Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU6153

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
200.086.189/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Ingangsdatum; 826 Rv. Behoefte. Draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 26 oktober 2011

Zaaknummer : 200.086.189/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-3530

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H. Polat te ‘s-Gravenhage,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. F. Yildiz te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 26 april 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 februari 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 16 mei 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 15 september 2011 een brief van 14 september 2011 met bijlagen;

van de zijde van de vader:

- op 30 augustus 2011 een brief van 28 augustus 2011 met bijlagen.

De zaak is op 6 oktober 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de moeder;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de heer M. Yamac (tolk).

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is – voor zover in hoger beroep van belang en uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de vader, met ingang van de dag waarop de echtelijke woning is overgedragen, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarigen aan de moeder, die de minderjarigen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 100,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking in juni 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen (verder ook: kinderalimentatie):

[de minderjarige 1], geboren [in 2000] te [geboorteplaats],

[de minderjarige 2], geboren [in 2001] te [geboorteplaats], en

[de minderjarige 3], geboren [in 2007] te [geboorteplaats],

hierna gezamenlijk verder: de kinderen.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader met ingang van de datum van uitspraak echtscheiding een bedrag van € 1.115,82 (het hof begrijpt:) per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (het hof begrijpt:) samen te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.

3. De vader heeft ter zitting verweer gevoerd.

Ingangsdatum en omvang van de rechtsstrijd

4. Het hof stelt het volgende voorop. De rechtbank heeft een kinderalimentatie van € 100,- per kind per maand vastgesteld “met ingang van de dag waarop de echtelijke woning is overgedragen, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven.” Dit betekent, zo blijkt niet alleen uit het dictum maar ook uit de overwegingen, dat bij gebrek aan draagkracht géén kinderalimentatie is vastgesteld voor de periode tussen de dag waarop de beschikking van echtscheiding is ingeschreven en de dag waarop de echtelijke woning is overgedragen. Ter zitting is komen vast te staan de echtelijke woning nog niet is overgedragen zodat thans de vader thans geen alimentatie voor de kinderen is verschuldigd, ook niet bij wijze van voorlopige voorziening (artikel 826 Rv).

5. De moeder heeft geen grief gericht tegen de ingangsdatum van de kinderalimentatie, zodat het geschil in appel zich beperkt tot de periode vanaf de dag waarop de echtelijke woning zal zijn verkocht. De nihilstelling in de daaraan voorafgaande heeft in hoger beroep als vaststaand te gelden.

Inkomen van de vader

6. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn in 2010 feitelijk uit elkaar gegaan. Zij verschillen van mening over het inkomen dat aan de zijde van de vader voor de berekening van de behoefte en de draagkracht dient te worden gehanteerd.

7. De moeder betwist de betrouwbaarheid van de door de vader in de echtscheidingsprocedure overgelegde jaarstukken en heeft verzocht te dien aanzien een deskundigenonderzoek te gelasten. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof echter op goede gronden geoordeeld dat er in de door de moeder gestelde bezwaren geen aanleiding bestaat om een deskundigenonderzoek te gelasten. Het hof gaat derhalve uit van de winst uit onderneming, zoals deze uit de definitieve jaarstukken blijkt:

2006 € 36.465,-

2007 € 64.777,-

2008 € 12.602,-

2009 € 27.172,-

2010 € 44.598,-

Uit dit overzicht blijkt dat de winst de afgelopen jaren wisselend is geweest. Het hof acht het om die reden, en mede gezien de stellingen van partijen, redelijk om bij de berekening van het inkomen van de vader uit te gaan van het inkomen dat hij gemiddeld over de afgelopen vijf jaar (2006-2010) heeft genoten. Het hof stelt het inkomen vast op € 37.000,- bruto per jaar.

Aandeel in de kosten van de kinderen (behoefte)

8. Vaststaat dat het inkomen van de vader het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk bepaalde. Naast voormeld inkomen, houdt het hof rekening met een zelfstandigenaftrek van € 7.222,-, een MKB winstvrijstelling van € 3.573,-, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Voorts dient in het kader van de behoefteberekening rekening te worden gehouden met een belastbaar inkomen uit eigen woning van negatief € 5.125,- per jaar. Het hof becijfert het besteedbaar inkomen van de vader in 2010 op € 2.765,- per maand. Uitgaande van de tabel kosten kinderen van het Nibud stelt het hof het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen in 2010 vast op € 762,- per maand ofwel € 254,- per maand per kind.

Verdeling van de kosten van de kinderen

9. Als wettelijk uitgangspunt geldt dat de kosten van de kinderen worden verdeeld naar rato van ieders draagkracht. Als onbestreden staat vast dat de moeder onvoldoende draagkracht heeft om een aandeel in de kosten van de kinderen te voldoen, zodat de kosten van de kinderen volledig ten laste van de vader komen, voor zover zijn draagkracht dit toelaat. Het hof zal dit nagaan.

Draagkracht van de vader

10. Het hof benadrukt dat, zoals reeds is overwogen, in hoger beroep slechts in geschil is de vaststelling van de alimentatie voor de periode nadat de echtelijke woning zal zijn overgedragen aan een derde. Dit betekent dat bij de berekening van de draagkracht van de vader geen rekening dient te worden gehouden met de lasten en de fiscale aftrekposten van de echtelijke woning.

11. Het hof gaat ervan uit dat de vader ook na de verkoop van de echtelijke woning de hiervoor becijferde verdiencapaciteit van € 37.000,- bruto per jaar te gelde kan maken. Het hof is vooralsnog niet gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Rekening houdende met een zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling en de toepasselijke heffingskortingen behorende bij 2011, becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de vader bij deze verdiencapaciteit op € 2.604,- per maand.

12. De moeder acht de door de vader gestelde kale huur van € 856,- per maand onredelijk hoog in verhouding tot zijn netto besteedbaar inkomen. In aanmerking nemende de omstandigheid dat de vader met spoed andere huisvesting heeft moeten zoeken en daardoor, zo hij onweersproken heeft gesteld, niet in aanmerking kon komen voor sociale woningbouw, acht het hof deze huur in verhouding tot het netto besteedbaar inkomen van de vader niet onredelijk hoog. Het hof houdt derhalve volledig rekening met de door de vader gestelde kale huur.

13. Het hof gaat voorts uit van de overige door de rechtbank vastgestelde posten, nu deze door de moeder niet zijn betwist (te weten: ziektekostenpremie van € 136,- per maand, bijstandsnorm voor alleenstaande en in de bijstandsnorm opgenomen basishuur en nominale premie ziektekosten).

Conclusie

14. Uit het voorgaande volgt dat de vader in redelijkheid in staat kan worden geacht met ingang van de dag waarop de echtelijke woning wordt overgedragen in redelijkheid een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 254,- per kind per maand te voldoen.

15. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking meer, nu zij niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het vorenstaande leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

16. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

[de minderjarige 1], geboren [in 2000] te [geboorteplaats],

[de minderjarige 2], geboren [in 2001] te [geboorteplaats], en

[de minderjarige 3], geboren [in 2007] te [geboorteplaats],

met ingang van de dag waarop de echtelijke woning is overgedragen op € 254,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Kamminga en van der Burght, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2011.