Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU4203

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
09-612369-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in strijd gehandeld met artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend. Tevens heeft verdachte in een personenauto gereden die verzekerd was tegen wettelijke aansprakelijkheid. Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde, veroordeelt het hof de verdachte tot een werkstraf van 60 uur en ontzegt de verdachte van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde, veroordeelt het hof de verdachte tot een geldboete van EUR 450,00

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001764-10

Parketnummer: 09-612369-08

Datum uitspraak: 14 november 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 maart 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

13 januari 2011 en 31 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. Voorts is de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 450,--, subsidiair 9 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 juli 2008 te Poeldijk, gemeente Westland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Wateringseweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens)

- op de Wateringseweg, is gekeerd, althans is gaan keren en (daarbij) meerdere malen zijn motorrijtuig naar voren en naar achteren heeft moeten steken teneinde de manoeuvre te kunnen voltooien en/of (vervolgens)

- geen voorrang heeft verleend aan een aldaar rijdende bestuurder van een auto tengevolge waarvan die auto tegen zijn, verdachtes, motorrijtuig is gebotst,

waardoor een ander [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een kneuzing van het borstbeen en/of een kneuzing van de schouder, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 juli 2008 te Poeldijk, gemeente Westland, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Wateringseweg, als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens)

- op de Wateringseweg, is gekeerd, althans is gaan keren en (daarbij) meerdere malen zijn motorrijtuig naar voren en naar achteren heeft moeten steken teneinde de manoeuvre te kunnen voltooien en/of (vervolgens)

- geen voorrang heeft verleend aan een aldaar rijdende bestuurder van een auto tengevolge waarvan die auto tegen zijn, verdachtes, motorrijtuig is gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 15 juli 2008 te Poeldijk, gemeente Westland, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) met het kenteken [nummer], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Wateringseweg, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 juli 2008 te Poeldijk, gemeente Westland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Wateringseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en

- geen voorrang heeft verleend aan een aldaar rijdende bestuurder van een auto ten gevolge waarvan die auto tegen zijn, verdachtes, motorrijtuig is gebotst,

waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2.

hij op 15 juli 2008 te Poeldijk, gemeente Westland, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) met het kenteken [nummer], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Wateringseweg, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft onder meer gerequireerd tot vrijspraak van de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het handelen van de verdachte, inhoudende dat hij ‘pardoes’ de weg op is gereden zonder voorrang te verlenen, geen aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid oplevert, hetgeen een vereiste is voor het aannemen van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd – verkort en zakelijk weergegeven – dat de bestuurder van de Renault Clio het ongeluk zelf heeft veroorzaakt door, zonder te remmen en de gebaren van de verdachte negerend, op de stilstaande auto van de verdachte in te rijden, zodat geen sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de kant van de verdachte. Voor zover deze lezing van de feiten door de verdachte niet zou worden gevolgd, heeft de raadsman nog betoogd dat vrijspraak behoort te volgen van het onder 1 primair tenlastegelegde, omdat het enkele niet verlenen van voorrang onvoldoende is om schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan te nemen.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat de verdachte als zijn standpunt over de toedracht van het ongeval te kennen heeft gegeven dat hij, komende uit de richting van Poeldijk en gaande in de richting van Den Haag, vanwege een wegversperring door een vrachtwagen heeft willen keren op de Wateringseweg en (uiteindelijk) op de weghelft voor het autoverkeer richting Den Haag tot stilstand is gekomen omdat zijn motor vanwege een door hem verrichte omzetting van gas naar benzine afsloeg en zijn auto vervolgens op die weghelft is aangereden door de Renault Clio, nadat hij, reeds toen deze auto nog op geruime afstand van hem was, de inzittenden van die auto heeft willen doen stoppen door uit zijn auto te stappen en te gebaren en te schreeuwen.

Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk geworden, gelet op het volgende.

Uit het zich in het dossier bevindende technische onderzoek en de foto’s die zijn genomen na het ongeval (en ten aanzien waarvan – anders dan de verdachte stelt – geenszins aannemelijk is geworden dat deze zijn gemanipuleerd) volgt dat de remsporen die in verband kunnen worden gebracht met de Renault Clio, alsmede glas dat mogelijk afkomstig is van de linkerkoplamp van die auto, zich op de rijstrook voor het autoverkeer in de richting van Poeldijk bevonden. Dit wijst erop dat de botsing tussen de beide voertuigen, anders dan de verdachte stelt, op de rijstrook voor het verkeer in de richting van Poeldijk heeft plaatsgevonden.

Het hof is van oordeel dat deze technische bevindingen en hetgeen kan worden waargenomen op de foto’s veel beter passen bij de verklaringen die de beide inzittenden van de Renault Clio over de toedracht hebben afgelegd, inhoudende – kort samengevat – dat de verdachte met een aanzienlijke snelheid vanuit de betreffende zijstraat kwam rijden en hen daarbij geen voorrang verleende, waardoor de Renault Clio de auto van de verdachte aanreed. Het hof heeft de bewezenverklaring dan ook met name op die verklaringen gebaseerd. Het hof merkt dit rijgedrag van de verdachte onder de gegeven omstandigheden aan als zeer onvoorzichtig.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend.

het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 900,--, subsidiair 18 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 450,--, subsidiair 9 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten ongeval veroorzaakt door een voorrangsweg op te rijden, zonder daarbij voorrang te verlenen aan de op die weg rijdende Renault Clio. Ten gevolge van dit ongeval heeft de bijrijder van de Renault Clio zodanig lichamelijk letsel bekomen, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt onder meer dat het slachtoffer tot op heden lichamelijk nog steeds niet geheel is hersteld.

Voorts heeft de verdachte in een personenauto gereden die tegen wettelijke aansprakelijkheid niet verzekerd was. Dergelijk onverzekerd rijden getuigt van een gebrek aan verantwoordelijkheid ten opzichte van medeweggebruikers, voor wie dit verstrekkende gevolgen kan hebben in geval van een verkeersongeval zoals het onderhavige.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet vóór het plegen van de onderhavige feiten onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, en ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte, een passende en geboden reactie vormen.

De taakstraf en de ontzegging van de rijbevoegdheid zijn van een langere duur dan in eerste aanleg opgelegd, nu deze naar ’s hofs oordeel geen recht doen aan de ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde en mede in aanmerking genomen de landelijke oriëntatiepunten van de straftoemeting ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hetgeen ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht, is naar ’s hofs oordeel onvoldoende om in dit geval af te zien van een (deels) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 23, 24, 24c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 november 2011.