Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5025

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
BK-11/00058
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BJ5596, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Boete. Verwijzingszaak HR 10 december 2010, nr. 09/00058. Blijkens de reacties van partijen op het verwijzingsarrest hebben zij zich beiden op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag en de opgelegde boete moeten komen te vervallen. Het Hof volgt partijen in die eensluidende conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/2.22.18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00058

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 26 augustus 2011

in het geding tussen

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Centrale administratie, hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en boetebeschikking.

Naheffingsaanslag, boetebeschikking en bezwaar

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 26 mei 2003 aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 4 december 1998 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 1.102. Ook is bij beschikking een boete vastgesteld van 100 percent van het bedrag van de aanslag.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij twee in een geschrift, gedagtekend 5 april 2006, vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot op € 894 en de boete verminderd tot op € 894.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem. Bij uitspraak van 4 januari 2007, nummer AWB 06/5358, heeft de rechtbank

- het beroep gegrond verklaard voor zover het de boete betreft,

- de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boete vernietigd,

- de boete verminderd tot op 50 percent van de aanslag en

- de Staat gelast het griffierecht van € 38 aan belanghebbende te vergoeden.

2.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij uitspraak van 19 november 2008, met onder meer het nummer 07/00053 heeft dat Hof

- de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de boete betreft,

- de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boete vernietigd

- de boete verminderd tot op € 80,

- de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende (voor het deel dat ziet op de onderhavige zaak) ten bedrage van € 966, en

- de Staat gelast het griffierecht (voor het deel dat ziet op de onderhavige zaak) van € 105 aan belanghebbende te vergoeden.

2.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. De Staatssecretaris van Financiën heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

2.4. Bij zijn arrest van 10 december 2010, nummer 09/00058 (hierna: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.

2.5. Partijen hebben zich naar aanleiding van het verwijzingsarrest schriftelijk uitgelaten.

Zij hebben van elkaars schrifturen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, kunnen kennisnemen. Het Hof rekent die schrifturen tot de gedingstukken.

2.6. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 10 september 2002 heeft bij belanghebbende (een taxi-ondernemer) een onderzoek van de Belastingdienst plaatsgevonden. Van de bevindingen van dat onderzoek is een controlerapport, gedagtekend 27 februari 2003, opgesteld. Het controlerapport vormde voor de Inspecteur aanleiding om op 26 mei 2003 van belanghebbende motorrijtuigenbelasting na te heffen wegens het ten onrechte toegepast zijn van de taxivrijstelling. Op het aanslagbiljet is als tijdvak van naheffing vermeld 1 januari 1998 tot en met 4 december 1998.

3.2. Het vorenstaande betreft het motorrijtuig met het kenteken [XX-XX-XX] (Mercedes).

3.3. Uit de door de Inspecteur ingediende schriftelijke uitlating omtrent het verwijzingsarrest blijkt dat belanghebbende met ingang van 18 oktober 2000 geen houder meer is van dat motorrijtuig.

Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Blijkens de reacties van partijen op het verwijzingsarrest hebben zij zich beiden op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag en de opgelegde boete moeten komen te vervallen.

4.2. Het Hof volgt partijen in die eensluidende conclusie. Bijgevolg dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

5.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in het hoger beroep, zowel ter zake van het geding voor het Gerechtshof te Amsterdam als het geding na verwijzing. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 966 voor de behandeling bij het Gerechtshof te Amsterdam (op de gronden zoals overwogen in de onder 2.2 genoemde uitspraak) en € 161 (½ punt à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)), alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 1.127. Voor vergoeding van proceskosten in eerste aanleg bestaat geen reden nu uit de motivering van de uitspraak van de rechtbank blijkt dat voor de onderhavige zaak een vergoeding is toegekend in de daarmee samenhangende zaak 05/1514.

5.2. Voorts dient de Inspecteur het voor deze zaak in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof te Amsterdam en na verwijzing, vastgesteld op € 1.127 in totaal, en

- gelast de Inspecteur het voor deze zaak in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier drs. C.D.N. van Vugt. De beslissing is op 26 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.