Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3946

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
22-001371-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan schending van artikel 1.4.3.3 van het ADNR zoals tenlastegelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001371-10

Parketnummer: 12-994852-08

Datum uitspraak: 22 juni 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Middelburg van 26 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

de naamloze vennootschap

[naam],

gevestigd [plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van EUR 5.000,-.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 16 september 2008 in de gemeente Borssele, al dan niet opzettelijk, op het binnenwater, de Van Cittershaven, (Steiger 3) handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij toen daar ten behoeve van het vervoer over de binnenwateren, het motortankschip [schip] geladen met de gevaarlijke stof Aardoliedestillaten, N.E.G. (NAFTA) (UN nummer 1268, klasse 3) zonder een of meer door de Minister van Verkeer en Waterstaat in het VBG (Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen) en/of het ADNR (Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn, zijnde de 1e Bijlage van het VBG voornoemd) gestelde regel(s) in acht te nemen,

immers heeft zij, verdachte, als vuller, in het kader van voorschrift 1.4.1. van het ADNR, niet gewaarborgd dat in de omgeving van het voorschip (een) geschikte middel(en) aanwezig was/waren om het schip, ook in noodgevallen, te verlaten, aangezien toen daar: aan de voorzijde van dat schip, het vluchtmiddel (een ladder/trap) 10 meter, althans meer dan (de maximaal toegestane) 5 meter, binnen de ladingzone was geplaatst/gepostioneerd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat het feit dat de verdachte aan de voorzijde van het motortankschip [schip] een vluchtmiddel heeft aangeboden dat meer dan vijf meter binnen de ladingzone was gepositioneerd, niet tot de conclusie kan leiden dat dit vluchtmiddel ongeschikt was. Het hof baseert zich daarbij op de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde deskundigen, die hebben verklaard - zakelijk weergegeven - dat de geschiktheid van een vluchtmiddel afhankelijk is van de aard van de calamiteit die bij verschillende productgroepen kan variëren. Dat het hiervoor bedoelde vluchtmiddel in de omgeving van het voorschip ongeschikt was om het schip, ook in noodgevallen, te verlaten, is gelet op het soort product waarmee het schip werd geladen en de daaraan verbonden mogelijke aard van calamiteit(en) niet gebleken. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan schending van artikel 1.4.3.3 van het ADNR zoals tenlastegelegd, zodat de verdachte behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius, mr. J.M. Reinking en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 juni 2011.

Dr. Fleers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.