Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5340

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
200.080.040-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging geslachtsnaam. Akte van erkenning van ongeboren kind. Na geboorte is de akte niet bij wege van latere vermeling aan de geboorteakte toegevoegd. De beschikking van de rechtbank strekt ertoe dit verzuim te herstellen. Het beroep van de moeder wordt verworpen. Terzake de invulling van de zorg- en opvoedregeling verzoekt het hof de raad onderzoek te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 26 oktober 2011

Zaaknummer : 200.080.040/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-1056

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H. van der Wal te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.C. Herweijer te ’s-Gravenhage.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 7 januari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 november 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 18 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 25 januari 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 4 april 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 31 mei 2011 een brief van 30 mei 2011 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

Partijen zijn opgeroepen te verschijnen ter zitting 22 juni 2011. Geen van partijen is verschenen.

De mondelinge behandeling heeft vervolgens, na hernieuwde oproeping, op 21 september 2011 plaatsgevonden.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het volgende bepaald:

- dat de moeder binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking onvoorwaardelijk meewerkt aan het wijzigen van de achternaam van de na te noemen minderjarige van “[geslachtsnaam moeder]” in “[geslachtsnaam vader]”;

- dat als de moeder in gebreke blijft uitvoering te geven aan het bovenstaande, deze beschikking in de plaats treedt van de medewerking van de moeder;

- dat de vader is belast met het ouderlijk gezag, gezamenlijk met de moeder;

- dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

- tot de eerste verjaardag van de minderjarige verblijft de minderjarige bij de vader minimaal twee keer per week (donderdag en zaterdag), telkens voor vijf uren (van 12.00 uur tot 17.00 uur), alsmede drie keer per week in de zomervakantie en de Kerstweek (zeven aaneengesloten dagen);

- in het tweede levensjaar van de minderjarige verblijft de minderjarige bij de vader één keer per week (donderdag) een volle dag van 9.00 uur tot 18.00 uur, en een keer per twee weken een weekend (zaterdag 9.00 uur tot 18.00 uur), alsmede drie aaneengesloten weken in de zomervakantie en de Kerstweek (zeven aaneengesloten dagen);

- waarbij de vader de minderjarige haalt en brengt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat vast dat de minderjarige [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige) gedurende de affectieve relatie van partijen op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] uit de moeder is geboren. De minderjarige is, voorafgaand aan de geboorte, op 3 september 2009 door de vader erkend.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het ouderlijk gezag ten aanzien van de minderjarige, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) en de wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, (naar het hof begrijpt:) de inleidende verzoeken van de vader af te wijzen.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de kosten van de procedure te compenseren.

Procedure

4. De moeder stelt dat zij nimmer een afschrift van het inleidende verzoekschrift van de vader heeft ontvangen. Zij meent dat de advocaat van de vader, die op de hoogte was van het adres van haar advocaat in een eerdere procedure, in strijd met de procesregels heeft gehandeld door geen afschrift van dit verzoekschrift aan de moeder of haar advocaat te versturen. Voor zover er een oproep naar haar is verzonden, dan stelt de moeder dat deze door de vader uit haar brievenbus is gehaald.

5. Het hof overweegt als volgt. Nu de moeder in hoger beroep ten volle in de gelegenheid is geweest om haar bezwaren tegen de inleidende verzoeken van de vader kenbaar te maken, leidt de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg er niet toe dat de bestreden beschikking op de door de moeder aangevoerde procedurele gronden moet worden vernietigd. Deze grief van de moeder wordt derhalve gepasseerd.

Wijziging van de geslachtsnaam

6. De moeder stelt zich op het standpunt dat het niet in het belang van de minderjarige is om de geslachtsnaam van de vader te verkrijgen. Ter zitting van het hof heeft de moeder verklaard dat de vader na de geboorte van de minderjarige heeft afgezien van het dragen van zijn geslachtsnaam door de minderjarige, omdat hij daardoor alimentatieplichtig zou zijn.

7. De vader stelt zich op het standpunt dat er geen redenen zijn waarom de minderjarige geschaad zou worden door het verkrijgen van zijn geslachtsnaam. De geslachtsnaam van de minderjarige is op 11 januari 2011 door de ambtenaar van de burgerlijke stand gewijzigd van [geslachtsnaam moeder] in [geslachtsnaam vader]. Ter zitting van het hof heeft de vader verklaard dat de minderjarige zijn geslachtsnaam door de erkenning, voorafgaande aan de geboorte, reeds bij de geboorte had moeten krijgen, maar dat de verkeerde geslachtsnaam bij de burgerlijke stand is opgenomen. Wijziging van de geslachtsnaam kon – zo deelde de ambtenaar van de burgerlijke stand hem mede – alleen middels een beschikking van de rechtbank plaatsvinden, aldus de vader.

8. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde akte van erkenning van elk kind waarvan een vrouw thans zwanger is van 3 september 2009 (hierna: akte van erkenning) blijkt dat partijen gezamenlijk hebben verklaard dat de minderjarige de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Ingevolge artikel 1:5 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek heeft de minderjarige vanaf de geboorte derhalve de geslachtsnaam van de vader. Dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam de akte van erkenning niet bij wege van latere vermelding aan de geboorteakte heeft toegevoegd zoals is bepaald in de artikelen 50 lid 2 jo. 22 van het Besluit burgerlijke stand 1994, maakt dat niet anders. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waardoor de latere vermelding (de akte van erkenning) niet had moeten worden toegevoegd. De beslissing van de rechtbank strekt er dan ook toe te bewerkstelligen hetgeen reeds bij het opmaken van de geboorteakte door de ambtenaar van de burgerlijke stand had moeten geschieden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij haar grief. De grief van de moeder wordt derhalve verworpen.

Gezag en zorgregeling

9. De moeder stelt zich op het standpunt dat het niet in het belang is van de minderjarige dat de ouders gezamenlijk worden belast met het gezag over hem. Ook is het volgens de moeder niet in het belang van de minderjarige dat er een zorgregeling wordt vastgesteld. Zij voert daartoe aan dat de vader haar lastig valt en haar bedreigt via de e-mail en telefoon. Zij heeft meerdere malen aangifte gedaan, aldus de moeder. De moeder verwijst voorts naar een vonnis in kort geding van 20 mei 2010 waarin de vordering van de vader strekkende tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling is afgewezen.

10. De vader stelt zich op het standpunt dat het in het belang van de minderjarige is dat hij zijn vader leert kennen en dat hij daar omgang mee heeft. De vader ziet niet in waarom hij niet het (mede) ouderlijk gezag zou kunnen hebben over de minderjarige. Er zijn volgens hem geen zwaarwegende redenen die zich daartegen verzetten. Naar de mening van de vader maakt de moeder contact tussen hem en de minderjarige onmogelijk. Ook verstrekt de moeder aan hem geen informatie over de minderjarige. De vader erkent dat hij in het verleden “uit de bocht is gevlogen” in zijn contacten ten opzichte van de moeder, hetgeen hij betreurt. Op dit moment valt hij de moeder niet meer lastig en bedreigt hij haar niet meer. Ter zitting van het hof heeft de vader verklaard dat hij met behulp van diverse instanties – onder andere door middel van een agressiereguleringstraject bij De Waag en toezicht door de reclassering – inmiddels heeft geleerd om zijn agressiviteit te beheersen. De vader is bereid om de omgang met de minderjarige geleidelijk – eventueel onder begeleiding – op te bouwen.

11. Het hof acht zich op basis van de thans voorgelegde stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende voorgelicht om te kunnen beslissen over het ouderlijk gezag en de zorgregeling ten aanzien van de minderjarige. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat er, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, aanwijzingen zijn dat in de persoon van de vader, dan wel in het oudersysteem contra-indicaties gelegen kunnen zijn tegen de uitoefening van het gezamenlijk gezag door de ouders en contact of omgang tussen de vader en de minderjarige, althans staat op voorhand niet vast dat deze ontbreken.

12. Het voorgaande geeft het hof aanleiding de raad te verzoeken onderzoek te verrichten naar en advies te geven ten aanzien van de navolgende vragen en het hof daarover schriftelijk te informeren voor nader te noemen pro forma datum:

a. Ten aanzien van het ouderlijk gezag over de minderjarige: is er sprake van op de wet gegronde beletselen tegen het voortduren van het gezamenlijk gezag van de ouders?

b. Indien er geen sprake is van beletselen tegen een gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouders: op welke wijze dient de zorgregeling te worden ingevuld?

c. Indien uitsluitend de moeder belast dient te worden met het gezag over de minderjarige: is er sprake van een grond voor ontzegging van het recht op omgang van de vader met de minderjarige in de zin van artikel 1:377a lid 3 BW?

d. Zo nee, op welke wijze dient vorm te worden gegeven aan de omgang tussen de vader en de minderjarige?

e. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarige?

13. Teneinde de raad in de gelegenheid te stellen het onderzoek uit te voeren zal het hof de behandeling van de zaak zes maanden pro forma aanhouden. Het hof zal zo nodig op een nadere terechtzitting het rapport van de raad met partijen en de raad bespreken.

14. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de wijziging van de geslachtsnaam;

alvorens te beslissen over het gezag over de minderjarige en over de zorgregeling:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen zoals hiervoor in rechtsoverweging 12 is uiteengezet en daaromtrent aan het hof rapport en advies uit te brengen;

houdt de behandeling aan tot zaterdag 28 april 2012 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Leuven en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2011.