Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU4094

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
200.085.844-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het gezamenlijk uitoefenen van gezag wordt in hoger beroep alsnog toegewezen: de verhouding tussen de ouders is tussentijds verbeterd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 17 augustus 2011

Zaaknummer : 200.085.844/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-9313 en FA RK 08-9314

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. van Dijk te Oud-Beijerland,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Zuid-Holland en Zeeland,

locatie Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 18 april 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 januari 2011 van de rechtbank Dordrecht.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 29 april 2011 een brief van 28 april 2011 met bijlagen;

- op 29 april 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 6 juli 2011 een brief van 4 juli 2011, waarin de moeder onder meer meedeelt dat zij niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 13 juli 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de vader;

- mevrouw A. Timmers namens de raad.

De vader en de moeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 10 maart 2010 van de rechtbank Dordrecht en naar de bestreden beschikking.

Bij die laatste beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - een omgangsregeling bepaald tussen de vader en de minderjarige:

[A], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

[B], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

hierna tezamen ook te noemen: de minderjarigen,

waarbij de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vader zullen verblijven. De vader zal de minderjarigen - uit school - ophalen en hen - naar school - terugbrengen.

Het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de vader strekkende tot gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen, is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het gezag over de minderjarigen en de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen.

2. De vader verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze beschikking ziet op de afwijzing van de verzoeken van de vader tot het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling, en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek van de vader om partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarigen te belasten, wordt toegewezen, alsmede een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen inhoudende dat de minderjarigen de oneven weken alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vader verblijven, althans een zodanige regeling te treffen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De vader heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. In zijn eerste grief klaagt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico zal ontstaan dat de minderjarigen klem en verloren zullen raken tussen de ouders. In zijn tweede grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat door de communicatieproblemen tussen partijen een uitbreiding van de voorlopige omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen is.

4. De moeder deelt in haar bovenvermelde brief - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - mee dat de communicatie tussen haar en de vader goed verloopt, alsmede dat duidelijke afspraken zijn gemaakt omtrent de contactregeling tussen de vader en de minderjarigen: de even weken zijn de minderjarigen bij de moeder en haar echtgenoot, en de oneven weken bij de vader. De helft van de schoolvakanties zijn de minderjarigen bij de vader en de andere helft bij de moeder en haar echtgenoot. Door deze regeling zijn de spanningen tussen de vader en de moeder verdwenen en gaat het goed met zowel de minderjarigen als het contact tussen de vader en de moeder.

5. De raad heeft ter terechtzitting verklaard dat indien de communicatie tussen de vader en de moeder is verbeterd, de raad achter de door de vader verzochte contactregeling kan staan en dat ditzelfde geldt ten aanzien van het verzoek tot gezamenlijk gezag van de vader.

6. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft in hoger beroep verzocht om hem en de moeder met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen te belasten en om de contactregeling tussen hem en de minderjarigen uit te breiden. Bij het hof is ingekomen de brief van de moeder met de onder overweging 4 vermelde inhoud. De advocaat van de vader heeft de inhoud van de brief van de moeder ter terechtzitting bevestigd. De raad heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat nu de communicatie tussen partijen is verbeterd geen bezwaren meer bestaan tegen gezamenlijk gezag over de minderjarigen en uitbreiding van de contactregeling tussen de vader en de minderjarigen.

Gelet op het hiervoor overwogene is in de onderhavige zaak geen sprake van een situatie waarin bij toewijzing van het verzoek van de vader hem en de moeder met het gezamenlijk gezag te belasten een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren zouden raken tussen de vader en de moeder of van een situatie waarbij afwijzing anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. Het verzoek van de vader inzake het gezamenlijk gezag dient derhalve te worden toegewezen en de bestreden beschikking in zoverre te worden vernietigd.

7. Nu uit de zijdens de vader bevestigde inhoud van de brief van de moeder blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt omtrent de contactregeling tussen de vader en de minderjarigen, zal het hof overeenkomstig de in die brief gemelde regeling beslissen. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.

8. Hetgeen in hoger beroep verder naar voren is gebracht, behoeft - gelet op het vorenstaande - geen verdere bespreking.

9. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de vastgestelde omgangsregeling en de afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag van de vader betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Dordrecht;

stelt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast inhoudende dat de minderjarigen de oneven weken alsmede de helft van de schoolvakanties bij de vader verblijven en de even weken alsmede de andere helft van de schoolvakanties bij de moeder;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, De Haan-Boerdijk en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2011.