Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5884

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
BK-11-00108 en BK-11-00109
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Forensenbelasting. Afvalstoffenheffing. Rioolrechten. Door het enkele meer dan 90 dagen ter beschikking hebben voor recreatiedoeleinden van haar woonark in de gemeente maakt belanghebbende al gebruik van gemeentelijke voorzieningen, andere dan het gemeentelijk riool en de door de gemeente verzorgde inzameling van afvalstoffen. Voor de heffing van forensenbelasting is dus plaats naast beide eerstvermelde heffingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2821
FutD 2011-3003
V-N Vandaag 2011/2924
Belastingblad 2012/45

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00108 en BK-11/00109

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 23 november 2011

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nieuwkoop, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank

’s-Gravenhage van 28 december 2010, nummers AWB 10/3912 FB en AWB 10/3913 GGH, betreffende na te melden aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Nieuwkoop voor het jaar 2008 opgelegd, alsmede voor het jaar 2009 aanslagen in de afvalstoffenheffing en rioolrechten van die gemeente.

1.2. Op het door belanghebbende tegen voormelde aanslagen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur telkens afwijzend beslist.

1.3. Belanghebbende heeft van deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 12 oktober 2011, gehouden te ‘s-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen belanghebbende alsmede de Inspecteur.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft in de jaren 2008 en 2009 haar hoofdverblijf in [Z].

3.2. In die jaren heeft zij gedurende meer dan 90 dagen op jaarbasis een woonark op het perceel [a-straat 1] in de gemeente Nieuwkoop voor zich ter beschikking. De ark is voorzien van een (in)directe aansluiting op de gemeentelijke riolering.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of aan belanghebbende voor het jaar 2008 terecht een aanslag forensenbelasting is opgelegd en voor het jaar 2009 aanslagen in het rioolafvoerrecht en de afvalstoffenheffing van de gemeente Nieuwkoop. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.2.1. De aanslagen maken niet helder voor wat, hoe en waarom belanghebbende wordt aangeslagen.

4.2.2. Blijkbaar merkt de gemeente de recreatieve woonark als woning aan. Dan is geen plaats voor het heffen van forensenbelasting, omdat die woning is belast met roerende ruimtebelasting.

4.2.3. Omdat belanghebbende gedurende meer dan 90 dagen haar woonark in het Nieuwkoopse recreatief ter beschikking heeft, wordt zij aangeslagen in de forensenbelasting van die gemeente. Belanghebbende begrijpt dat zij door haar verblijf gebruik maakt van de voorzieningen van de gemeente. De (zwakke) motivering van de forensenbelasting laat daarvoor een heffing toe. Daarenboven ook nog aangeslagen worden in de gemeentelijke belastingen rioolafvoerrecht en afvalstoffenheffing gaat echter te ver. Zij betaalt in [Z], waar zij haar hoofdverblijf houdt, al voor alle voorzieningen. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om deze opeenhoping van heffingen te scheppen. Naar redelijkheid en billijkheid heeft de gemeente de keuze om ter zake van het verblijf van belanghebbende óf forensenbelasting óf rioolafvoerrecht en afvalstoffenheffing te heffen, maar niet de combinatie van de drie. Omdat dit voor belanghebbende het voordeligste is dient de forensenbelasting te vervallen.

4.2.4. De cumulatie van heffingen maakt dat toepassing van de gemeentelijke hardheidsclausule geboden is.

4.3. De Inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.3.1. Belanghebbende heeft gedurende meer dan 90 dagen per jaar de beschikking over haar woonark in de gemeente. Deswege wordt zij aangeslagen in de forensenbelasting. Vanuit de ark wordt afvalwater op de gemeentelijke riolering afgevoerd. Het rioolafvoerrecht knoopt bij die toestand aan, waarbij de mate van gebruik niet van belang is. Nu belanghebbende feitelijk gebruik maakt van het perceel [a-straat 1] waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan, wordt zij aangeslagen in de afvalstoffenheffing. De gemeente slaat belanghebbende als gebruiker aan in de twee laatstvermelde heffingen, waarvoor de doelgroep niet is beperkt tot inwoners van de gemeente. De Gemeentewet laat combinatie van de drie heffingen toe.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de opgelegde aanslagen. Subsidiair concludeert belanghebbende tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank in de zaak met kenmerknummer BK 11/00108, van de desbetreffende uitspraak van de Inspecteur en tot vernietiging van de aanslag in de forensenbelasting.

5.2. De Inspecteur concludeert tot het ongegrond verklaren van de hoger beroepen.

Beoordeling van de hoger beroepen

6.1.1. De door belanghebbende gestelde onduidelijkheid van de combinatie van aanslagen forensenbelasting, rioolafvoerrecht en afvalstoffenheffing, kan het Hof niet onderkennen. De aanslag forensenbelasting is over een ander belastingjaar opgelegd dan de aanslagen in het rioolafvoerrecht en in de afvalstoffenheffing. Dit is duidelijk op de aanslagbiljetten vermeld. Ook overigens is geen sprake van onduidelijkheid. De betreffende aanslagbiljetten, voor de forensenbelasting en voor de combinatie rioolafvoerrecht en afvalstoffenheffing, bevatten, naast aanslagnummers en dagtekening, onder meer een aanduiding van de betreffende heffingen met de daarbij behorende belastingbedragen. Meer heeft belanghebbende niet nodig om haar rechtspositie in te schatten teneinde eventuele grieven tegen de aanslagen te kunnen formuleren.

6.1.2. Mocht belanghebbende willen stellen dat naast het rioolafvoerrecht en de afvalstoffenheffing onduidelijk is waarvoor de forensenbelasting wordt geheven, overweegt het Hof als volgt. Door het enkele meer dan 90 dagen ter beschikking hebben voor recreatiedoeleinden van haar woonark in de gemeente maakt belanghebbende al gebruik van gemeentelijke voorzieningen, andere dan het gemeentelijk riool en de door de gemeente verzorgde inzameling van afvalstoffen. Voor de heffing van forensenbelasting is dus plaats naast beide eerstvermelde heffingen.

6.1.3. Alle voormelde heffingen betreffen voorzieningen die zijn bekostigd door de gemeente waar belanghebbende als recreatief verblijf een woonark ter beschikking heeft en niet door de gemeente waar zij haar hoofdverblijf houdt. De omstandigheid dat belanghebbende in laatstbedoelde gemeente voor de daar beschikbare voorzieningen alle heffingen betaalt, staat daarom aan heffing door de gemeente van haar recreatieve verblijf voor de aldaar beschikbare voorzieningen niet in de weg.

6.2. Van een ongeoorloofde cumulatie van forensen- en roerende-ruimtebelasting kan geen sprake zijn, omdat laatstbedoelde belasting in 2008 nog niet door de gemeente werd geheven.

6.3. Voor zover belanghebbende aan het Hof vraagt de gemeentelijke hardheidsclausule toe te passen, dan wel de gemeente te verplichten die toe te passen, wijst het Hof dit verzoek af.

Het toepassen van de hardheidsclausule door de gemeente staat niet ter beoordeling van de rechter in belastingzaken.

6.4. Op grond van het vorenoverwogene zijn de hoger beroepen ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof verklaart de hoger beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 23 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.