Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5023

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
BK-10/00807
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2008:BH9802, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Boete. Verwijzingszaak HR 17 december 2010, nr. 09/01032. Blijkens de reacties van partijen op het verwijzingsarrest hebben zij zich beiden op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslagen en de opgelegde boeten moeten komen te vervallen. Het Hof volgt partijen in die eensluidende conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2943
V-N 2012/2.22.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00807

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 26 augustus 2011

in het geding tussen

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Centrale administratie, hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen.

Naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en bezwaar

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 22 december 2003 aan belanghebbende:

- over het tijdvak van 3 augustus 1998 tot en met 2 augustus 1999 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 877. Ook is bij beschikking een boete vastgesteld van 100 percent van het bedrag van de aanslag;

- over het tijdvak van 3 augustus 1999 tot en met 2 augustus 2000 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 882. Ook is bij beschikking een boete vastgesteld van 100 percent van het bedrag van de aanslag;

- over het tijdvak van 3 augustus 2000 tot en met 2 augustus 2001 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 878. Ook is bij beschikking een boete vastgesteld van 100 percent van het bedrag van de aanslag.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in een geschrift, gedagtekend 7 april 2006, vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de boeten verminderd, telkens tot op 50 percent van het bedrag van de aanslag.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem. Bij uitspraak van 4 juli 2008, nummer AWB 06/468, heeft de rechtbank

- de uitspraken van de Inspecteur, de naheffingsaanslagen en de boeten vernietigd, en

- de Staat gelast het griffierecht van  € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

2.2. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij uitspraak van 17 februari 2009, nummer P 08/00776 heeft dat Hof

- de uitspraak van de rechtbank vernietigd behoudens de beslissing omtrent het griffierecht en

- de zaak teruggewezen naar de rechtbank Haarlem ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van zijn uitspraak.

2.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

2.4. Bij zijn arrest van 17 december 2010, nummer 09/01032 (hierna: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het bij de rechtbank betaalde griffierecht, en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.

2.5. Partijen hebben zich naar aanleiding van het verwijzingsarrest schriftelijk uitgelaten.

Zij hebben van elkaars schrifturen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, kunnen kennisnemen. Het Hof rekent die schrifturen tot de gedingstukken.

2.6. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 29 september 2003 heeft bij belanghebbende (een taxi-ondernemer) een onderzoek van de Belastingdienst plaatsgevonden. Van de bevindingen van dat onderzoek is een controlerapport, gedagtekend oktober 2003, opgesteld. Het controlerapport vormde voor de Inspecteur aanleiding om op 22 december 2003 van belanghebbende motorrijtuigenbelasting na te heffen wegens het ten onrechte toegepast zijn van de taxivrijstelling. Als tijdvak van naheffing is onderscheidenlijk op de aanslagbiljetten vermeld

- 3 augustus 1998 tot en met 2 augustus 1999,

- 3 augustus 1999 tot en met 2 augustus 2000 en

- 3 augustus 2000 tot en met 2 augustus 2001.

3.2. Het vorenstaande betreft het motorrijtuig met het kenteken [XX-XX-XX].

3.3. Uit de door partijen ingediende schriftelijke uitlatingen omtrent het verwijzingsarrest blijkt dat belanghebbende met ingang van 16 december 2002 geen houder meer is van dat motorrijtuig.

Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Blijkens de reacties van partijen op het verwijzingsarrest hebben zij zich beiden op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslagen en de opgelegde boeten moeten komen te vervallen.

4.2. Het Hof volgt partijen in die eensluidende conclusie. Bijgevolg dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

5.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in het hoger beroep na verwijzing. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 161 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (½ punt à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)).

5.2. Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur ter zake van het hoger beroep een griffierecht geheven van € 443.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het hoger beroep na verwijzing aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 161.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier drs. C.D.N. van Vugt. De beslissing is op 26 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.