Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5711

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
200.087.383.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie: lotsverbondenheid, behoefte, behoeftigheid en draagkracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/56

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 2 november 2011

Zaaknummer : 200.087.383.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-5148

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.J. Montanus te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.A.E. Ohlenroth te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 17 mei 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 februari 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 31 mei 2011 een brief van 30 mei 2011 met bijlage;

- op 30 augustus 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 30 augustus 2011 een brief van 29 augustus 2011 met bijlagen.

De zaak is op 9 september 2011 mondeling behandeld. Verschenen zijn ter zitting: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad en voor zover in hoger beroep van belang – de beschikking van 6 december 2006 en de daarin opgenomen bij convenant van 25 oktober 2006 onderling getroffen regeling gewijzigd, en is de door de man met ingang van 1 oktober 2010 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 1.600,- per maand, vanaf 17 februari 2011 telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de uitkering in het levensonderhoud voor de vrouw (hierna: partneralimentatie), de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

- primair de door de man te betalen partneralimentatie te beëindigen, althans te verminderen op grond van wangedrag door de vrouw jegens de man;

- subsidiair vast te stellen dat de vrouw geen behoefte heeft aan partneralimentatie vanwege haar verdiencapaciteit;

- meer subsidiair de door de man te betalen partmeralimentatie te bepalen op nihil.

Grief 1 - Lotsverbondenheid

3. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van wangedrag aan de zijde van de vrouw, dat maakt dat van hem niet langer gevergd kan worden dat hij enige partneralimentatie voldoet. De man stelt dat het wangedrag van de vrouw daarin is gelegen dat de door de vrouw gelegde loonbeslagen er aantoonbaar toe hebben geleid dat hij uiteindelijk zijn baan bij Eneco is kwijtgeraakt. Deze loonbeslagen zijn volgens de man ten onrechte gelegd, nu de vrouw geen vordering op hem had. Alle alimentatiebedragen waren immers door hem betaald en er was geen sprake van achterstalligheid in alimentatietermijnen noch van achterstallige indexering. De man stelt dat het derde loonbeslag zelfs is te kwalificeren als misbruik van recht ingevolge artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu de vrouw het executiemiddel alleen heeft ingezet om hem te schaden, wat haar ook is gelukt omdat het loonbeslag tot zijn ontslag heeft geleid. Daarnaast stelt de man nog dat de vrouw wist dat financiële privéproblemen in zijn financiële managementfunctie niet geoorloofd zijn en door het loonbeslag bewust het risico heeft genomen dat hij zijn baan zou verliezen. Dit alles maakt dat de lotsverbondenheid onherroepelijk is verbroken en dat hij derhalve niet gehouden is enige alimentatie te betalen, aldus de man.

4. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de lotsverbondenheid tussen partijen ontstaan door het huwelijk blijft bestaan. Zij stelt dat zij loonbeslagen heeft gelegd omdat de man zijn betalingsverplichtingen niet nakwam, een gerechtelijke uitspraak naast zich had neergelegd en omdat loonbeslag de laatste mogelijkheid was om te verkrijgen wat haar rechtens toekwam. De loonbeslagen zijn dan ook terecht gelegd, aldus de vrouw. Voorts stelt de vrouw dat zij niet op de hoogte was van de door de man gestelde omstandigheid dat zijn dienstverband was gewijzigd vanwege de gelegde loonbeslagen.

5. Het hof overweegt als volgt. De onderhoudsverplichting vindt haar rechtsgrond in de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen, welke gemeenschap in de onderhoudsplicht haar werking behoudt ook al wordt de huwelijksband geslaakt. Bij de bepaling van de alimentatie dient de rechter vervolgens rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. Dat zijn niet alleen de financiële omstandigheden, die de behoefte en draagkracht bepalen, maar ook de niet-financiële omstandigheden. Wat dat laatste betreft, kan het gaan om wat wel wordt genoemd de objectieve omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de duur van het huwelijk, en de subjectieve omstandigheden, waaronder gedragingen van de alimentatiegerechtigde. De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het gewezen huwelijk voortvloeit als verbroken kan worden beschouwd door gedragingen van de onderhoudsgerechtigde.

7. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door de ander niet langer gevergd kan worden. Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet past de rechter terughoudendheid toe, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo’n beëindiging.

8. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het handelen van de vrouw niet is aan te merken als dermate grievend dat daardoor de door het huwelijk van partijen ontstane lotsverbondenheid is doorbroken. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen de man in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof overweegt daarbij nog dat ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat de loonbeslagen door de vrouw ten onrechte zijn gelegd. Het enkele feit dat partijen verschillen van mening over de vraag of sprake was van achterstalligheid in alimentatietermijnen of van achterstallige indexering, maakt het loonbeslag niet onrechtmatig. Voorts is ook in hoger beroep niet komen vast te staan dat de man zijn dienstverband vanwege de loonbeslagen heeft moeten beëindigen. De overgelegde stukken bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Gelet op het vorenstaande faalt de eerste grief van de man.

9. Het hof komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aanspraken van de vrouw op een bijdrage van de man in haar levensonderhoud, welke worden begrensd door de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht.

10. Niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden gelegen in de omstandigheid dat de man sinds 14 februari 2008 de juridische vader is van de minderjarige [X].

Grieven 2, 3 en 4 - behoefte en behoeftigheid van de vrouw

11. De behoefte van de vrouw van € 2.055,- netto per maand is niet in geschil. In geschil is de aanvullende behoefte (behoeftigheid) van de vrouw, welke de rechtbank heeft gesteld op € 1.600,- bruto per maand. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met een bruto verdiencapaciteit van € 10.000,- per jaar.

12. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man € 1.600,- bruto per maand bedraagt. De man stelt dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij meer gaat verdienen. Volgens de man kan de vrouw 32 uur per week werken op basis waarvan zij een verdiencapaciteit heeft van € 2.369,81 bruto per maand. Dit inkomen in aanmerking nemende, heeft de vrouw in het geheel geen behoefte aan een bijdrage, aldus de man. Voorts stelt de man dat het waarschijnlijk is dat de vrouw reeds vele jaren een hoger bruto jaarinkomen heeft dan € 10.000,-, hetwelk als basis heeft gediend voor de bepaling van de hoogte van de huidige door hem te betalen partneralimentatie. Daarbij komt nog, zo betoogt de man, dat de vrouw haar definitieve belastingaanslagen over 2007, 2008 en 2009 dient over te leggen, zodat duidelijk wordt wat het inkomen van de vrouw in die periode is geweest.

13. De vrouw stelt dat zij niet meer kan verdienen dan dat zij thans verdient. Zij heeft de zorg voor de twee minderjarige kinderen van partijen die thans tien en veertien jaar oud zijn. De jongste zoon behoeft extra veel zorg in verband met zijn stoornis van Asperger en ADHD en de oudste zoon is aan het puberen en heeft nog steeds moeite met de scheiding. Haar moeder past op de kinderen als zij ’s avonds moet werken.

14. Het hof overweegt als volgt. De stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat zij in redelijkheid niet meer kan verdienen dan dat zij thans verdient, rust op de vrouw. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de vrouw thans om en nabij de acht uren in de week werkt bij de [werkgever]. Zij heeft een oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voorts heeft de vrouw de zorg voor de twee minderjarige kinderen van partijen, waarvan met name de jongste zoon extra zorg behoeft. De vrouw heeft voor haar jongste zoon de beschikking over een persoonsgebonden budget en krijgt gezinshulp van Cardea. De moeder van de vrouw past op de kinderen als de vrouw moet werken. Verder helpt de moeder van de vrouw de oudste zoon van partijen met zijn huiswerk.

15. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat zij vanwege de zorg voor de twee kinderen niet in staat is meer te gaan werken en om derhalve meer inkomsten te verdienen. Zo heeft de vrouw bijvoorbeeld geen verklaringen overgelegd waaruit volgt dat zij vanwege de problematiek van de kinderen niet meer kan gaan werken. Ook is niet gebleken van inspanningen van de vrouw om aan een ander, meer arbeidsuren bevattend, arbeidscontract te komen. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht om meer uren te gaan werken. Het hof acht een werkweek van achttien uren redelijk. Dit komt, gelet op het bruto uursalaris van de vrouw van € 17,09 inclusief vakantietoeslag, neer op een bedrag van € 307,62 bruto per week, ofwel € 1.333,- bruto, per maand. Met inachtneming van de eigen bruto verdiencapaciteit van de vrouw, alsmede met de van toepassing zijnde heffingskortingen, is er sprake van een aanvullende behoefte aan partneralimentatie van € 1.458,- (bruto) per maand.

16. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 15 is overwogen, zal het hof beslissen op grond van de thans voorhanden zijnde gegevens. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum betreffende de wijziging van de alimentatie van 1 oktober 2010 niet in geschil is en het derhalve niet van belang is wat het inkomen van de vrouw voor die datum is geweest. Het hof gaat met ingang van 1 oktober 2010 uit van een het inkomen van de vrouw zoals vorenstaand is vermeld.

Grieven 5, 6, 7 en 8 - draagkracht van de man

Huidige partner man

17. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn nieuwe partner geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man stelt dat zijn partner begin 2010 noodgedwongen haar baan als accountmanager bij [werkgever] heeft moeten opzeggen omdat de reisafstand niet meer te combineren was met de zorg voor de kinderen alsmede de nakoming van de zorgregeling die hij met de vrouw had. Met ingang van het tweede kwartaal van 2010 is zijn partner een reisbureau in [woonplaats] begonnen waarmee zij nog steeds niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De man betoogt dan ook dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de bijstandsnorm voor een gezin, de volledige woonlasten voor de woning te [woonplaats] en de te koop staande woning te [woonplaats] en met de ziektekostenpremie voor zowel hem als zijn partner.

18. Het hof zal, evenals de rechtbank, bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en daarnaast rekening houden met de helft van de woonlasten. De man heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zijn huidige partner niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat de huidige partner van de man voorheen € 2.900,- bruto per maand verdiende bij [werkgever] en in staat was in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof is van oordeel dat de partner van de man ook thans in staat moet worden geacht om in ieder geval een inkomen op bijstandsniveau te verwerven en derhalve in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Kosten omgangsregeling

19. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem opgevoerde omgangskosten. De man betoogt dat bij de bepaling van zijn draagkracht wel degelijk rekening moet worden gehouden met de omgangskosten nu hij er van uitgaat binnenkort omgangskosten te zullen maken.

20. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man, evenals de rechtbank, geen rekening houden met de door de man opgevoerde kosten verbonden aan de omgangsregeling, nu deze kosten thans feitelijk niet worden gemaakt.

Schulden

21. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aflossing op de schuld van € 20.000,- niet in aanmerking wordt genomen, nu de man deze is aangegaan op het moment dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw reeds bestond terwijl voorts niet is gebleken van de redenen zoals door de man gesteld voor het aangaan van de schuld. De man betoogt dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met alle schulden en dat er geen reden bestaat om geen rekening te houden met de aflossing op de geldschuld. Hij voert daartoe aan dat hij de schuld is aangegaan omdat de bank als gevolg van het door de vrouw gelegde beslag weigerde het laatste deel van de hypothecaire geldlening voor de in aanbouw zijnde woning te [woonplaats] vrij te geven. Tevens is hij de schuld aangegaan in verband met door hem gemaakte advocaatkosten.

22. De vrouw stelt dat geen rekening dient te worden gehouden met de schuld van € 20.000,- nu dit een nieuwe schuld betreft van na het huwelijk.

23. Het hof overweegt als volgt. Op grond van vaste rechtspraak dient bij de bepaling van de draagkracht in beginsel rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige. De omstandigheid dat de litigieuze schuld geen huwelijkse schuld betreft, doet aan dit uitgangspunt niet af. Voor het in aanmerking nemen van een schuld is voorts niet vereist dat op de schuld wordt afgelost. Het staat de rechter echter vrij om te bepalen in welke mate rekening dient te worden gehouden met de schuld. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man dan ook rekening houden met de door de man opgevoerde schuld van € 20.000,-, behalve voor zover deze is aangegaan in verband met de door de man gemaakte advocaatkosten. Het hof is van oordeel dat deze kosten geen voorrang genieten boven de onderhoudsverplichting. Ter zitting is vast komen te staan dat de schuld die is aangegaan voor de advocaatkosten € 7.000,- bedraagt. Het hof zal dan ook rekening houden met een schuld van € 13.000,-. Dit leidt er toe dat in verband met de aflossing op deze schuld bij de berekening van de draagkracht rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 200,- per maand.

24. Het hof heeft met inachtneming van het vorenstaande de draagkracht van de man opnieuw berekend. Hieruit volgt dat de man ingaande 1 oktober 2010, na brutering, een draagkracht heeft van € 1.414,- per maand. Deze draagkracht overstijgt de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud niet. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen.

25. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 6 december 2006 van de rechtbank ‘s-Gravenhage - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 1 oktober 2010 op € 1.414,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stille en Van der Burght, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2011.