Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5028

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
BK-11/00159
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Boete. Verwijzingszaak HR 18 maart 2011, nr. 09/02171. Blijkens de reacties van partijen op het verwijzingsarrest hebben zij zich beiden op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag en de opgelegde boete moeten komen te vervallen. Het Hof volgt partijen in die eensluidende conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2947
V-N 2012/2.22.21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00159

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 26 augustus 2011

in het geding tussen

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Centrale administratie, hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en boetebeschikking.

Naheffingsaanslag, boetebeschikking en bezwaar

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 22 december 2003 aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 10 maart 1998 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 245. Ook is bij beschikking een boete vastgesteld van 100 percent van het bedrag van de aanslag.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in een geschrift, gedagtekend 6 januari 2006, vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot op 50 percent van het bedrag van de aanslag.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem. Bij uitspraak (met verzenddatum) van 30 augustus 2007, nummer 06/2769, heeft de rechtbank

- de uitspraak van de Inspecteur betreffende de naheffingsaanslag bevestigd,

- de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boete vernietigd,

- de boete verminderd tot op 40 percent van het bedrag van de aanslag en

- de Staat gelast het griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

2.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij uitspraak van 23 april 2009, met onder meer het nummer 07/00764 heeft dat Hof

- de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de boete betreft,

- de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boete vernietigd,

- de boete verminderd tot op € 24, ofwel 10 percent van het bedrag van de aanslag,

- de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 644.

2.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. De Staatssecretaris van Financiën heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

2.4. Bij zijn arrest van 18 maart 2011, nummer 09/02171 (hierna: verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend voor zover deze is gedaan in de zaak met het nummer 07/00764 en het geding verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.

2.5. Partijen hebben zich naar aanleiding van het verwijzingsarrest schriftelijk uitgelaten.

Zij hebben van elkaars schrifturen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, kunnen kennisnemen. Het Hof rekent die schrifturen tot de gedingstukken.

2.6. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Bij belanghebbende (een taxi-ondernemer) heeft een onderzoek van de Belastingdienst plaatsgevonden waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een controlerapport, gedagtekend 28 oktober 2003. Het controlerapport vormde voor de Inspecteur aanleiding om op 22 december 2003 van belanghebbende motorrijtuigenbelasting na te heffen wegens het ten onrechte toegepast zijn van de taxivrijstelling. Op het aanslagbiljet is als tijdvak van naheffing vermeld 1 januari 1998 tot en met 10 maart 1998.

3.2. Het vorenstaande betreft het motorrijtuig met het kenteken [XX-XX-XX] (Ford Scorpio).

3.3. Uit de door de Inspecteur ingediende schriftelijke uitlating omtrent het verwijzingsarrest blijkt dat belanghebbende met ingang van 22 mei 2001 geen houder meer is van dat motorrijtuig.

Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Blijkens de reacties van partijen op het verwijzingsarrest hebben zij zich beiden op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag en de opgelegde boete moeten komen te vervallen.

4.2. Het Hof volgt partijen in die eensluidende conclusie. Bijgevolg dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

5.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in het hoger beroep, zowel ter zake van het geding voor het Gerechtshof te Amsterdam als het geding na verwijzing. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 644 voor de behandeling bij het Gerechtshof te Amsterdam (op de gronden zoals overwogen in de onder 2.2 genoemde uitspraak) en € 161 (½ punt à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)), alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 805. Voor vergoeding van proceskosten in eerste aanleg bestaat geen reden nu uit de motivering van de uitspraak van de rechtbank blijkt dat voor de onderhavige zaak een vergoeding is toegekend in de daarmee samenhangende zaak AWB 06/2250.

5.2. Voorts dient de Inspecteur het voor deze zaak in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof te Amsterdam en na verwijzing, vastgesteld op € 805 in totaal en

- gelast de Inspecteur het voor deze zaak in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier drs. C.D.N. van Vugt. De beslissing is op 26 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.