Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3803

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
MHD 200.039.113 T2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BI6984
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van tussenarrest van 20 juli 2010 LJN BN2818

Schadevergoeding na mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer MHD 200.039.113

arrest van de vierde kamer van 11 januari 2011

in de zaak van

1. [Appellant sub 1.],

wonende te [woonplaats],

2. [Appellant sub 2.],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. ir. M.F.P.M. Brogtrop,

tegen:

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.T.J. Schieman,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 juli 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg onder nummer 62660/HA ZA 08-212 gewezen vonnis van 1 april 2009.

6. Het tussenarrest van 20 juli 2010

Bij genoemd arrest is de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant sub 1.] en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7 Het verdere verloop van de procedure

[Appellant sub 1.] c.s. heeft een akte na tussenarrest genomen en daarbij producties (genummerd 25 t/m 28) overgelegd.

[Geintimeerde] heeft daarop onder overlegging van producties (genummerd 2 en 3) geantwoord.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en wederom uitspraak gevraagd.

8 De verdere beoordeling

bewijs van de gestelde arbeidsongeschiktheid

8.1. Het hof heeft in genoemd arrest in rechtsoverweging 4.7.2 overwogen het gelet op de aard van het letsel voldoende aannemelijk te achten dat [appellant sub 1.] enige tijd niet kon werken, maar dat op grond van de overgelegde verklaringen door [appellant sub 1.] evenwel nog niet was aangetoond dat hij gedurende de genoemde periode geheel en daadwerkelijk niet in staat is geweest om te werken. [appellant sub 1.] is daarop in de gelegenheid gesteld de duur en de mate van de gestelde arbeidsongeschiktheid aan te tonen door het overleggen van een nadere verklaring van zijn kaakchirurg aan een door [appellant sub 1.] aan te wijzen medisch adviseur, bij voorkeur een zelfstandig verzekeringsarts of bedrijfsarts.

8.2. [Appellant sub 1.] heeft de aanwijzingen van het hof niet geheel opgevolgd. [appellant sub 1.] heeft namelijk als medisch adviseur een kaakchirurg, dr. [A.], aangezocht en dus niet zoals voorgesteld een verzekeringsarts of bedrijfsarts. Kaakchirurg [A.] heeft na contact te hebben opgenomen met collega [B.], de behandelend kaakchirurg van [appellant sub 1.], en na bestudering van het dossier van [appellant sub 1.] bij brief van 7 september 2010 aan de advocaat van [appellant sub 1.] advies uitgebracht. In zijn brief schrijft [A.] dat gezien de beperkte dislocaties van de fracturen van [appellant sub 1.] er geen operaties zijn uitgevoerd, er was dus sprake van een conservatief beleid waarbij spontane genezing werd afgewacht. Er werd door collega [B.] een advies meegegeven voor zachte voeding omdat [appellant sub 1.] geen prothese in onder- en bovenkaak kon dragen en een snuit- en tilverbod. Na 4 weken is [appellant sub 1.] gezien voor controle in het ziekenhuis en daarbij bleek dat sprake was van een ongestoorde genezing. In principe kan, aldus [A.], na een periode van 4 tot 6 weken en een ongestoorde genezing weer kracht op de breuk worden uitgeoefend zodat er geen beperkingen meer zijn met betrekking tot het tillen en snuiten, hetgeen overeenkomt met een normale periode van 6 weken beperkte belasting waarna de belasting weer langzaam kan worden opgebouwd. Na de éénmalige controle na 4 weken is [appellant sub 1.] niet meer terug gezien door kaakchirurg [B.].

8.3. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant sub 1.] op grond van deze verklaring, gelezen in onderling verband en samenhang met de verklaring van dr. [B.], voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten gevolge van de mishandeling door [geintimeerde] gedurende enige tijd in het geheel niet en daarop aansluitend gedurende een korte periode slechts gedeeltelijk heeft kunnen werken. Nu er bij [appellant sub 1.] sprake was van een ongestoorde genezing concludeert [A.] dat er bij [appellant sub 1.] sprake is geweest van een normale periode van 6 weken beperkte belasting na een factuur, waarna de belasting weer langzaam kon worden opgebouwd. Op grond van deze verklaring komt het hof schattenderwijs tot het oordeel dat [appellant sub 1.] gedurende een periode van twee weken (de weken 4 en 5 van 2007, dus 22 januari 2007 tot en met 2 februari 2007) voor 100% arbeidsongeschikt is geweest, daarna gedurende een periode van drie weken (de weken 6 , 7 en 8, derhalve van 5 februari 2007 tot en met 23 februari 2007) voor 50% en voor de daarop volgende periode van drie weken (de weken 9, 10 en 11 van 2007, 26 februari tot en met 16 maart 2007) voor 75%. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gelet op de aard van het letsel en het voorspoedig herstel daarvan [appellant sub 1.] als meewerkend voorman vrij snel weer in staat moet zijn geweest om zijn (organisatorische en begeleidende) werkzaamheden te hervatten.

Dit betekent dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat [appellant sub 1.], die naar onweersproken is gesteld 50 uur per week werkt, ten gevolge van de mishandeling in totaal 212,50 uur niet heeft kunnen werken.

8.4. [Geintimeerde] herhaalt evenwel in de antwoordakte na tussenarrest zijn bewijsaanbod. [Geintimeerde] blijft, zo begrijpt het hof, bij zijn betwisting dat [appellant sub 1.] ten gevolge van de mishandeling arbeidsongeschikt is geworden. Thans legt [geintimeerde] naast de reeds eerder overgelegde verklaringen van onder meer [C.] een verklaring over van [D.]. Deze verklaart dat hij tijdens zijn werkzaamheden in februari en maart 2007 op een terrein van de Sterre in [plaatsnaam] heeft gezien dat [appellant sub 1.] net als hijzelf bezig was met het ontkisten en ontspijkeren van funderingswerkzaamheden als ook dat [appellant sub 1.] planken op een aanhanger van een auto heeft geladen, waarvan hijzelf bestuurder was.

Ook legt [geintimeerde] wederom een verklaring over van [C.]. Deze bevestigt zijn eerdere verklaring en voegt daaraan toe dat hij is gebeld door [appellant sub 1.] met het verzoek zijn eerdere verklaring in te trekken. Voorts bevestigt [C.] in deze verklaring van 19 september 2010 dat [D.] met hem op project [projectnaam] aanwezig was.

Het hof is thans op grond van deze verklaringen, gelezen in onderling verband en samenhang met de reeds overgelegde verklaringen, van mening dat [geintimeerde] zijn betwisting voldoende heeft gemotiveerd. Het hof zal [geintimeerde] daarom toelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands door het hof aangenomen omvang en mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant sub 1.]

8.5. [Appellant sub 1.] komt in randnummer 14 van de akte na tussenarrest op tegen de door het hof in r.o. 4.12 aangenomen mate van eigen schuld van 10%. Het hof merkt reeds nu op in hetgeen [appellant sub 1.] dienaangaande opmerkt geen aanleiding te zien terug te komen op de in r.o. 4.12 neergelegde bindende eindbeslissing. Het hof heeft zich bij dit oordeel immers gebaseerd op feiten en omstandigheden, blijkende uit overgelegde proces-verbaal van politie (prod. 2 t.m 6 CvA). Hetgeen [appellant sub 1.] dienaangaande opmerkt, berust op een andere waardering van die feiten en omstandigheden, niet op een andere feitelijke grondslag (zie HR 26 november 2010, LJN: BN8521). Dit tekent dat ingeval [geintimeerde] niet mocht slagen in het hem opgedragen tegenbewijs 10% van de schade voor rekening van [appellant sub 1.] blijft. In dat geval zal het vonnis moet worden vernietigd voor zover de schade volledig is toegewezen.

8.6. In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beoordeling aangehouden.

9. De uitspraak

Het hof:

laat [geintimeerde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de hiervoor in onderdeel 8.4 van dit arrest door het hof voorshands aangenomen mate en duur van de arbeidsongeschiktheid van [appellant sub 1.];

bepaalt, voor het geval [geintimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Vermeulen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 25 januari 2011 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op dinsdagen en woensdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rol dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geintimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Vermeulen en Van Veen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 januari 2011.