Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5110

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-11-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
22-006460-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BK5278, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een imam, bij wie hij jaren voor de dag van de fatale confrontatie op 18 april 2008 gedurende korte tijd hulp had gezocht voor zijn slaapproblemen, van het leven beroofd door hem op brute wijze op de openbare weg in het bijzijn van omstanders ongeveer 24 maal met een mes in het lichaam en in het hoofd te steken. De verdachte is tot het steken overgegaan, omdat hij wraak wilde nemen omdat hij vond dat het slachtoffer zijn leven kapot had gemaakt. Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte (licht) verminderd toerekeningsvatbaar is. Gevangenisstraf van twaalf jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-006460-09

Parketnummer: 10-660104-08

Datum uitspraak: 21 november 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 7 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde (moord) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van het voorarrest en zijn door de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen als in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2008 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] ongeveer 24 maal, althans meermalen, met een mes in het hoofd en/of het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Verzoeken van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2011 heeft de raadsman bij eindpleidooi allereerst (nogmaals) verzocht om het horen van de deskundigen Kaiser en Roelofs-Van Bon. Op die terechtzitting is door het hof reeds op dat verzoek beslist, welke beslissing het hof hierna zal herhalen, aangezien door de raadsman sinds die beslissing geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd.

Het hof stelt vast dat bij beslissing van het hof op 27 mei 2010 het verzoek tot het horen van voornoemde deskundigen is gehonoreerd op de wijze zoals in het proces-verbaal van die terechtzitting vermeld. Na ontvangst van de nadere rapportage van deze deskundigen heeft de verdediging niet voorafgaand aan de terechtzitting van 7 november 2011 de wens kenbaar gemaakt om wederom deze deskundigen nadere vragen te willen stellen. Bij die stand van zaken is naar 's hofs oordeel het noodzaakcriterium op het verzoek van toepassing.

Voor zover de vragen van de verdediging betrekking hebben op de mogelijke aanwezigheid van een waanstoornis van het paranoïde type dan wel van een toestand van dissociatie en/of een psychose bij de verdachte en de eventuele weerslag daarvan op diens geestesgesteldheid ten tijde van het ten laste gelegde, is het hof van oordeel dat dit aspect in de rapportages van de genoemde deskundigen, genoegzaam aan de orde is gekomen. Gelet hierop wijst het hof het verzoek tot het horen van de deskundigen Kaiser en Roelofs-Van Bon af.

Voorts heeft de verdediging bij eindpleidooi verzocht de deskundigen Kaiser en Roelofs-Van Bon alsmede de deskundigen De Jong, Kortmann en Hermans nader te ondervragen over schriftelijke medische informatie d.d. 30 augustus 2011, afkomstig van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum, waaruit volgens de verdediging volgt dat de verdachte mogelijk lijdt aan wanen of psychosen. Het hof wijst dit verzoek, toetsend aan het noodzaakcriterium, eveneens af omdat uit de betreffende informatie valt af te leiden dat uit onderzoek is gebleken dat de verdachte niet lijdt aan psychopathologie in engere zin.

Vervolgens heeft de raadsman bij eindpleidooi verzoeken herhaald "zoals die zijn verwoord in paragraaf 14 tot en met 26 van de pleitnotities van 17 mei 2010". Het hof gaat aan die verzoeken echter voorbij, omdat het die verzoeken, mede in het licht van de eerdere beslissing van het hof op die verzoeken op 27 mei 2010, in zijn strekking en conclusie onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd acht.

Onder het kopje 'Geen adequate rechtsbijstand door piketadvocaat' herhaalt de raadsman ten slotte het verzoek om de piketadvocaat mr. E.J.M. Daalhuizen te horen. Het hof wijst dit verzoek af, nu door het hof ook op dit verzoek reeds op 27 mei 2010 is beslist en door de verdediging sindsdien geen nieuwe gezichtspunten zijn aangevoerd, alsmede gelet op het feit dat het hof de eerste twee verhoren van de verdachte voor bewijs zal uitsluiten (zie daarover hierna in het arrest onder het kopje 'gevoerde verweren').

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft - overeenkomstig zijn overlegde en in het dossier gevoegde pleitnotities - bepleit dat de door de verdachte ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De verklaring van 18 april 2008 is afgelegd zonder bijstand van een tolk, terwijl de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende machtig is. Voorafgaand aan dit verhoor alsmede voorafgaand aan het verhoor van 19 april 2008 is de verdachte niet in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen. Derhalve is in strijd gehandeld met de eisen die voortvloeien uit de verschillende (Salduz)uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) en de daarop gebaseerde jurisprudentie van de Hoge Raad.

In het licht van het vorenstaande heeft de verdediging voorts bepleit dat tevens de deskundigenrapportages dienen te worden uitgesloten van het gebruik voor de beoordeling van de onderhavige zaak, aangezien die rapportages mede zijn gebaseerd op de inhoud van die verhoren.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken dat de verdachte voor de aanvang van de verhoren van 18 april 2008 en 19 april 2008 in de gelegenheid is gesteld een raadsman te raadplegen. Derhalve is - overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM in onder andere de zaak Salduz en de rechtspraak van de Hoge Raad - sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat dient te leiden tot uitsluiting voor het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, te weten de verklaringen die zijn afgelegd op 18 april 2008 en 19 april 2008. Dit verweer slaagt.

De verklaringen van de verdachten na 19 april 2008 kunnen voor het bewijs worden gebezigd, aangezien de verdachte toen een raadsman heeft kunnen consulteren. Daaraan doet niet af dat dit contact mogelijk kortdurend en in afwezigheid van een tolk is geweest (de verdachte woont reeds meer dan dertig jaar in Nederland en hij heeft hier gewerkt), aangezien de verdachte zijn consultatierecht geldend heeft kunnen maken.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat blijkens de inhoud van de deskundigenrapportages, deze in ieder geval mede zijn gebaseerd op de eigen waarnemingen van de deskundigen van de persoon van de verdachte en op diens mededelingen, zodat er geen grond is deze rapportages buiten beschouwing te laten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 april 2008 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] ongeveer 24 maal met een mes in het hoofd en het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Overwegingen met betrekking tot voorbedachte raad

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2011 - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities en verkort en zakelijk weergegeven - betoogd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde nu geen sprake is van voorbedachte raad.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

De verdachte heeft zich in 2002 door het latere slachtoffer, de imam [slachtoffer], laten behandelen voor zijn slaapproblemen. Toen de verdachte nieuwe lichamelijke klachten kreeg, raakte hij ervan overtuigd dat [slachtoffer] zwarte magie op hem had toegepast. De verdachte vond dat het slachtoffer hierdoor zijn leven kapot had gemaakt en hij wilde wraak nemen.

Ongeveer twee jaar voor het tenlastegelegde heeft de verdachte een eerste mes gekocht. Ongeveer twee weken voor het tenlastegelegde kocht de verdachte een tweede mes. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij toen klaar was om het slachtoffer te vermoorden. Op de dag van het tenlastegelegde nam hij voor het eerst beide messen mee toen hij naar de moskee ging. Verdachte heeft verklaard dat hij zich toen realiseerde dat de kans erg groot was dat hij [slachtoffer] onderweg zou tegenkomen. Het tweede mes nam hij mee als reserve om het eventueel te gebruiken bij een confrontatie met het slachtoffer, voor het geval er iets met het eerste mes zou gebeuren of als de verdachte iets zou overkomen.

Over het moment waarop verdachte [slachtoffer] zag, heeft hij verklaard dat hij toen naar hem is 'gevlogen' en hem heeft 'klaar gemaakt'. Dat zijn handelen moet worden beschouwd als een doelbewuste poging om met [slachtoffer] af te rekenen, wordt naar het oordeel van het hof ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De getuige [getuige 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de verdachte met versnelde pas in de richting van [slachtoffer] zag lopen en dat de verdachte hem van achteren benaderde, hem met zijn linkerarm om zijn hals vastgreep, naar achteren trok en meerdere stekende bewegingen maakte naar diens rug. Tijdens het steken heeft de verdachte vervolgens nog een ander mes gepakt, toen het mes waarmee hij stak krom geworden was, aldus deze getuige. Deze getuige heeft voorts verklaard dat hij de verdachte tot tweemaal toe tijdens het steken heeft opgeroepen op te houden, hetgeen de verdachte echter heeft geweigerd. De getuige [getuige 2] heeft tegenover de politie verklaard dat hij zag dat de verdachte naar [slachtoffer] rende, hem op de grond gooide en vervolgens met een blinkend voorwerp stekende bewegingen maakte naar diens bovenlichaam.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte op verschillende momenten tijd heeft gehad (voorafgaand aan het steken en blijkens de verklaring van de getuige [getuige 1] zelfs nog tijdens het steken van het slachtoffer) om zich te beraden op zijn genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven. Aldus komt het hof tot het oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte op gronden als verwoord in zijn pleitnotities betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu sprake was van psychische overmacht. Hiertoe heeft hij - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de zwarte magie die de verdachte ervoer, en de door hem ervaren gevolgen daarvan, dienen te worden aangemerkt als een van buiten komende drang. Verdachte kon hieraan ten tijde van het feit redelijkerwijs geen weerstand bieden, er trad een impulsdoorbraak op, gepaard gaande met een bewustzijnsvernauwing.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon dan wel behoefde te bieden. In de hiervoor gegeven overweging dat sprake was van voorbedachte raad bij de verdachte komt reeds tot uitdrukking dat het hof van oordeel is dat de verdachte tot het steken is overgegaan omdat hij wraak wilde nemen omdat hij vond dat het slachtoffer zijn leven kapot had gemaakt. Het handelen met een dergelijk motief valt naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden niet te kwalificeren als een 'van buiten komende drang'. Voorts werpt het hof de verdachte in dit verband tegen dat hij nimmer heeft getracht op andere wijze een oplossing te vinden voor zijn problematiek, zoals het bezoeken van een andere traditionele genezer, hoewel dat - ook volgens de verdachte - wel een mogelijkheid was geweest. Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een imam, bij wie hij jaren voor de dag van de fatale confrontatie op 18 april 2008 gedurende korte tijd hulp had gezocht voor zijn slaapproblemen, van het leven beroofd door hem op brute wijze op de openbare weg in het bijzijn van omstanders ongeveer 24 maal met een mes in het lichaam en in het hoofd te steken. Door het handelen van verdachte is aan het slachtoffer het kostbaarste dat een mens bezit, het leven, ontnomen en is onherstelbaar leed aan zijn nabestaanden toegebracht. De echtgenote van het slachtoffer heeft bij monde van haar dochter ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard dagelijks psychisch te lijden onder de gevolgen van de schokkende dood van haar echtgenoot. Een feit als het onderhavige draagt ook een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van verbijstering, angst en onveiligheid teweeg.

Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 oktober 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof heeft onder meer acht geslagen op de over de verdachte opgemaakte deskundigenrapporten, zijnde de rapportage van drs. B.W. Roelofs-Van Bon, klinisch psycholoog, d.d. 29 september 2008, alsmede de rapportage van dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater, d.d. 29 september 2008, inclusief het aanvullend rapport van voornoemde deskundigen van 18 mei 2011.

De deskundigen concluderen in voornoemde rapportages dat de verdachte voor het tenlastegelegde als (licht) verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt. Gelet op de daaraan ten grondslag liggende beschouwingen, kan het hof zich in deze conclusie vinden en zal het daarmee bij de straftoemeting dan ook rekening houden.

De behandeling in hoger beroep heeft niet plaatsgevonden binnen 16 maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel. In zoverre is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden. Gelet echter op het feit dat deze overschrijding mede het gevolg is van het honoreren van onderzoekswensen van de verdediging, ziet het hof geen reden hieraan gevolgen te verbinden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal een lagere straf opleggen dan door de rechtbank (zonder nadere motivering) is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof is daarbij uitgegaan van de strafmaat die doorgaans ingeval van moord als uitgangspunt wordt genomen (14 jaar) en heeft die straf naar beneden toe bijgesteld, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte impliciet primair ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 482,17.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van EUR 482,17.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis met inbegrip van hetgeen ter zake van de vordering van de benadeelde partij is beslist.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het impliciet primair bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 482,17 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] (bijgestaan door mr. L.A.E. Timmer) zich gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte impliciet primair ten laste gelegde. De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële schade tot een bedrag van EUR 15.816,13 en immateriële schade (shockschade) tot een bedrag van

EUR 30.000,00 gevorderd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis met inbegrip van hetgeen ter zake van de vordering van de benadeelde partij is beslist.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade tot een bedrag van EUR 3.987,13,- is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het impliciet primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige levert de behandeling van de vordering voor zover die ziet op de gestelde materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële kosten (shockschade) levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 3.987,13 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 482,17 (vierhonderdtweeëntachtig euro en zeventien cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van EUR 482,17 (vierhonderdtweeëntachtig euro en zeventien cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 3.987,13 (drieduizend negenhonderdzevenentachtig euro en dertien cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van EUR 3.987,13 (drieduizend negenhonderdzevenentachtig euro en dertien cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 (negenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. G.P.A. Aler en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 november 2011.