Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3812

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
22-001153-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2010:BL4409, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft op 29 september 2009 als bestuurder van een vrachtauto op de rijksweg A15 te Gorinchem gereden. Deze rit is geëindigd in een zeer ernstig ongeval, waardoor twee personen om het leven zijn gekomen. Verdachte heeft meermalen de matrixborden niet gezien dan wel genegeerd, de file voor hem veel te laat opgemerkt en is met een te hoge snelheid tegen het voertuig van [slachtoffer 1] aangereden, welk voertuig vervolgens tegen het voertuig van [slachtoffer 2] is gebotst. Beiden zijn ten gevolge daarvan komen te overlijden.

Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. De verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op uiterst laakbare wijze miskend.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, aslmede tot een rijontzegging van 3 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

8Rolnummer: 22-001153-10

Parketnummer: 11-800440-09

Datum uitspraak: 10 november 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 18 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1950,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 27 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met als bijkomende straf de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 29 september 2009 te Gorinchem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A15, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers

heeft hij verdachte niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik op het verkeer en/of de weg gehouden en/of

heeft hij verdachte geen gevolg gegeven aan een of meer borden A3 van de Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met daarop de aanduiding maximumsnelheid

70 (kilometer per uur) (geplaatst boven de rijstroken 1 en 2 van de Rijksweg A15, op een afstand van 900 meter voor de plaats van het ongeval) en/of

50 (kilometer per uur) (geplaatst boven de rijstroken 1 en 2 van de Rijksweg A15, op een afstand van respectievelijk 520 en 120 meter voor de plaats van het ongeval),

terwijl er op die weg een file van (bijna) stilstaande motorrijtuigen (auto's) was ontstaan, waardoor hij met zijn motorrijtuig (vrachtauto) met een snelheid gelegen tussen de ongeveer 74 en 69 kilometer per uur, op de in de file opgestelde motorrijtuigen (auto's), althans op een in de file opgesteld motorrijtuig (auto) is ingereden

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar onvoldoende afstand gehouden ten opzichte van de voor hem (langzaam) rijdende en/of stilstaande motorrijtuigen (auto's)

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar, -gelet op de verkeerssituatie- zijn snelheid niet zodanig geregeld, dat hij verdachte, dat motorrijtuig (vrachtauto) tot stilstand kon brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

heeft hij, verdachte, toen en aldaar niet of niet tijdig geremd en/of niet, althans onvoldoende uitgeweken, toen de voor hem rijdende motorrijtuigen (auto('s), (sterk) afremden dan wel stopten, in verband met het feit, dat er sprake was van filevorming op die weg,

waardoor hij verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto), tegen (een) voor hem op dezelfde weg in dezelfde richting rijdend(e) motorrijtuig(en) (auto('s) is aangereden en/of aangebotst

waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) werd(en) gedood;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 september 2009 te Gorinchem als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A15,

heeft hij verdachte niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik op het verkeer en/of de weg gehouden en/of

heeft hij verdachte geen gevolg gegeven aan een of meer borden A3 van de Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met daarop de aanduiding maximumsnelheid

70 (kilometer per uur) (geplaatst boven de rijstroken 1 en 2 van de Rijksweg A15, op een afstand van 900 meter voor de plaats van het ongeval) en/of

50 (kilometer per uur) (geplaatst boven de rijstroken 1 en 2 van de Rijksweg A15, op een afstand van respectievelijk 520 en 120 meter voor de plaats van het ongeval),

terwijl er op die weg een file van (bijna) stilstaande motorrijtuigen (auto's) was ontstaan, waardoor hij met zijn motorrijtuig (vrachtauto) met een snelheid gelegen tussen de ongeveer 74 en 69 kilometer per uur, op de in de file opgestelde motorrijtuigen (auto's), althans op een in de file opgesteld motorrijtuig (auto) is ingereden

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar onvoldoende afstand gehouden ten opzichte van de voor hem (langzaam) rijdende en/of stilstaande motorrijtuigen (auto's)

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar, -gelet op de verkeerssituatie- zijn snelheid niet zodanig geregeld, dat hij verdachte, dat motorrijtuig (vrachtauto) tot stilstand kon brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar niet of niet tijdig geremd en/of niet, althans onvoldoende uitgeweken, toen de voor hem rijdende motorrijtuigen (auto('s), (sterk) afremden dan wel stopten, in verband met het feit, dat er sprake was van filevorming op die weg,

waardoor hij verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto), tegen (een) voor hem op dezelfde weg in dezelfde richting rijdend(e) motorrijtuig(en) (auto('s) is aangereden en/of aangebotst

waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) werd(en) gedood

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 september 2009 te Gorinchem als bestuurder van een voertuig (vrachtauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers ontstond toen aldaar een aanrijding en/of botsing met (een) voor hem op dezelfde weg zich bevindend(e) voertuig(en).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 september 2009 te Gorinchem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A15, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te rijden, immers

heeft hij verdachte niet voortdurend zijn volledige aandacht op het verkeer en de weg gehouden en

heeft hij verdachte geen gevolg gegeven aan meer borden A3 van de Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met daarop de aanduiding maximumsnelheid

70 (geplaatst boven de rijstroken 1 en 2 van de Rijksweg A15, op een afstand van ongeveer 900 meter voor de plaats van het ongeval) en/of

50 (geplaatst boven de rijstroken 1 en 2 van de Rijksweg A15, op een afstand van respectievelijk ongeveer 520 en ongeveer 120 meter voor de plaats van het ongeval),

terwijl er op die weg een file van stilstaande motorrijtuigen was ontstaan, waardoor hij met zijn motorrijtuig (vrachtauto) met een snelheid gelegen tussen de ongeveer 74 en ongeveer 69 kilometer per uur, op een motorrijtuig (auto) is ingereden

en

heeft hij verdachte toen en aldaar, -gelet op de verkeerssituatie- zijn snelheid niet zodanig geregeld, dat hij verdachte, dat motorrijtuig (vrachtauto) tot stilstand kon brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was

waardoor hij verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto), tegen een voor hem op dezelfde weg in dezelfde richting rijdende auto is aangebotst

waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) werden gedood;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsverweren

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de verdachte van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Dit standpunt is allereerst onderbouwd met het betoog dat het ongeluk te wijten is aan het rijgedrag van de bestuurder van een lichtgekleurde/witte auto die kort voor het ongeluk de vrachtauto van de verdachte heeft ingehaald en plotseling is ingevoegd tussen de vrachtauto en de file, zodat niet kan worden volgehouden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en oplettend heeft gereden.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Voornoemd betoog is gebaseerd op de door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring die - zakelijk weergegeven - inhoudt dat verdachte op 29 september 2009 op een hem bekend filegevoelig traject en tijdstip zijn vrachtwagen bestuurde met een snelheid van ongeveer 81 kilometer per uur en op een afstand van 500 tot 600 meter de staart van een file opmerkte. Tussen de vrachtauto van de verdachte en de staart van de file bevonden zich toen geen andere auto's. Verdachte is toen gaan afremmen op de motor en heeft teruggeschakeld en verwachtte daarmee voor de file tot stilstand te komen. Tijdens het verminderen van de snelheid keek hij in zijn spiegels en nam hij in een split second waar dat hij door een witte auto met aanzienlijke snelheid werd ingehaald. Het volgende moment zag hij remlichten voor zich, remde hij hard en maakte hij een stuurbeweging naar rechts om uit te wijken. Vervolgens heeft hij de witte auto voor de file aangereden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op 29 september 2009, proces-verbaalnummer 2009000504-2, heeft de verdachte verklaard dat hij lekker doorreed en op een gegeven moment op een afstand van 100 tot 150 meter allemaal remlichten zag branden, dat hij toen vol is gaan remmen, zag dat hij zijn voorganger ging raken en toen, omdat er ruimte was, naar rechts is uitgeweken, de vrachtwagen voelde zoeken en de grip op de weg kwijt was en toen zijn voorganger, een zilverkleurige personenauto heeft geraakt. Desgevraagd voegde verdachte daar nog aan toe dat hem was opgevallen dat er voordat hij remlichten zag geen filevorming was.

Op 23 november 2009, proces-verbaalnummer 2009000504-29, heeft de verdachte verklaard dat hij nog weet dat hij in zijn linker spiegel zag dat hij links werd ingehaald door een witte auto die haast had, dat hij, toen hij weer vooruit keek allemaal remlichten zag, dat hij naar rechts is uitgeweken omdat links van hem een auto zat en dat hij tijdens het remmen voelde dat zijn vrachtauto begon te springen en dat je, wanneer dat gebeurt, de controle kwijt bent. Desgevraagd voegde verdachte daaraan nog toe: "Je kijkt naar links en ziet die auto, toen keek ik naar voren en zag ik die file. Toen ben ik gaan remmen. In feite was ik gewoon te laat."

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte bovendien nog verklaard: Een witte of licht gekleurde auto haalde mij in. Ik heb die auto daarna niet meer gezien.

Naar het oordeel van het hof vertoont de door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gegeven lezing van het gebeurde op een drietal essentiële punten een zo grote discrepantie met het beeld dat ontstaat uit diens ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen dat zonder nadere verklaring van de verdachte het alternatieve scenario dat hij ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2011 naar voren heeft gebracht niet verenigbaar is met diens eerdere verklaringen.

Het gaat daarbij allereerst om de afstand waarop verdachte heeft verklaard (de remlichten aan de staart van) de file te hebben waargenomen (op 100 tot 150 m. afstand, zoals hij aanvankelijk verklaarde, dan wel op 500 tot 600 meter afstand), voorts om de positie waar de auto die hem inhaalde zich bevond toen verdachte naar rechts uitweek (links van hem, zoals hij aanvankelijk verklaarde, tegenover voor hem) en tenslotte om de vraag of hij de ingehaald hebbende auto heeft geraakt of niet (zoals hij aanvankelijk verklaarde).

Verdachte is ter terechtzitting opmerkzaam gemaakt dat hij niet eerder heeft verklaard dat hij de auto waardoor hij werd ingehaald heeft geraakt. Desondanks heeft hij er geen verklaring voor verstrekt dat hij aldus op zijn eerdere lezing is teruggekomen.

Het hof houdt de verdachte aan zijn op 29 september 2009 bij de politie afgelegde verklaring, proces-verbaal nummer 2009000504-2, nu deze verklaring direct na het ongeval is afgelegd, niets erop wijst dat de verdachte tijdens die verklaring niet of verminderd in staat was om overeenkomstig zijn wil te verklaren en hij juist uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven afstand te doen van zijn recht op rechtsbijstand en gewoon te willen vertellen wat er is gebeurd. Voorts komt deze verklaring grotendeels overeen met de verklaring die de verdachte op 23 november 2009 bij de politie heeft afgelegd en is zij wel verenigbaar met de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring.

Verdachte heeft op 29 september 2009 verklaard dat hij de remmanoeuvre heeft ingezet zodra hij remlichten zag en naar rechts is uitgeweken en niet naar links omdat hij op dat moment door een witte auto werd ingehaald. Nu op grond van deze verklaring van verdachte zelf moet worden uitgesloten dat de witte auto waardoor hij werd ingehaald zich tussen de file en verdachtes vrachtwagen bevond op het moment dat verdachte de remmanoeuvre begon, verwerpt het hof het door en namens de verdachte uiteengezette alternatieve scenario, waarbij het hof opmerkt dat -anders dan door de verdediging is gesteld- in de overige inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen steun is aangetroffen voor dat alternatieve scenario.

Bij gevolg acht het hof nader technisch onderzoek, teneinde voornoemd alternatief scenario te onderzoeken, zoals namens de verdachte ter terechtzitting voorwaardelijk is verzocht, niet noodzakelijk, zodat dat verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte van het primair tenlastegelegde, namelijk het feit dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, vrijgesproken dient te worden. Ter adstructie van haar standpunt heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat de verdachte hooguit verweten kan worden dat hij zich niet aan de aangegeven snelheidsbeperking heeft gehouden maar dat enkel dit verwijt onvoldoende is voor grove schuld, een en ander zoals nader omschreven in haar ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen.

Of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zo stelt de verdediging, hangt af van verschillende factoren, zoals de aard en de ernst daarvan alsmede van de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Naar het oordeel van het hof staan op grond van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte reed op 29 september 2009 als ook ter plaatse ervaren bestuurder van een vrachtauto over de rechterrijbaan van de autosnelweg A15 bij Gorinchem, komende uit de richting Tiel en gaande in de richting van Rotterdam. Blijkens onderzoek waren de elektronische signaleringsborden en de knipperbollen in werking en gaven zij een maximumsnelheid van 70 respectievelijk 50 en 50 kilometer per uur aan. De verdachte heeft deze matrixborden met snelheidsbeperkingen en knipperbollen niet opgemerkt en heeft zijn snelheid niet aan deze normen aangepast. Doordat hij aldus een verboden en ook naar de verkeersomstandigheden ter plaatse te hoge snelheid had, was hij niet in staat om tijdig te reageren op de file voor hem, welke file hij zodoende te laat heeft opgemerkt. Hij is dientengevolge te laat gaan remmen. Verdachte is met de linkervoorzijde van zijn vrachtauto tegen de rechterachterzijde van het voertuig van de bestuurder van een Volkswagen gebotst. Na de botsconfrontatie tussen de verdachte en de Volkswagen botste de Volkswagen vervolgens met de voorzijde tegen de achterzijde van een Citroën.

Het hof is van oordeel dat uit de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte kan worden afgeleid dat het rijgedrag van de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het ongeval zeer onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Immers, de verdachte is een zeer ervaren vrachtautochauffeur die bekend was met de weg en de filegevoeligheid hiervan. Hij heeft drie brandende matrixborden, de knipperbollen en de file niet in acht genomen dan wel te laat opgemerkt. Doordat hij zijn snelheid niet adequaat heeft aangepast, kon hij niet op tijd voor de file tot stilstand komen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, alsmede dat de verdachte de bevoegdheid wordt ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 29 september 2009 als bestuurder van een vrachtauto op de rijksweg A15 te Gorinchem gereden. Deze rit is geëindigd in een zeer ernstig ongeval, waardoor twee personen om het leven zijn gekomen. Verdachte heeft meermalen de matrixborden niet gezien dan wel genegeerd, de file voor hem veel te laat opgemerkt en is met een te hoge snelheid tegen het voertuig van [slachtoffer 1] aangereden, welk voertuig vervolgens tegen het voertuig van [slachtoffer 2] is gebotst. Beiden zijn ten gevolge daarvan komen te overlijden.

Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. De verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op uiterst laakbare wijze miskend.

Door verdachtes handelen is het leven aan twee personen ontnomen en hun nabestaanden onpeilbaar leed berokkend, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting door de nabestaande van [slachtoffer 1] voorgedragen verklaring.

Ondanks het feit dat het hof vaststelt dat de verdachte - die al 40 jaar als beroepschauffeur aan het verkeer deelneemt - niet eerder met justitie in aanraking is gekomen, is het hof van oordeel dat de hier in het geding zijnde verkeersveiligheid zwaarder weegt dan hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht omtrent diens belang bij het behoud van zijn rijbewijs. Daarbij betrekt het hof dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de matrixborden wel heeft gezien, maar niet heeft opgemerkt. Verdachte heeft er met deze verklaring blijk van gegeven dat de verkeersveiligheid door zijn normbesef alleen niet toereikend wordt gewaarborgd. Derhalve kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de ontzegging van de rijbevoegdheid zoals in eerste aanleg opgelegd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur geboden is. Uit oogpunt van normhandhaving en ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het primair bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen bij de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. T.L Tan en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 november 2011.

Dr. G.J. Fleers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.