for inspection' had gefaxt hoefde zij geen actie meer te ondernemen. Daarnaast wijst HZPC op een aantal omstandigheden die de rechtbank onvoldoende in aanmerking zou hebben genomen.

4.2 Zoals hiervoor is overwogen neemt het hof (veronderstellenderwijs) tot uitgangspunt dat Veritas B.V. het faxbericht van 11 mei 2007 heeft ontvangen. Veritas B.V. heeft voor dat geval gesteld dat deze fax in het ongerede is geraakt. HZPC heeft dit niet weersproken, zodat het hof dit verder tot uitgangspunt zal nemen. Voorts acht het hof van belang dat HZPC niet gesteld heeft dat Veritas B.V. bewust of opzettelijk geen inspectie heeft uitgevoerd. Dit betekent dat het hof ervan moet uitgaan dat het in het ongerede raken van de bewuste fax er de oorzaak van is dat inspectie niet heeft plaatsgevonden.

4.3 Tegen deze achtergrond acht het hof het enkele feit dat de fax bij Veritas B.V. in het ongerede is geraakt, hoewel op zichzelf liggend binnen de risicosfeer van Veritas B.V., van onvoldoende gewicht om te concluderen dat Veritas B.V. onrechtmatig jegens HZPC heeft gehandeld. Het verweer van Veritas B.V. dat het de verantwoordelijkheid van HZPC is om zich ervan te vergewissen dat inspectie heeft plaatsgevonden, acht het hof gegrond. Daarbij acht het hof met name van belang dat aan HZPC, naar zij desgevraagd bij pleidooi niet heeft ontkend, meerdere eenvoudige mogelijkheden ten dienste stonden om te verzekeren dat (tijdige) inspectie zou plaatsvinden, bijvoorbeeld door na verzending van het 'request for inspection' bij Veritas B.V. te informeren of inspectie inderdaad tijdig zou worden uitgevoerd, of door aan haar verlader [de verlader] te verzoeken haar te waarschuwen indien inspectie zou uitblijven. Juist indien, zoals HZPC stelt, voor haar grote belangen op het spel stonden bij tijdige inspectie lag het in de eerste plaats op haar weg om zich ervan te vergewissen dat die inspectie ook zou plaatsvinden. De omstandigheid dat het in het verleden altijd goed was gegaan zonder dergelijke controle van HZPC, rechtvaardigt het achterwege laten van die controle niet. De in grief 5 genoemde omstandigheden, wat daar verder ook van zij, maken het voorgaande niet anders.

4.4 De grieven falen.

4.5 Grief 9 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking.

5.1 Nu geen van de grieven tot vernietiging van de rechtbankvonnissen leidt (tegen het vonnis van 23 juni 2008 zijn geen grieven aangevoerd) dienen deze te worden bekrachtigd.

5.2 HZPC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Voor veroordeling van HZPC in de nakosten, die niet zijn gespecificeerd of begroot, ziet het hof om die reden geen termen.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de vonnissen waarvan hoger beroep;

- veroordeelt HZPC in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van Veritas B.V. begroot op € 5.650,-- voor verschotten en € 7.896,-- voor salaris van de advocaat en bepaalt dat over deze bedragen bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na deze uitspraak vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn;

- verklaart deze uitspraak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, A.V. van den Berg en R.F. Groos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2011, in aanwezigheid van de griffier.