Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5027

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
BK-11/00140
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Boete. Verwijzingszaak HR 4 maart 2011, nr. 09/01347. Blijkens de reacties van partijen op het verwijzingsarrest hebben zij zich beiden op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag en de opgelegde boete moeten komen te vervallen. Het Hof volgt partijen in die eensluidende conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/2.22.20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00140

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 26 augustus 2011

in het geding tussen

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Centrale administratie, hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en boetebeschikking.

Naheffingsaanslag, boetebeschikking en bezwaar

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 2 april 2004 aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 1999 tot en met 22 september 1999 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 869. Ook is bij beschikking een boete vastgesteld van 100 percent van het bedrag van de aanslag.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in een geschrift, gedagtekend 24 februari 2006, vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot op 50 percent van het bedrag van de aanslag.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem. Bij uitspraak van 22 februari 2007, nummer 06/3301, heeft de rechtbank

- de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boete vernietigd,

- de boete verminderd tot op 40 percent van het bedrag van de aanslag,

- het beroep voor het overige ongegrond verklaard en

- de Staat gelast het griffierecht van € 38 aan belanghebbende te vergoeden.

2.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij uitspraak van 17 februari 2009, met onder meer het nummer 07/00172 heeft dat Hof

- de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het de boete betreft,

- de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boete vernietigd,

- de boete verminderd tot op 10 percent van het bedrag van de aanslag,

- de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigd,

- de Staat gelast de proceskosten van belanghebbende (voor het deel dat ziet op de onderhavige zaak) tot een bedrag van € 322 te vergoeden en

- de Staat gelast het griffierecht van € 428 aan belanghebbende te vergoeden.

2.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. De Staatssecretaris van Financiën heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

2.4. Bij zijn arrest van 4 maart 2011, nummer 09/01347 (hierna: verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad – voor zover thans van belang – de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.

2.5. Partijen hebben zich naar aanleiding van het verwijzingsarrest schriftelijk uitgelaten.

Zij hebben van elkaars schrifturen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, kunnen kennisnemen. Het Hof rekent die schrifturen tot de gedingstukken.

2.6. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 18 november 2003 heeft bij belanghebbende (een taxi-ondernemer) een onderzoek van de Belastingdienst plaatsgevonden. Van de bevindingen van dat onderzoek is een controlerapport, gedagtekend 4 december 2003, opgesteld. Het controlerapport vormde voor de Inspecteur aanleiding om op 2 april 2004 van belanghebbende motorrijtuigenbelasting na te heffen wegens het ten onrechte toegepast zijn van de taxivrijstelling. Op het aanslagbiljet is als tijdvak van naheffing vermeld 1 januari 1999 tot en met 22 september 1999.

3.2. Het vorenstaande betreft het motorrijtuig met het kenteken [XX-XX-XX] (Mercedes).

3.3. Uit de door de Inspecteur ingediende schriftelijke uitlating omtrent het verwijzingsarrest blijkt dat belanghebbende met ingang van 20 augustus 2001 geen houder meer is van dat motorrijtuig.

Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Blijkens de reacties van partijen op het verwijzingsarrest hebben zij zich beiden op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag en de opgelegde boete moeten komen te vervallen.

4.2. Het Hof volgt partijen in die eensluidende conclusie. Bijgevolg dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in het hoger beroep na verwijzing. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 161 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (½ punt à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)).

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het hoger beroep na verwijzing aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 161.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier drs. C.D.N. van Vugt. De beslissing is op 26 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.