Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU4602

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
22-004887-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BN7279, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof in Den Haag heeft op 16 november 2011 een 27 jarige autorijder, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 jaren. Het hof acht bewezen dat de verdachte op 26 december 2009 als bestuurder van een auto op de Vierhavensstraat te Rotterdam zeer roekeloos heeft gereden, waardoor een aanrijding is ontstaan en vier personen om het leven zijn gekomen en één persoon letsel heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004887-10

Parketnummers: 10-820614-09 en 10-662288-10

Datum uitspraak: 16 november 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 juli 2011, 12 juli 2011 en 2 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 december 2009 te Rotterdam opzettelijk een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], van het leven heeft beroofd, immers heeft/is verdachte opzettelijk in/met een auto (merk Dodge, type Ram 2500)

- op de Rotterdamsedijk met (zeer) hoge snelheid (ongeveer 110 km/uur) zeer dicht achter een andere bestuurder gereden ("kleven") en/of

- op de kruising van het Marconiplein met de Vierhavensstraat via de voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand verkeer een (aantal) voertuig(en), dat voor een rood verkeerslicht (voor rechtsaf) stilstond, met hoge snelheid ingehaald en/of

- (vervolgens) op de kruising rechtsaf geslagen (naar de Vierhavensstraat) op het moment dat het verkeerslicht voor hem rood licht uitstraalde en/of

- rijdende op de Vierhavensstraat met hoge snelheid, althans met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 km/uur, twee of meer voertuigen ingehaald en/of

- al rijdend(e) over de Vierhavenstraat, met een snelheid van ongeveer 147 km/uur, althans 125 km/uur (terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 30 km/uur (dan wel 50 km/uur) gold, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of het verloop van de weg(en) aldaar, onoverzichtelijk was door wegwerkzaamheden), een kruising met de Speedwellstraat genaderd en/of

- (vervolgens) (daarbij) met een (uiteindelijke) snelheid van ongeveer 86 km/uur tegen een personenauto (komende vanuit de Speedwellstraat), waarin voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich bevonden, aangebotst en/of aangereden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zijn overleden;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 december 2009 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto, merk Dodge, type Ram 2500), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig (hoogst) roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Vierhavensstraat, welk roekeloos en/of onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- terwijl hij, verdachte, (reeds) op de Rotterdamsedijk met (zeer) hoge snelheid (ongeveer 110 km/uur) zeer dicht achter een andere bestuurder heeft gereden ("kleven") en/of op de kruising van het Marconiplein met de Vierhavensstraat via de voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand verkeer een aantal voertuigen, dat voor een rood verkeerslicht (voor rechtsaf) stilstond, met hoge snelheid heeft ingehaald en/of (vervolgens) op de kruising rechtsaf is geslagen (naar de Vierhavensstraat) op het moment dat het verkeerslicht voor hem rood licht uitstraalde, en/of

- op die Vierhavensstraat met hoge snelheid, althans met een veel hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan, twee of meer voertuigen heeft ingehaald en/of

- op die Vierhavensstraat een maximumsnelheid van 30 km/uur (dan wel 50 km/uur) gold en/of het verloop van die genoemde weg(en) onoverzichtelijk was door wegwerkzaamheden,

op die Vierhavensstraat met een snelheid van ongeveer 147 km/uur, althans 125 km/uur in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, de kruising met de Speedwellstraat is genaderd en/of (aldus rijdend) niet (tijdig) heeft opgemerkt of heeft kunnen opmerken dat vanuit die Speedwellstraat een bestuurder van een personenauto een aanvang had gemaakt of doende was die kruising over te steken en/of hij, verdachte, ondanks remmen, met een snelheid van ongeveer 86 km/uur tegen die andere personenauto is aangebotst of aangereden,

waardoor vier inzittenden van die personenauto, genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], werden gedood, terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden (door op de Vierhavensstraat te rijden met een snelheid van ongeveer 147 km/uur, althans 125 km/uur, in elk geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 30 km/uur dan wel 50 km/uur gold);

2.

hij op of omstreeks 26 december 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet, in/met een auto (merk Dodge, type Ram 2500)

- op de Rotterdamsedijk met (zeer) hoge snelheid (ongeveer 110 km/uur) zeer dicht achter een andere bestuurder heeft gereden ("kleven") en/of

- op de kruising van het Marconiplein met de Vierhavensstraat via de voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand verkeer een (aantal) voertuig(en), dat voor een rood verkeerslicht (voor rechtsaf) stilstond, met hoge snelheid heeft ingehaald en/of

- (vervolgens) op de kruising rechtsaf is geslagen (naar de Vierhavensstraat) op het moment dat het verkeerslicht voor hem rood licht uitstraalde en/of

- rijdende op de Vierhavensstraat met hoge snelheid, althans met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 km/uur, twee of meer voertuigen heeft ingehaald en/of

- al rijdend(e) over de Vierhavenstraat, met een snelheid van ongeveer 147 km/uur, althans 125 km/uur (terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 30 km/uur (dan wel 50 km/uur) gold, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of het verloop van de weg(en) aldaar, onoverzichtelijk was door wegwerkzaamheden), een kruising met de Speedwellstraat is genaderd en/of

- (vervolgens) (daarbij) met een (uiteindelijke) snelheid van ongeveer 86 km/uur tegen een personenauto (komende vanuit de Speedwellstraat), waarin voornoemde [slachtoffer 5] zich bevond, is aangebotst en/of aangereden, zich bevond, is aangebotst en/of aangereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 december 2009 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto, merk Dodge, type Ram 2500), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig (hoogst) roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Vierhavensstraat, welk roekeloos en/of onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- terwijl hij, verdachte, (reeds) op de Rotterdamsedijk met (zeer) hoge snelheid (ongeveer 110 km/uur) zeer dicht achter een andere bestuurder heeft gereden ("kleven") en/of op de kruising van het Marconiplein met de Vierhavensstraat via de voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand verkeer een aantal voertuigen, dat voor een rood verkeerslicht (voor rechtsaf) stilstond, met hoge snelheid heeft ingehaald en/of (vervolgens) op de kruising rechtsaf is geslagen (naar de Vierhavensstraat) op het moment dat het verkeerslicht voor hem rood licht uitstraalde, en/of

- op die Vierhavensstraat met hoge snelheid, althans met een veel hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan, twee of meer voertuigen heeft ingehaald en/of

-op die Vierhavensstraat een maximumsnelheid van 30 km/uur (dan wel 50 km/uur) gold en/of het verloop van die genoemde weg(en) onoverzichtelijk was door wegwerkzaamheden,

op die Vierhavensstraat met een snelheid van ongeveer 147 km/uur, althans 125 km/uur in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, de kruising met de Speedwellstraat is genaderd en/of (aldus rijdend) niet (tijdig) heeft opgemerkt of heeft kunnen opmerken dat vanuit die Speedwellstraat een bestuurder van een personenauto een aanvang had gemaakt of doende was die kruising over te steken en/of hij, verdachte, ondanks remmen, met een snelheid van ongeveer 86 km/uur tegen die andere personenauto is aangebotst of aangereden,

waardoor [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden (door op de Vierhavensstraat te rijden met een snelheid van ongeveer 147 km/uur, althans 125 km/uur, in elk geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 30 km/uur dan wel 50 km/uur gold);

3.

hij op of omstreeks 31 oktober 2009 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 6] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto (met verhoogde snelheid) tegen die [slachtoffer 6] is aangereden, althans op die [slachtoffer 6] is af- en/of ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 oktober 2009 te Capelle aan den IJssel opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 6]), met een door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto (met verhoogde snelheid) tegen die [slachtoffer 6] is aangereden, althans op die [slachtoffer 6] is in- en/of afgereden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of

hij op of omstreeks 31 oktober 2009 te Capelle aan den IJssel [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto (met verhoogde snelheid) op die [slachtoffer 6] in- en/of afgereden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrijgesproken en ter zake van de onder 1 primair ten laste gelegde meervoudige doodslag, de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag alsmede de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

9 jaren, met aftrek van voorarrest, en is hem de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, en ten aanzien van het beslag, een en ander zoals nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De aanrijding, op grond waarvan de verdachte strafrechtelijk wordt vervolgd, heeft in de avonduren van 26 december 2009 op de kruising van de Vierhavensstraat met de Speedwellstraat te Rotterdam plaatsgevonden. Daarbij hebben vier inzittenden van een Ford Focus -

[slachtoffer 1], 48 jaar oud, [slachtoffer 2], 22 jaar oud, [slachtoffer 3], 26 jaar oud, en [slachtoffer 4],

78 jaar oud - het leven verloren en is een vijfde inzittende van die auto - [slachtoffer 5] - ernstig gewond geraakt.

Door de politie Rotterdam-Rijnmond is onmiddellijk na die aanrijding een uitgebreid tactisch en verkeerstechnisch onderzoek gestart.

Uit het verkeerstechnische onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat:

- de verdachte met de door hem bestuurde Dodge Ram 2500 op een voorrangsweg - de Vierhavensstraat - reed, komende uit de richting van het Marconiplein, en de bestuurder van de Ford Focus, [slachtoffer 1], vanaf de Speedwellstraat - die, vanuit de rijrichting van de verdachte gezien, aan de rechterzijde van de Vierhavensstraat is gelegen - op voornoemde kruising linksaf heeft willen slaan,

-al deze wegen binnen de bebouwde kom van Rotterdam zijn gelegen,

-de verkeerssituatie op de Vierhavensstraat, ook ter hoogte van de kruising met de Speedwellstraat, in verband met wegwerkzaamheden was aangepast, hetgeen middels diverse verkeersborden en een gele wegbelijning was aangegeven, terwijl er ook zogeheten barriers waren aangebracht,

-enkele van de aan het begin van de Vierhavensstraat

- bezien vanuit de richting van het Marconiplein - opgestelde verkeersborden, onder andere bord A1 van bijlage I van het RVV 1990, waarop een maximumsnelheid van 30 km/uur werd aangegeven, na de kruising met de Keileweg, die vóór de kruising met de Speedwellstraat is gelegen, niet waren aangebracht,

-derhalve voor de verdachte op de plaats van de aanrijding een maximumsnelheid van 50 km/uur gold,

-de voorrangssituatie voor het verkeer dat vanaf de Speedwellstraat de kruising met de Vierhavensstraat naderde niet duidelijk was aangegeven,

-op de Vierhavensstraat, kort vóór de kruising met de Speedwellstraat, een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers was gelegen en

-het ten tijde van de aanrijding duister was, de straatverlichting brandde, doch niet op het laatste deel van de Speedwellstraat vóór de kruising, en het wegdek nat was.

In het kader van het tactische onderzoek zijn diverse getuigen gehoord. Uit de door hen afgelegde verklaringen komt - voor zover deze eenduidig zijn - onder meer naar voren dat de verdachte op de eveneens binnen de bebouwde kom van Rotterdam gelegen Rotterdamsedijk met zeer hoge snelheid en op korte afstand een VW Golf heeft gevolgd, dat de bestuurder van deze VW Golf op de kruising van het Marconiplein met de - rechts daarvan gelegen - Vierhavensstraat op de rijstrook voor het rechtsafslaande verkeer heeft voorgesorteerd achter een aantal andere op die rijstrook voor het rode verkeerslicht wachtende auto's, dat de verdachte deze auto's via de meest links gelegen rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer met hoge snelheid is gepasseerd en vervolgens vóór die auto's

- vermoedelijk op het moment dat het verkeerslicht voor het rechtsafslaande verkeer net op groen sprong - rechtsaf de Vierhavensstraat is opgereden, alwaar hij, eveneens met zeer hoge snelheid, (in ieder geval) twee auto's heeft ingehaald. Met betrekking tot de verdachte en zijn rijstijl - meer in het bijzonder zijn snelheid - op de Vierhavensstraat hebben getuigen onder andere woorden in de mond genomen als: "achterlijk hard", "idioot", "gestoord" en "die denkt zeker dat hij op Zandvoort zit".

Met het oog op het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde wordt vooropgesteld dat zich inderdaad, zoals de verdachte blijkens de tenlastelegging in zoverre wordt verweten, de situatie kan voordoen dat ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig, die door zeer gevaarlijk te rijden een fataal ongeval heeft veroorzaakt - een ongeval waarbij, zoals in casu, vier doden en een gewonde zijn gevallen -, dient te worden aangenomen dat hij de slachtoffers van dat ongeval opzettelijk van het leven heeft beroofd dan wel gepoogd te beroven, zodat artikel 287 (waar het een poging betreft: juncto artikel 45) van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het opzet, dat vereist is om tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde te kunnen komen, kan zich zowel in onvoorwaardelijke als in voorwaardelijke vorm voordoen.

De conclusie, dat de verdachte de vier inzittenden van de Ford Focus, die ten gevolge van het ongeval zijn overleden, willens en wetens - met opzet in onvoorwaardelijke vorm - van het leven heeft beroofd en gepoogd heeft de vijfde inzittende van die auto willens en wetens van het leven te beroven, hetgeen door hem overigens immer is ontkend, is op basis van de voorhanden bewijsmiddelen naar het oordeel van het hof niet gerechtvaardigd. De advocaat-generaal is blijkens het door haar gehouden requisitoir tot eenzelfde oordeel gekomen.

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich wel willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn rijgedrag het leven zouden verliezen of zouden kunnen verliezen - de vraag of bij hem het opzet in voorwaardelijke vorm heeft voorgezeten -, dient hetgeen het verkeerstechnisch onderzoek nog meer heeft uitgewezen dan datgene dat hiervoor reeds kort is weergegeven in de beschouwingen te worden betrokken.

De airbagmodule van de door de verdachte bestuurde Dodge Ram 2500 bleek namelijk te zijn voorzien van een zogeheten Event Data Recorder (EDR), waarin diverse parameters - waaronder de snelheid, de vertraging en het gebruik van de remmen - worden geregistreerd die van belang zijn voor het aansturen van diverse veiligheidsvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld airbags en gordelspanners. Bij een botsing of aanrijding worden de door de EDR tot op enkele seconden voordien geregistreerde gegevens vastgelegd en deze gegevens kunnen, zoals in casu ook is gebeurd, met speciale diagnoseapparatuur worden opgeslagen en geanalyseerd. Daarnaast is, mede met behulp van die gegevens, berekend op welke afstand de Dodge Ram 2500 en de Ford Focus zich op successievelijke momenten ten opzichte van de plaats van de aanrijding - het "botspunt" - bevonden en is onder meer nog met behulp van een reconstructie vastgesteld vanaf welk moment en op welke afstand tot het botspunt de verdachte zicht had op de door [slachtoffer 1] bestuurde Ford Focus en, omgekeerd, vanaf welk moment en op welke afstand tot het botspunt [slachtoffer 1] zicht had op de door de verdachte bestuurde Dodge Ram 2500.

Op basis van de in de EDR vastgelegde gegevens kan als genoegzaam vaststaand worden aangenomen dat de verdachte

5 seconden vóór de aanrijding - toen hij zich op ongeveer 173,86 meter vóór het botspunt bevond - met een snelheid van ongeveer 147 km/uur heeft gereden en op het moment van de aanrijding met een snelheid van ongeveer

86 km/uur.

Indien de overige resultaten van vorenbedoeld deel van het verkeerstechnisch onderzoek1 in onderling verband en samenhang en mede in het licht van de ter terechtzitting in hoger beroep door de getuigen-deskundigen ir. A.C.E. Spek en P.J.P. Schrama afgelegde verklaringen worden bezien, kan naar het oordeel van het hof evenwel ook als genoegzaam vaststaand worden aangenomen dat:

-de contouren van de Ford Focus 3 seconden vóór de aanrijding voor de verdachte - die zich toen op ongeveer 96,41 meter vóór het botspunt bevond - nog niet goed waarneembaar waren,

-die contouren vanaf 2 seconden vóór de aanrijding voor de verdachte - die zich toen op ongeveer 61,25 meter vóór het botspunt bevond - wel goed waarneembaar waren, terwijl voor hem vanaf dat moment ook de koplampbundels van de Ford Focus op het kruisingsvlak zichtbaar waren,

-de verdachte 1,5 seconde voordat de aanrijding plaatsvond - ongeveer 43,91 meter vóór het botspunt - zodanig is gaan remmen dat de "Panic Brake Assist" op 0,8 seconde voor de aanrijding werd geactiveerd en daarmede de ABS van alle remcircuits van de door hem bestuurde auto in werking trad en

-de verdachte vanaf 1,1 seconde vóór de aanrijding stuurbewegingen naar links en rechts heeft gemaakt.

Het hof kan daaruit niet anders dan concluderen dat de verdachte op het moment dat de contouren van de Ford Focus voor hem goed waarneembaar waren en de koplampbundels van die auto voor hem op het kruisingsvlak zichtbaar waren onmiddellijk - de ook bij het verkeerstechnisch onderzoek gehanteerde reactietijd van 0,6 tot 1,6 seconde in aanmerking genomen - "maximaal", in de woorden van de getuige-deskundige Spek, is gaan remmen, kennelijk in een poging om een aanrijding met de Ford Focus nog te voorkomen, en slechts

0,4 seconde nadien tevens - wederom in de woorden van de getuige-deskundige Spek: flink - heeft gestuurd, kennelijk eveneens in een poging om een aanrijding met de Ford Focus nog te voorkomen.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat vorenbedoelde handelingen van de verdachte zijn verricht op een moment dat, juist vanwege de door de verdachte gereden snelheid, het "point of no return" reeds was gepasseerd. Dat is op zich - mede gegeven het onuitwisbare feit dat het fatale ongeval, niettegenstaande die handelingen, is ontstaan - juist. Deze handelingen wijzen er echter naar het oordeel van het hof wel op dat de verdachte - hoewel hem zonder meer valt te verwijten dat hij, gezien de door hem bij het naderen van de kruising gereden snelheid en des temeer indien de verkeerssituatie ter plaatse mede in aanmerking wordt genomen, hoogst roekeloos heeft gereden en zelfs, naar hij minst genomen had moeten beseffen, de aanmerkelijke kans op het ontstaan van een ongeval met fatale gevolgen in het leven heeft geroepen - zich niet "willens" aan die aanmerkelijke kans heeft blootgesteld en deze kans mitsdien niet bewust heeft aanvaard.

Daaruit vloeit voort dat het hof ook niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte met het minimaal voor een bewezenverklaring van doodslag dan wel poging tot doodslag vereiste voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, zodat hij van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 26 december 2009 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto, merk Dodge, type Ram 2500), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig hoogst roekeloos te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Vierhavensstraat, welk roekeloos rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

op die Vierhavensstraat met een veel hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan twee voertuigen heeft ingehaald en

terwijl op die Vierhavensstraat een maximumsnelheid van 50 km/uur) gold

op die Vierhavensstraat met een snelheid van ongeveer 147 km/uur de kruising met de Speedwellstraat is genaderd en, ondanks remmen, met een snelheid van ongeveer 86 km/uur tegen een personenauto, die doende was die kruising over te steken, is aangereden,

waardoor vier inzittenden van die personenauto, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], werden gedood;

2.

hij op 26 december 2009 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto, merk Dodge, type Ram 2500), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig hoogst roekeloos te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Vierhavensstraat, welk roekeloos rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

op die Vierhavensstraat met een veel hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan twee voertuigen heeft ingehaald en

terwijl op die Vierhavensstraat een maximumsnelheid van 50 km/uur) gold

op die Vierhavensstraat met een snelheid van ongeveer 147 km/uur de kruising met de Speedwellstraat is genaderd en, ondanks remmen, met een snelheid van ongeveer 86 km/uur tegen een personenauto, die doende was die kruising over te steken, is aangereden,

waardoor [slachtoffer 5] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

3.

hij op 31 oktober 2009 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 6] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde (bestel)auto tegen die [slachtoffer 6] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl het feit is veroorzaakt doordat hij een krachtens die wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl het feit is veroorzaakt doordat hij een krachtens die wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de onder 1 primair ten laste gelegde meervoudige doodslag, de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 3 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede dat hem de bevoegdheid zal worden ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

In dit verband wordt door het hof ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde vooreerst nog het navolgende overwogen.

De raadsman heeft met het oog op de straftoemeting een drietal eerder door hem gedane verzoeken - die door het hof ter terechtzitting van 12 juli 2011 vooralsnog waren afgewezen - bij pleidooi gehandhaafd, te weten het verzoek om [slachtoffer 5] als getuige te horen, het verzoek om na te laten gaan of ene [getuige 1], geboren op 28 juli 1983, die (mogelijk) getuige van het ongeval is geweest, bestaat en, zo ja, deze [getuige 1] eveneens als getuige te horen, alsmede het verzoek om een deskundige een nader onderzoek te laten verrichten naar het alcoholpromillage van de bestuurder van de Ford Focus, [slachtoffer 1], ten tijde van diens overlijden.

Het hof blijft dienaangaande bij zijn - toen nog als voorlopig uitgesproken - oordeel dat de noodzaak voor het verrichten van deze nadere onderzoekshandelingen niet is gebleken, reden waarom deze verzoeken worden afgewezen. Op basis van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de processtukken staat immers genoegzaam staat dat [slachtoffer 1] de verdachte, die op een voorrangsweg reed, geen voorrang heeft verleend. Niet uit te sluiten valt dat [slachtoffer 1] niet dan wel niet tijdig heeft gezien dat de verdachte de kruising naderde, ondanks het feit dat, afgaande op de resultaten van het verkeerstechnisch onderzoek, de koplampen van de door de verdachte bestuurde Dodge Ram 2500 voor hem in ieder geval goed waarneembaar moeten zijn geweest vanaf het moment dat op 5 seconden vóór de aanrijding is gelegen, een moment waarop de Ford Focus zich waarschijnlijk, afhankelijk van de door [slachtoffer 1] gereden snelheid, nog op een afstand van ongeveer 13,85 meter tot ongeveer 34,70 meter voor het botspunt bevond en de Dodge Ram 2500 nog ongeveer 173,86 meter van dat punt was verwijderd. Evenmin valt uit te sluiten dat [slachtoffer 1] wel - tijdig - heeft gezien dat de verdachte de kruising naderde, maar met name waar het de door de verdachte gereden snelheid betreft een inschattingsfout heeft gemaakt. Voorts valt niet uit te sluiten dat het één dan wel het ander (mede) zijn oorzaak hierin vindt dat [slachtoffer 1] werd afgeleid en/of - gezien het feit dat in het bij hem enkele uren na zijn overlijden afgenomen bloed een promillage ethanol van 0,83 mg/ml is aangetroffen - een zodanige hoeveelheid alcohol had genuttigd dat daardoor zijn rijvaardigheid dan wel minst genomen zijn waarnemingsvermogen en/of inschattingsvermogen negatief werd(en) beïnvloed.

Een en ander doet evenwel geen afbreuk aan de mate van schuld die de verdachte met betrekking tot het ontstaan van het ongeval treft, hetgeen overigens door de raadsman bij pleidooi ook niet als stelling is geponeerd. Ook de raadsman heeft immers, bij de buiten zijn pleitaantekeningen om gehouden inleiding op zijn pleidooi, aangegeven dat de verdachte hoogst roekeloos heeft gereden, zoals door het hof, gelet op de inhoud van de voorhanden bewijsmiddelen, bewezen is verklaard. Het is meer in het bijzonder die - meest ernstige - mate van schuld, alsmede de daardoor in het leven geroepen gevolgen, die het hof, waar het het onder 1 en 2 bewezen verklaarde betreft, voor de straftoemeting in belangrijke mate bepalend acht.

Nog afgezien van het feit dat de verdachte, zoals eerder in dit arrest is weergegeven, reeds op de Rotterdamsedijk en op het kruispunt van het Marconiplein met de Vierhavensstraat diverse verkeersovertredingen had begaan - waarmee hij al, waar het zijn rijgedrag aangaat, van een kwalijke mentaliteit blijk heeft gegeven -, valt zijn rijgedrag, nadat hij zich eenmaal op de Vierhavensstraat bevond, niet anders dan als uiterst risicovol en volstrekt onverantwoord - in termen van de bewezenverklaring: hoogst roekeloos - te kwalificeren. Het moge zo zijn, zoals door de raadsman is benadrukt, dat vanwege de wegwerkzaamheden de wegsituatie ter plaatse op meerdere punten was gewijzigd en dat die wijzigingen vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid niet optimaal waren - er was, aldus de raadsman, door de gemeente een "onduidelijk tijdelijk kruispunt" gecreëerd, niet alleen voor het verkeer dat de kruising vanaf de Speedwellstraat naderde, maar ook voor het verkeer dat het kruispunt vanaf de Vierhavensstraat naderde -, maar de verdachte had zijn rijgedrag daarop moeten afstemmen door extra voorzichtigheid te betrachten. In plaats daarvan heeft hij, eenmaal rijdende over de Vierhavensstraat, zonder acht te slaan op de aldaar getroffen verkeersmaatregelen en zonder nog een blik op de kilometerteller te werpen - naar eigen zeggen heeft hij vóór het kruispunt met de Keileweg voor het laatst op de kilometerteller gekeken -, zijn snelheid zo ver opgevoerd dat deze slechts 5 seconden vóór de aanrijding blijkens de in de EDR vastgelegde gegevens op 147 km/uur lag. Hij heeft met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan twee auto's ingehaald, daarbij overigens een in verband met de wegwerkzaamheden aangebrachte gele doorgetrokken streep negerend. Hij is met voornoemde snelheid van 147 km/uur de kruising genaderd, welke snelheid hij, op het moment dat de aanrijding op het kruisingsvlak nog maar 1,5 seconde op zich liet wachten en hij een noodremming inzette, slechts, gezien de omstandigheden, marginaal - tot 123 km/uur - had teruggebracht. Hij heeft dermate hard gereden, niet alleen niettegenstaande de ter plaatse met het oog op de wegwerkzaamheden getroffen verkeers-maatregelen, waaronder de aldaar geplaatste barriers, die voor hem in ieder geval het zicht op het vanuit de Speedwellstraat komende verkeer, mede vanwege de slechte belichting op dat punt, bemoeilijkten, doch ook niettegenstaande het feit dat hij binnen de bebouwde kom reed, niettegenstaande het feit dat hij een kruising naderde, niettegenstaande het feit dat vlak voor die kruising een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers was gelegen en niettegenstaande het feit dat de duisternis inmiddels was ingevallen en het wegdek nat was. Daar komt nog bij dat hij zich, naar hij zich realiseerde, in een ten opzichte van de gemiddelde personenauto uitermate grote en zware auto bevond, ten gevolge waarvan de kans reëel was dat, indien

er een aanrijding plaats zou vinden, inzittenden van een gemiddelde personenauto - om van andere verkeersdeelnemers, zoals voetgangers, fietsers en bromfietsers nog maar te zwijgen - het leven zouden verliezen of, minst genomen, in meerdere of minder mate gewond zouden raken. Ter illustratie: de Ford Focus had een wielbasis van 261 cm en een ledig gewicht van 1063 kilo. De door de verdachte bestuurde Dodge Ram 2500 had een wielbasis van 357 cm en, uitgaande van de gegevens van de RDW, een ledig gewicht van 2660 kilo.

Vorenbedoelde - eerder in dit arrest als aanmerkelijk aangeduide - kans is op 26 december 2009 trieste werkelijkheid geworden. De verdachte heeft door zijn hoogst roekeloze manier van rijden vier doden en een ernstig gewonde - [slachtoffer 5] - op zijn geweten. De impact, die het ongeval op laatstgenoemde moet hebben gehad, gaat het bevattingsvermogen welhaast te boven: zij is niet alleen zelf gewond geraakt, maar heeft van het ene op het andere moment haar echtgenoot, zoon, neef en buurman/huisvriend - die in de loop der jaren voor haar en haar gezinsleden een soort opa was geworden - verloren. In haar verklaring van 24 januari 2010 valt te lezen dat zij psychisch helemaal kapot is. Gezien de tussen vier van de vijf inzittenden van de Ford Focus bestaande familierelatie, is het aan hun overige nabestaanden toegebrachte leed tot op grote hoogte vergelijkbaar. In de toelichting die in eerste aanleg op de vorderingen van de benadeelde partijen is gegeven, valt onder meer te lezen dat [nabestaande 1] - dochter van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] -, nadat zij haar ter plaatse van het ongeval overleden vader had moeten identificeren, in het ziekenhuis de hand van haar broer [slachtoffer 2] heeft vastgehouden op het moment dat deze overleed en dat [nabestaande 2] - zoals door hem ter terechtzitting in hoger beroep ook nog op indringende wijze bij gelegenheid van zijn spreekrecht naar voren is gebracht - op zijn beurt aan het sterfbed van diens broer [slachtoffer 3] heeft gezeten.

De verdachte zal de last van deze wetenschap zijn verdere leven met zich moeten meedragen. In zoverre heeft het ongeval ontegenzeggelijk ook op hem een impact gehad, hoewel die impact minder diepgaand is dan het onbeschrijflijke leed dat hij voor anderen heeft aangericht. Het hof is er uiteindelijk van overtuigd geraakt dat de verdachte, die de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag aanvankelijk niet heeft willen - of wellicht, geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan, (psychisch) niet heeft kunnen - nemen, inmiddels oprecht spijt heeft van hetgeen hij de slachtoffers en hun naasten heeft aangedaan en inmiddels ook zijn verantwoordelijkheid in dezen kan en wil erkennen. Het hof is er evenwel niet van overtuigd geraakt dat hij het uitermate gevaarzettende karakter van zijn op 26 december 2009 gevoerde rijstijl ten volle beseft. Hij heeft bij het hof de indruk doen ontstaan dat hij als bestuurder van een motorrijtuig, indien hij vanuit zijn perspectief meent dat dit mogelijk is - en dat dit perspectief volledig met de werkelijkheid in strijd kan zijn is op 26 december 2009 wel gebleken -, bijvoorbeeld gas geeft en zal geven tot een in zijn ogen verantwoorde snelheid, inhaalt en zal inhalen op een in zijn ogen verantwoord moment en op een in zijn ogen verantwoorde wijze, daarbij vele, zo niet alle vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid geldende regels negerend en zijn eigen regels hanterend. Deze rijstijl lijkt hij zich in zo vergaande mate eigen te hebben gemaakt dat nimmer tot hem is doorgedrongen dat op de Vierhavensstraat - waar hij voorafgaande aan 26 december 2009, nadat de wegwerkzaamheden aldaar waren aangevangen, reeds vaker had gereden - in verband met die wegwerkzaamheden verkeersborden, wegbelijningen en barriers waren aangebracht. Bedoelde indruk heeft hij, toen hij daarmee ter terechtzitting in hoger beroep werd geconfronteerd en hem de gelegenheid werd geboden zich daarover uit te laten, niet kunnen wegnemen.

Bij al het vorenstaande mag bovendien niet over het hoofd worden gezien dat de verdachte slechts een kleine twee maanden voorafgaande aan 26 december 2009, te weten op 31 oktober 2009, zich aan een poging tot zware mishandeling schuldig heeft gemaakt door doelgericht met een op dat moment door hem bestuurde auto op [slachtoffer 6] - het in het onder 3 bewezen verklaarde genoemde slachtoffer - af te rijden en deze ook metterdaad aan te rijden en tegen een muur klem te rijden. De snelheid waarmee dit slachtoffer is aangereden staat in geen enkele verhouding tot de snelheid die de verdachte zich op 26 december 2009 heeft veroorloofd, maar uit het gedrag, dat de verdachte op 31 oktober 2009 ten toon heeft gespreid, valt niet anders te concluderen dan dat hij op dat moment een auto als wapen tegen bedoeld slachtoffer heeft ingezet.

Indien al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking wordt genomen en daarnaast nog rekening wordt gehouden met het feit dat de verdachte blijkens de over hem op 28 april 2010 en 31 mei 2010 door respectievelijk de psychiater Blansjaar en de psycholoog Nieuwenhuijzen uitgebrachte rapportages voor het door hem op 26 december 2009 veroorzaakte ongeval - waar het onderzoek van deze gedragsdeskundigen zich toe heeft beperkt - volledig toerekeningsvatbaar kan worden geacht, vormt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de nader in het dictum te noemen duur, mede vanuit een oogpunt van generale en meer in het bijzonder ook speciale preventie, naar het oordeel van het hof een passende en geboden strafrechtelijke reactie. Daarnaast komt het hof, met name vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid, voor elk van de bewezen verklaarde feiten een ontzegging van de rijbevoegdheid, als nader in het dictum te bepalen, evenzeer als een alleszins passende en geboden strafrechtelijke reactie voor.

Beslag

Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, merk Dodge, kenteken 4-VBH-27, zal het hof - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - de teruggave aan [rechthebbende 1] gelasten.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van in totaal EUR 30.610,20, bestaande uit een bedrag van EUR 5.610,20 ter zake van begrafeniskosten en een bedrag van EUR 25.000,00 ter zake van zogeheten shockschade.

De benadeelde partij heeft deze - in eerste aanleg slechts ten aanzien van de begrafeniskosten toegewezen - vordering in hoger beroep integraal gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft tot volledige toewijzing van de vordering geconcludeerd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Niet betwist is evenwel dat de benadeelde partij de met de begrafenis van zijn broer gemoeide kosten heeft voldaan. Blijkens de daarop betrekking hebbende voorlopige opgave, die bij de in eerste aanleg ingediende vordering is gevoegd, zouden deze kosten een - alleszins als redelijk te beschouwen - bedrag van EUR 5.610,20 belopen. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat hij uiteindelijk een bedrag van ruim EUR 5.600,00 heeft betaald. Daarmee is naar het oordeel van het hof, niettegenstaande het feit dat een definitieve eindafrekening ontbreekt, genoegzaam aangetoond dat de gestelde materiële schade ook daadwerkelijk door de benadeelde partij is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij ligt in zoverre derhalve voor toewijzing gereed.

De vraag of en in hoeverre aan de voor een toekenning van shockschade geldende vereisten is voldaan - meer in het bijzonder de vraag of en in hoeverre er sprake is van een rechtstreeks verband tussen het gevaarzettend handelen van de verdachte enerzijds en het gestelde geestelijk letsel anderzijds - is door de benadeelde partij vooralsnog niet afdoende gemotiveerd beantwoord. Het in dat verband bij de toelichting in hoger beroep overgelegde stuk "Onderzoek PsyQ Depressie [benadeelde partij 1]" volstaat niet, aangezien niet duidelijk is door wie dat stuk is opgesteld, noch, ook indien dat de in aanvang van dat stuk genoemde D. Harderwijk mocht zijn, wat diens expertise is, terwijl het stuk voorts niet is ondertekend. Daarenboven komt uit het bewuste stuk niet duidelijk naar voren of er nu al dan niet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld bij de benadeelde partij is geconstateerd en lijken aan de in de beschrijvende diagnose als zodanig aangeduide "somberheidsklachten" meerdere omstandigheden ten grondslag te liggen. In zoverre levert een behandeling van de vordering - nu daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is - naar het oordeel van het hof dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal de benadeelde partij derhalve in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij ten dele zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

EUR 5.610,20 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] te betalen.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van in totaal EUR 54.205,69.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg inzake de materiële schade toegewezen bedrag van EUR 4.205,96.

De advocaat-generaal heeft tot volledige toewijzing van de vordering geconcludeerd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist en ligt derhalve, nu deze het hof ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde, voor integrale toewijzing gereed.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

EUR 4.205,96 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] te betalen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft die in artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994 genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf in mindering zal worden gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen personenauto van het merk Dodge en voorzien van het kenteken 4-VBH-27 aan [rechthebbende 1].

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot een bedrag van EUR 5.610,20 (vijfduizend zeshonderdtien euro en twintig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij

[benadeelde partij 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van EUR 5.610,20 (vijfduizend zeshonderdtien euro en twintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 (drieënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan deze benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het gevorderde bedrag van EUR 4.205,96 (vierduizend tweehonderdvijf euro en zesennegentig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van EUR 4.205,96 (vierduizend tweehonderdvijf euro en zesennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 52 (tweeënvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan deze benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. J.W. Wabeke, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 november 2011.

1 Deze resultaten zijn met name terug te vinden in de onder de nummers 2009 438468-13A en 2009 438468-41 door het bureau technische en ongevallendienst van de afdeling verkeerspolitie van de politie Rotterdam-Rijnmond op 27 en 29 januari 2010 opgemaakte processen-verbaal, alsmede in het door ir. A.C.E. Spek van het Nederlands Forensisch Instituut op 19 mei 2010 opgestelde deskundigenrapport.