Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5821

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
200.068.438.01 en 200.067.869.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag. Contactregeling die opnieuw opgebouwd dient te worden via begeleiding door Omgangshuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 31 augustus 2011

Zaaknummer : 200.068.438/01 en 200.067.869/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-9582

In de zaak bij het hof bekend onder zaaknummer: 200.068.438/01:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. drs. J.F.M. van Weegberg te ’s-Gravenhage,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweer¬ster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.M. van Kuijeren te Delft,

en

in de zaak bij het hof bekend onder zaaknummer: 200.067.869/01:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.M. van Kuijeren te Delft,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. drs. J.F.M. van Weegberg te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt, in beide zaken:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend, in beide zaken:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

In de zaak met zaaknummer 200.068.438/01:

De vader is op 9 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 maart 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 4 augustus 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 17 januari 2011 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 11 april 2011 een brief van 7 april 2011 met bijlagen;

- op 8 juli 2011 een brief van 7 juli 2011 met bijlagen;

- op 4 augustus 2011 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 28 juni 2010 een brief van diezelfde datum ingekomen, waarbij het raadsrapport van 2 november 2009 alsmede de rapportage met aanvullende informatie van 27 januari 2010 is overgelegd.

In de zaak met zaaknummer 200.067.869/01:

De moeder is op 8 juni 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 maart 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 29 juli 2011 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 16 juni 2010 een brief van 15 juni 2010 ingekomen, waarbij het raadsrapport van 15 maart 2010 is overgelegd.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 8 augustus 2011 een brief van 4 augustus 2011 met bijlagen.

De zaken zijn op 10 augustus 2011 gezamenlijk mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw M. Van Hagen namens de raad;

- mevrouw C. Hilterman en mevrouw M.C. de Beer namens Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag over de na te noemen minderjarige afgewezen. Voorts heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat na te noemen minderjarige bij de vader zal zijn:

- een weekend per veertien dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag 18:00 uur;

- elke week van dinsdag uit de opvang tot woensdag 19:00 uur;

- om de week van donderdag 17:00 uur tot vrijdagochtend;

- de helft van de vakanties en feestdagen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag over de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in 2003] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige). Voorts is in geschil de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige. De vader heeft de minderjarige erkend.

In de zaak met zaaknummer 200.068.438/01:

2. De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft het gezag en opnieuw beschikkende het verzoek in eerste aanleg van de vader tot gezamenlijk gezag alsnog toe te wijzen.

3. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om samen met de moeder te worden belast met het gezag heeft afgewezen. De moeder beschuldigt de vader al jaren ten onrechte van seksueel misbruik terwijl reeds door onderzoek is vastgesteld dat hiervan geen sprake is en bovendien door de raad in haar rapportage is geadviseerd beide ouders met het gezag te belasten. Door haar gedrag frustreert de moeder de verstandhouding tussen partijen, terwijl de vader graag op een normale manier met de moeder wil communiceren. Het feit dat partijen hiertoe in staat zijn blijkt uit het feit dat er tussen partijen wel enig contact is ter zake van de ruime omgangsregeling die de vader met de minderjarige heeft. Al zou er echter in zijn geheel geen communicatie tussen de ouders bestaan, dan nog behoeft dit er op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad niet aan in de weg te staan om toch gezamenlijk het gezag uit te oefenen.

In de zaak met zaaknummer 200.067.869/01:

4. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de vader de omgang met de minderjarige, al dan niet voor bepaalde tijd, te ontzeggen. Subsidiair verzoekt de moeder de betreffende omgangsregeling te wijzigen aldus dat het contact verder wordt beperkt.

5. De vader verzoekt het hof het beroep van de moeder af te wijzen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6. De moeder stelt dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is. De regeling is erg intensief en daardoor te belastend voor de minderjarige. Vooral na een bezoek aan de vader vertoont de minderjarige gedragsproblemen, die zich manifesteren onder meer in ontremd en seksueel niet leeftijdsconform gedrag hetwelk naar ontsporing neigt. Tijdens de omgang met de vader wordt de minderjarige met regelmaat naar de grootouders vaderszijde gebracht. Zij hebben een handel in seksartikelen, waardoor deze omgeving, gelet op de problematiek van de minderjarige, niet passend is voor haar, aldus de moeder.

7. De vader betwist alle aantijgingen van de zijde van de moeder aan zijn adres en aan het adres van zijn ouders. De vader stelt altijd bereid te zijn geweest en nog altijd bereid te zijn met de moeder overleg te voeren over de zorg en opvoeding van de minderjarige. De omgang die er geweest is, is goed verlopen volgens de vader. Eventuele gedragsproblemen bij de minderjarige komen niet door de zorg en opvoeding door de vader, zo stelt hij.

8. Jeugdzorg heeft verklaard gesprekken met de ouders te hebben gevoerd teneinde de ouders op één lijn te krijgen, hetgeen nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van het Kennis en Service Centrum voor Diagnostiek zijn de contacten tussen de vader en de minderjarige stopgezet en is de minderjarige voor behandeling en begeleiding aangemeld bij Yulius (het voormalig RMPI). De aanmelding heeft echter geen vervolg gekregen omdat de minderjarige geen gedragsproblemen meer vertoonde sinds het stopzetten van de contacten tussen de minderjarige en de vader, als gevolg waarvan Yulius oordeelde dat behandeling van de minderjarige aldaar niet langer noodzakelijk was. Thans loopt er een onderzoek naar de minderjarige bij het Riagg. Jeugdzorg heeft voorts getracht de contacten tussen de vader en de minderjarige weer op gang te brengen, maar dit heeft tot op heden nog niet tot het gewenste resultaat geleid. Jeugdzorg acht het van belang bij het op gang brengen van de contacten tussen de vader en de minderjarige uit te gaan van het behouden van de rust voor de minderjarige.

9. De raad heeft ter zitting benadrukt dat het van belang is dat de minderjarige met beide ouders contact heeft. Om tot een voor de minderjarige hanteerbare zorgregeling te komen, zal een onafhankelijke derde bij het op gang brengen van de contacten tussen de vader en de minderjarige dienen te worden betrokken, aldus de raad. Voorts heeft de raad benadrukt dat de ouders beiden de hulpverlening van en via Jeugdzorg, in het belang van de minderjarige, dienen te accepteren.

10. Het hof overweegt als volgt.

In de zaak met zaaknummer 200.068.438/01:

Gezag

11. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel wordt het verzoek, indien het ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, slechts afgewezen indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

12. Het hof is van oordeel dat gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, zal er geen onaanvaardbaar risico zijn dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Andere redenen kunnen evenwel een wijziging van het gezag noodzakelijk maken.

13. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen niet dan wel nauwelijks constructief met elkaar kunnen communiceren. Wel hebben zij zich beiden bereid verklaard onder begeleiding met elkaar in gesprek te gaan. Voorts is gebleken dat de vader in staat is te berusten in de situatie dat de moeder feitelijk de beslissingen neemt die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van de minderjarige van (spoedeisend) belang zijn en dat hij deze beslissingen niet blokkeert. Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een situatie waarin een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders indien zij het gezamenlijk gezag gaan uitoefenen. Ook overigens bestaat er geen noodzaak tot afwijzing van het verzoek in het belang van de minderjarige. Het hof betrekt in zijn overweging mede de omstandigheid dat de vader in de eerste levensjaren van de minderjarige, mede op verzoek van de moeder, een belangrijke rol heeft gespeeld in de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het hof acht het voor de minderjarige van belang dat de vader betrokken blijft bij haar ontwikkeling en bij de belangrijke keuzes in haar leven. Het hof gaat er vanuit dat partijen zich, het belang van de minderjarige in het oog houdende, tot het uiterste zullen inspannen om hun gezamenlijk gezag zodanig invulling te geven dat de minderjarige hier optimaal van kan profiteren. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen en bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan aan de ouders beiden toekomt.

In de zaak met zaaknummer 200.067.869/01:

Zorgregeling

14. Gelet op het voorgaande en op de wettelijke terminologie sedert 1 maart 2009 zal het hof in deze zaak, daar waar nog gesproken wordt over “omgang”, dit verstaan als “toedeling van de zorg- en opvoedingstaken”, in het hierna volgende eenvoudigheidshalve aangeduid met het begrip zorgregeling of contactregeling.

15. Nu partijen gezamenlijk met het gezag over de minderjarige worden belast, is ten aanzien van de zorgregeling artikel 1:253a BW van toepassing. Op grond van het tweede lid, sub a van voornoemd artikel kan de rechter, op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, dan wel een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te houden.

16. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat tot een aantal maanden geleden een vrij uitgebreide zorgregeling tussen de vader en de minderjarige heeft gegolden, welke door Jeugdzorg om voor het hof onduidelijke redenen volledig is stopgezet. Het contact tussen de vader en de minderjarige is sindsdien niet meer opgestart. Inmiddels is gebleken dat partijen, de raad en Jeugdzorg van mening zijn dat het contact tussen de vader en de minderjarige in het belang van de minderjarige weer op gang dient te worden gebracht. De moeder heeft desgevraagd verklaard open te staan voor contact tussen de vader en de minderjarige, zij het onder begeleiding van Jeugdzorg. De vader heeft desgevraagd verklaard dat hij bereid is in gesprek te gaan met de moeder, maar dat hij, vanwege zijn negatieve ervaringen met Jeugdzorg, geen vertrouwen meer heeft in (de begeleiding van) Jeugdzorg.

17. Het hof is, evenals alle betrokkenen, van oordeel dat het in het belang van een evenwichtige verdere ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat zij contact heeft met beide ouders. Gelet op de omstandigheid dat de minderjarige in haar jonge leven rond haar ouders reeds een aantal indrukwekkende gebeurtenissen heeft meegemaakt, als gevolg waarvan haar verleden niet geheel onbelast is, dient naar het oordeel van het hof, het contact tussen haar en de vader zorgvuldig te worden opgebouwd. Het hof neemt mede in aanmerking dat de ouders beiden te kennen geven bij het weer op gang brengen van het contact tussen haar en de vader begeleiding te wensen en dat de vader geen vertrouwen heeft in Jeugdzorg als begeleider. Voorts neemt het hof in aanmerking dat ook de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat een onafhankelijke derde bij het op gang brengen van het contact tussen de vader en de minderjarige betrokken dient te worden. Het hof acht het derhalve geraden om partijen te verwijzen naar het omgangshuis voor begeleide contacten tussen de vader en de minderjarige. Het hof gaat ervan uit dat de begeleide contacten gedurende een half jaar plaatsvinden, met een door het omgangshuis te bepalen frequentie.Na deze periode zal het omgangshuis rapport en advies aan het hof of de ouders uitbrengen ter zake de vraag welke contactregeling in het belang van de minderjarigen is. Daarbij zal het toewerken naar een regeling die zich concentreert rond één weekeinde per veertien dagen het uitgangspunt dienen te zijn. Het hof zal iedere verdere beslissing in afwachting van de uitkomst van de begeleide contacten pro forma aanhouden tot 25 februari 2012. Het hof verzoekt partijen om de rapportage van het omgangshuis te zijner tijd aan het hof te doen toekomen, indien partijen er niet in slagen om overeenstemming te bereiken over een contactregeling.

18. Het hof beslist als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.068.438/01:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de afwijzing van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het ouderlijk gezag over de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in 2003] te [geboorteplaats] voortaan aan beide ouders toekomt;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

In de zaak met zaaknummer 200.067.869/01:

alvorens nader te beslissen:

verwijst partijen, te weten:

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A.M. van Kuijeren, telefoonnummer: 015-2613219,

tegen

[naam vader],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. drs. J.F.M. van Weegberg, telefoonnummer: 070-3818915,

naar de Rotterdamse Omgangsbegeleiding voor begeleide contacten tussen de vader voornoemd en de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in 2003] te [geboorteplaats];

bepaalt dat partijen zich binnen veertien dagen na deze beschikking melden bij de Rotterdamse Omgangsbegeleiding (adres als na te melden, telefoonnummer: 010-416 38 20) voor het maken van een afspraak;

bepaalt dat de moederde minderjarige tijdig voorafgaand aan ieder contact zal brengen naar het omgangshuis, en haar daar aan het einde van elk contact weer zal ophalen;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:

Rotterdamse Omgangsbegeleiding,

p/a Rotterdams Omgangshuis

Klencke 603

3191 VZ Hoogvliet-Rotterdam;

bepaalt dat de Rotterdamse Omgangsbegeleiding het hof vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van de begeleide contacten;

bepaalt dat partijen het hof vóór na te melden pro formadatum berichten of een nadere mondelinge behandeling is gewenst of dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 25 februari 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van den Wildenberg en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2011.