Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3816

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
22-003987-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY4883, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BY4883
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot moord en verkrachting.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003987-11

Parketnummer: 10-691060-11 en 10-690061-10

Datum uitspraak: 9 november 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de op te leggen straf, en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg onder feit 3 gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1. (parketnummer 10-691060-11)

hij,

op of omstreeks 23 februari 2011 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade een persoon genaamd [benadeelde partij 1] van het leven te beroven,

met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal,

die [benadeelde partij 1] (terwijl die [benadeelde partij 1] tegen de trap was gevallen) met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of het hoofd en/of de nek en/of de buik, althans het lichaam, heeft gestoken en/of geprikt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 23 februari 2011 te Rotterdam,

aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een geperforeerde long), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of de buik te steken en/of te prikken;

2. (parketnummer 10-690061-10)

hij,

op of omstreeks 27 januari 2010 te Rotterdam,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [benadeelde partij 2], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk het:

- zich laten pijpen door die [benadeelde partij 2] en/of

- (meermalen) (ruw en/of hardhandig) vingeren van die [benadeelde partij 2] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis bij en/of in de vagina van die [benadeelde partij 2],

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het:

- (meermalen) slaan met een piano/keyboard en/of zijn hand(en) en/of stompen (tegen het hoofd) van die [benadeelde partij 2] en/of

- die [benadeelde partij 2] de woorden toevoegen: "Pijpen, pijpen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- (meermalen) aan de haren trekken van die [benadeelde partij 2] en/of

- zuigen aan en/of bijten in een tepel en/of een of meer borst(en) en/of een schouder en/of hals van die [benadeelde partij 2];

Subsidiair:

hij, op of omstreeks 27 januari 2010 te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij 2]), heeft geslagen met een piano/keyboard en/of zijn hand(en) en/of gestompt en/of (hardhandig) aan de haren heeft getrokken,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing omtrent de straf, de motivering daarvan, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], alsmede de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot die vordering van [benadeelde partij 2].

In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvulling van bewijsmiddelen aanbrengt.

Aanvulling bewijsmiddelen

De door de rechtbank in haar vonnis gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot het parketnummer

10-691060-11 vult het hof aan met het navolgende:

- het bewijsmiddel als opgenomen onder "1." dient te worden aangevuld met de volgende passages:

"Ik heb meer dan een uur gewacht" en "Ik was gewoon de weg kwijt".

Deze passages dienen te worden ingevoegd direct na de reeds opgenomen zin "Ik heb op haar gewacht totdat zij buiten zou komen."

- Het bewijsmiddel als opgenomen onder "2." dient te worden aangevuld met de volgende passage:

"Ik woon aan [adres]. Dat is een studentenflat. Op woensdag 23 februari 2011 ben ik naar de algemene voordeur gelopen."

Deze passage dient te worden opgenomen voorafgaande aan het reeds opgenomen tekstblok onder bewijsmiddel 2.

- het bewijsmiddel als opgenomen onder "4." dient te worden aangevuld met de volgende passage:

"De autosleutel [AACT0567NL] bevat geen scherpe randen en het is op basis daarvan af te leiden dat de oorspronkelijke beschadigingen in de jas [AACT0566NL] en de tas [AADU7383] niet middels deze sleutel veroorzaakt zijn. Dit wordt bevestigd door de uitgevoerde steekproeven."

Deze passage dient te worden opgenomen voorafgaande aan het reeds opgenomen tekstblok onder bewijsmiddel 4.

De door de rechtbank in haar vonnis gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot het parketnummer

10-690061-10 vult het hof aan met het navolgende:

- het bewijsmiddel als opgenomen onder "11." dient te worden aangevuld met de volgende passage:

"Ik woon in Rotterdam. Op woensdag 27 januari 2010 omstreeks 10.30 uur werd ik door hem gebeld. Ik heb toen opgenomen en [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) zei dat hij nog wat spullen op moest halen. Ik zei toen dat dat goed was. Ik heb hem toen gezegd dat hij meekon naar de dermatoloog. [bijnaam verdachte] is toen naar mij toegekomen en was omstreeks 11.00 uur bij mij."

Deze passage dient te worden opgenomen voorafgaande aan het reeds opgenomen tekstblok onder bewijsmiddel 11.

- het bewijsmiddel als opgenomen onder "12.", dient te worden aangevuld met de volgende passage:

"Volgens informatie huisarts met betrekking tot onderzoek/behandeling in het [ziekenhuis] op [datum]".

Deze passage dient te worden ingevoegd direct na de reeds opgenomen zin "Objectieve bevindingen".

- aan de bewijsmiddelen dient te worden toegevoegd als bewijsmiddel "14., het navolgende":

"Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL1710 2010030864-38 (als bijlage gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2010030864-1), opgemaakt en op 26 april 2010 ondertekend door [opsporingsambtenaar], voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant -zakelijk weergegeven-:

"Ik, verbalisant, heb de geluidsband, welke op

27 januari 2010 om 10.27 uur via het KLPD bij het CPA binnenkwam, bij de politiemeldkamer opgevraagd. Ik, verbalisant, heb nadat ik de opgevraagde geluidsbanden had ontvangen, de geluidsbanden beluisterd.

De geluidsband van het Korps landelijke politiediensten:

KLPD: Alarmcentrale 112, wie wilt u spreken?

Beller: [adres], politie en ambulance. Ik ga

misschien dood. Ik heb, ik bloed dood, [adres].

KLPD: U bent in [plaats]. Ik verbind u door met de

ambulance. Blijft u aan de lijn.

Beller: Ambulance."

- aan de bewijsmiddelen dient te worden toegevoegd als bewijsmiddel "15.", het navolgende:

"Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL1710 2010030864-13 (als bijlage gevoegd bij het (algemeen) proces-verbaal, nummer 2010030864-1), opgemaakt en op 27 januari 2010 ondertekend door [opsporingsambtenaar], voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, verrichtingen en/of bevindingen van de verbalisant -zakelijk weergegeven-:

Ik trof in de woonkamer van [adres] diverse bloeddruppels op de vloer en bloeddruppels tegen de wand van de kast en de muur, waartegen deze kast stond, aan.

- aan de bewijsmiddelen dient te worden toegevoegd als bewijsmiddel "16.", het navolgende:

"De verklaring van verdachte als afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 juli 2011, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

In de tijd dat ik met [benadeelde partij 1] omging hebben we [benadeelde partij 2] wel vaker gezien. Ze heeft wel eens "moordenaar" geroepen toen we haar op de markt tegenkwamen."

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich allereerst op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging moord, waarbij hij het slachtoffer [benadeelde partij 1] (verdachtes ex-vriendin) met een scherp voorwerp op verschillende plaatsen in haar lichaam, waaronder vitale lichaamsonderdelen, - te weten in de zij, het hoofd en in de nek ter hoogte van het linker schouderblad (waardoor een klaplong is ontstaan) - heeft gestoken. Door het slachtoffer dusdanig te verwonden heeft de verdachte een levensbedreigende situatie voor haar gecreëerd. Het slachtoffer heeft ten gevolge van verdachtes handelen dusdanig letsel overgehouden dat zij daar tot op de dag van vandaag hinder van ondervindt in haar dagelijkse bezigheden, getuige haar slachtofferverklaring zoals voorgelezen ter terechtzitting in hoger beroep. Voorts heeft zij blijvende littekens aan het voorval overgehouden en zal zij aldus in de toekomst iedere dag nog worden geconfronteerd met hetgeen zich op

23 februari 2011 te Rotterdam bij haar woning heeft afgespeeld.

Voorts overweegt het hof dat de verdachte met het misdrijf gepoogd heeft zijn ex-vriendin haar kostbaarste bezit, het leven, te ontnemen en daarmee blijk heeft gegeven van ontbrekend respect voor het menselijk leven. Het bewezen verklaarde delict draagt bovendien een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt daarnaast bij ieder die daarmee wordt geconfronteerd gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Dit geldt in het onderhavige geval te meer nu het voormelde misdrijf voor derden waarneembaar zich heeft voorgedaan en tenminste één persoon directe getuige is geweest van het handelen van de verdachte.

Voorts heeft de verdachte zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn ex-vrouw, mevrouw [benadeelde partij 2]. De verdachte heeft het slachtoffer, met toepassing van geweld, bestaande onder andere uit het slaan met een piano/keyboard tegen het hoofd van het slachtoffer en het trekken aan de haren, op brute wijze verkracht door haar onder andere vaginaal te penetreren. Het slachtoffer heeft daarbij de verdachte te kennen gegeven dat zij geen seks met hem wilde en dat zij pijn had. Desondanks is de verdachte doorgegaan met zijn handelingen. Door aldus te handelen heeft de verdachte op respectloze wijze ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft enkel oog gehad voor de onmiddellijke bevrediging van zijn eigen gevoelens zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. Ter terechtzitting in hoger beroep is de slachtofferverklaring van het slachtoffer mevrouw [benadeelde partij 2] voorgelezen. De ervaring leert dat slachtoffers van een ernstig delict als het onderhavige nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan ondervinden en het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep zelf geconstateerd dat de gebeurtenissen tot op de dag van vandaag heftige emoties bij het slachtoffer oproepen en nog steeds grote invloed hebben op haar leven.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op geen enkele wijze te kennen heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Integendeel; de verdachte vindt zichzelf slachtoffer van de gebeurtenissen en zegt boos te zijn op zijn ex-vrouw. Dit doet het ergste vrezen voor de toekomst, te meer nu de verdachte samen met het slachtoffer een kind heeft en de kans niet denkbeeldig is dat zij in de toekomst geconfronteerd zal worden met de verdachte.

Het hof heeft, in het nadeel van de verdachte, acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het hof rekent hem dit eveneens aan.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het Pro Justitia rapport, opgemaakt door drs. J.J. van der Weele, psycholoog, van 5 juli 2011 alsmede het Pro Justitia rapport, opgemaakt door dr. B.A. Blansjaar, psychiater, van 2 juni 2011. Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het Reclasseringsadvies, van Reclassering Nederland in de persoon van reclasseringsmedewerker

[reclasseringsmedewerker], van 16 mei 2011.

Uit het rapport van genoemde psycholoog blijkt dat bij de verdachte sprake is van afhankelijkheid van alcohol alsmede van een persoonlijkheidsstoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. De psychiater komt tot nagenoeg dezelfde conclusie. Deze concludeert dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van onderzochte, met name bestaande uit antisociale en (secundair) narcistische trekken en een deels daaruit voortkomende ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens in de vorm van alcoholafhankelijkheid. De psychiater ziet een verhoogde kans op herhaling, vooral door die alcoholafhankelijkheid. De psycholoog deelt deze conclusie. De psycholoog constateert voorts - vanwege de lichte scheefgroei van de persoonlijkheid - bij de verdachte de neiging om emoties langdurig op te kroppen, waarna de kans op disproportionele ontremming toeneemt. Het verbreken van een relatie is bij de verdachte een trigger voor dergelijke agressieve ontremming. De verdachte blijkt zeer gevoelig voor breuken in de relationele sfeer en derhalve wordt de kans op herhaling van geweldsmisdrijven als onderhavige groot geacht indien een dergelijke breuk zich weer voortdoet.

De psycholoog ziet voorts de maatregel van TBS voor de hand liggen bij eventuele nieuwe ernstige strafbare feiten.

Door beide gedragsdeskundigen Van der Weele en Blansjaar wordt geadviseerd om de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde als licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Het hof neemt deze conclusies over.

Het hof houdt tenslotte bij haar strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met de houding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte heeft geen enkel inzicht getoond in de strafbaarheid en de ernst van zijn handelen.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op rechterlijke uitspraken in soortgelijke zaken - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft mr. H. Bijlsma zich namens [benadeelde partij 2] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 5.456,-.

In eerste aanleg is de vordering toegewezen tot een bedrag van EUR 2.500,- ter zake van immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en heeft haar vordering als gedaan in eerste aanleg gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 299,-, bestaande uit de kosten voor de piano/ keyboard ad EUR 99,- en de kosten voor de nokia telefoon ad EUR 200,-, materiële schade is geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde. Naar 's hofs oordeel ontbreekt het rechtstreekse verband voor wat betreft de gevorderde kosten met betrekking tot de OV kaart. De vordering van de benadeelde partij ter zake van materiële zal derhalve tot een bedrag van EUR 299,- worden toegewezen, met afwijzing van het meer verzochte.

Immateriële schade

Het hof is voorts van oordeel dat - gelet op de aard van het opgelopen letsel, alsmede de ernst van het onderhavige feit - van oordeel dat er immateriële schade is geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van EUR 3.000,-, met afwijzing met het meer verzochte.

Het totaal toegewezen bedrag, EUR 3.299,-, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Het voorgaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 3.299,- aansprakelijk is voor de schade die door het 2 primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve het slachtoffer [benadeelde partij 2].

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen ten aanzien de straf, de motivering daarvan, alsmede de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot die vordering van [benadeelde partij 2] en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] terzake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

EUR 3.299,- (drieduizend tweehonderdnegenennegentig euro) bestaande uit EUR 299,- (tweehonderdnegenennegentig euro) materiële schade en EUR 3.000,- (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van EUR 3.299,- (drieduizend tweehonderdnegenennegentig euro) bestaande uit EUR 299,- (tweehonderdnegenennegentig euro) materiële schade en EUR 3.000,- (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 (zesenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met aanvulling van gronden en met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A.Th.M. Dekkers, mr. H.M.A. de Groot en mr. J.W. Wabeke, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 november 2011.

Mr. Dekkers is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.