Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU4271

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
10-771025-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft opzettelijk in strijd gehandeld met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de informatieplicht vermeld in artikel 17 van de Wet werk en bijstand, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander. Het hof verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004446-10

Parketnummer: 10-771025-10

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

15 juni 2011 en 28 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in de periode van 01 november 2005 tot en met 23 augustus 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de informatieplicht vermeld in (artikel 17 van) de Wet werk en bijstand, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam en/of de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam, terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van haar, verdachtes, of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming krachtens de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, (telkens) niet (onverwijld) aan dat/die bestuursorgaan/dienst medegedeeld dat zij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding met L. voerde en/of samenwoonde met voornoemde [medeverdachte], zulks terwijl dit/deze feit(en) kon(den) strekken tot bevoordeling van zichzelf of van een ander.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van

€ 350,-- subsidiair 7 dagen hechtenis, te betalen in

7 maandelijkse termijnen van € 50,--.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 01 november 2005 tot en met 23 augustus 2009 te Rotterdam, in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de informatieplicht vermeld in artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam en/of de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam, terwijl zij, verdachte, wist dat die gegevens van belang waren voor de hoogte of de duur van haar, verdachtes, of eens anders recht op een verstrekking krachtens de Wet werk en bijstand, immers heeft zij, verdachte, niet aan dat/die bestuursorgaan/dienst medegedeeld dat zij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte] voerde en samenwoonde met voornoemde [medeverdachte], zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of van een ander.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

In strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de hoogte of de duur van zijn of eens anders recht op een verstrekking.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte een beroep gedaan op psychische overmacht, nu zij haar in de bewezenverklaring bedoelde informatieplicht uit angst voor de medeverdachte, door wie zij jarenlang ernstig is mishandeld, niet is nagekomen.

Naar het oordeel van het hof staat genoegzaam vast dat de verdachte door de medeverdachte gedurende de periode van hun samenwoning meermalen is mishandeld. Dat de verdachte dientengevolge onder een zekere druk heeft geleefd, is dan ook alleszins aannemelijk. Het hof acht evenwel niet aannemelijk geworden dat deze druk gedurende de gehele bewezen verklaarde periode zodanig ernstig is geweest, dat van de verdachte redelijkerwijs niet kon worden gevergd daaraan weerstand te bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt mitsdien verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het tenlastegelegde bewezen en strafbaar zal worden verklaard, dat ook de verdachte strafbaar zal worden verklaard, doch dat aan haar op grond van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Geen straf of maatregel

Het hof acht het, gelet op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, raadzaam om - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - op de voet van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te bepalen dat aan de verdachte ter zake geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. D.J.C. van den Broek,

mr. L.A.J.M. van Dijk en mr. C.G.M. van Rijnberk, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 oktober 2011.