Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3536

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
200.080.850-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Hoe het eigen aandeel in de kosten van de kinderen te bepalen in een situatie waarin ten tijde van de samenleving van de ouders een kind niet het kind van de vader was en het jongste kind op dat moment (het samenleven) nog niet geboren was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 oktober 2011

Zaaknummer : 200.080.850/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 10-144

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.A. Beekman te Leiden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.W. Autar-Matawlie te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 21 januari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 oktober 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 29 april 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 30 maart 2011 een brief van 29 maart 2011 met bijlagen;

- op 11 juli 2011 een faxbericht met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 13 juli 2011 een faxbericht met bijlagen.

De zaak is op 14 juli 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door mr. I.D.C.J. van Driel, een kantoorgenoot van zijn advocaat.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man aan de moeder met ingang van 21 oktober 2010, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de na te noemen minderjarigen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 55,-- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 1];

[minderjarige 2], geboren [in] 2006 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2], en

[minderjarige 3], geboren [in] 2008 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 3], hierna ook gezamenlijk: de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:), opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man aan de moeder met ingang van 15 juli 2008, althans 7 september 2009, althans 6 januari 2010, als kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen bij vooruitbetaling zal betalen een bedrag van in totaal € 280,-- per maand, althans € 93,33 per kind per maand en vermeerderd met iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze minderjarigen kan of zal worden verleend, althans een zodanig bedrag als het hof redelijk acht, evenwel niet lager dan € 55,50 per maand per kind. Alles bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 6 januari 2010, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum, evenwel niet gelegen na 21 oktober 2010.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof (naar het hof begrijpt:) de verzoeken van de moeder af te wijzen, althans haar niet-ontvankelijk te verklaren. Na wijziging van zijn verzoek in voorwaardelijk incidenteel appel ter terechtzitting, verzoekt de man thans in voorwaardelijk incidenteel appel indien de bestreden beschikking wordt vernietigd - het inleidend verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie alsnog af te wijzen nu de man geen draagkracht heeft, althans de kinderalimentatie niet hoger vast te stellen dan gedaan door de rechtbank Rotterdam.

Indiening nadere stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling

4. De door de man op 13 juli 2011 overgelegde stukken zijn buiten de termijn van tien kalenderdagen als bedoeld in artikel 1.4.3 van het geldende procesreglement overgelegd. Het hof zal toch acht slaan op die stukken, nu deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn.

Ingangsdatum

5. Het hof ziet in de stellingen van de moeder geen reden om van de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum van 21 oktober 2010 af te wijken en verenigt zich in zoverre met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof zal dit verzoek van de moeder dienaangaande dan ook afwijzen.

Eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen (behoefte)

6. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man aan haar als bijdrage ten behoeve van de minderjarigen een bedrag van € 55,-- per maand per kind dient te betalen. De moeder voert daartoe ten eerste aan dat de behoefte van de minderjarigen hoger ligt dan door de rechtbank vastgesteld. Zij stelt dat het netto gezinsinkomen niet € 1.155,-- per maand bedroeg, doch € 1.260,-- per maand, nu partijen destijds een bijstandsuitkering genoten. Daarnaast dient bij de bepaling van de behoefte van de minderjarigen geen rekening te worden gehouden met het oudste kind van de moeder (waarvoor de man niet onderhoudsplichtig is). De behoefte (kosten) van de minderjarigen komt daarmee op een bedrag van € 93,33 per maand per kind in plaats van € 82,50 per maand per kind.

7. De man betwist de stellingen van de moeder gemotiveerd.

8. Het hof is van oordeel dat de grief van de moeder ten aanzien van het netto gezinsinkomen terecht is voorgesteld. Vast is komen te staan dat partijen tijdens het feitelijk uiteengaan in juli 2008 een bijstandsuitkering genoten. Nu de bijstandsnorm voor ongehuwd samenwonenden in 2008 € 1.260,-- per maand bedroeg, zal het hof van dit netto gezinsinkomen in de periode voorafgaande aan het uiteengaan van de ouders uitgaan bij de bepaling van de behoefte van de minderjarigen.

9. Ten aanzien van de grief van de moeder voor zover deze betrekking heeft op het al dan niet rekening houden met het oudste kind van de moeder (geen kind van de man) bij de bepaling van de behoefte van de minderjarigen slaagt deze in zoverre dat het hof - met de moeder - van oordeel is dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de minderjarigen van een onjuiste tabel eigen aandeel kosten van kinderen is uitgegaan. Echter, anders dan de moeder stelt, dient naar het oordeel van het hof de behoefte van de oudste twee minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in beginsel afzonderlijk te worden bepaald van de jongste minderjarige [minderjarige 3], nu laatstgenoemde ten tijde van het uiteengaan van partijen nog niet was geboren. Gelet op deze omstandigheid zal het hof bij de bepaling van de behoefte en het eigen aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de tabel eigen bijdrage kosten van kinderen voor drie kinderen hanteren, nu het gezin van partijen ten tijde van het verbreken van de samenleving, naast de man en de moeder, uit drie minderjarige kinderen bestond. Op grond van die tabel en het hiervoor gemelde netto gezinsinkomen in 2008 van € 1.260,-- per maand, kan de behoefte worden gesteld op € 91,-- per maand per kind.

10. Voor het bepalen van de behoefte van [minderjarige 3] zal het hof aanknopen bij voormelde behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het hof overweegt daartoe als volgt. [minderjarige 3] heeft nooit in gezinsverband met de moeder en de man heeft geleefd, in welk geval bij de bepaling van zijn behoefte in beginsel in gelijke mate rekening dient te worden gehouden met de feitelijke situatie van elk van beide partijen destijds, dan wel een latere situatie indien het inkomen van één van partijen boven het destijds in aanmerking genomen inkomen uitstijgt. Bij gebreke van verdere gegevens over de feitelijke situatie direct na de geboorte van [minderjarige 3] en andere behoeftebepalende omstandigheden en gelet op de ontwikkeling van het inkomen van de man, acht het hof het in de onderhavige zaak juist en redelijk om voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van een gelijke behoefte uit te gaan.

11. Nu de moeder een uitkering ontvangt op basis van de Wet werk en inkomen en gelet op de hoogte daarvan geen draagkracht heeft een bijdrage te leveren in het eigen aandeel van de kosten van de minderjarige, behoeft naar het oordeel van het hof geen draagkrachtvergelijking te worden gemaakt ter bepaling van ieders aandeel in de kosten van de minderjarigen.

Draagkracht van de man

12. De moeder heeft aangevoerd dat de draagkracht van de man hoger is dan het bedrag waarvan de rechtbank is uitgegaan. In dat verband heeft de moeder de woonlasten en – ter zitting – andere lasten van de man betwist en aangevoerd dat van een hoger inkomen moet worden uitgegaan.

13. De man betwist dit gemotiveerd en heeft, vanwege een wijziging in zijn omstandigheden, een nieuwe draagkrachtberekening overgelegd bij zijn brief van 13 juli 2011.

14. Het hof gaat aan de ongemotiveerde en niet, dan wel onvoldoende, door de moeder onderbouwde stellingen ten aanzien van de mogelijkheden van de man om een groter inkomen te verdienen en de inspanningsverplichting die hij volgens haar heeft om zijn inkomen te vergroten, voorbij en zal aan de man geen (extra) verdiencapaciteit toedichten.

Inkomen

15. Wat betreft het inkomen van de man zal het hof, evenals de rechtbank, voor de periode tot 17 juni 2011 uitgaan van zijn dienstverband bij [X] B.V. waarbij hij bij een werkweek van 38 uur een bruto uurloon van € 8,76, exclusief vakantiegeld, ontving.

16. Bij faxbericht van 13 juli 2011 is het hof gebleken dat deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet is verlengd en van rechtswege is geëindigd op 17 juni 2011. Per deze datum is de man door tussenkomst van uitzendorganisatie [Y] B.V. werkzaam als magazijnmedewerker bij [Z] en heeft hij tegen een bruto uurloon van € 9,-- onregelmatig werk en dienovereenkomstig inkomen. Door de man is onweersproken gesteld dat zijn inkomen sindsdien circa € 100,-- per maand lager is dan tijdens zijn oude werk.

17. Het hof zal gelet op het voorgaande bij de bepaling van het inkomen van de man voor de bepaling van zijn draagkracht derhalve uitgaan van twee periodes, te weten de periode tot 17 juni 2011 en de periode met ingang van 17 juni 2011. Voor de periode tot 17 juni 2011 gaat het hof uit van een jaarloon van € 17.309,-- te vermeerderen met vakantietoeslag. Vanaf

17 juni 2011 zal het hof uitgaan van het door de man in zijn draagkrachtberekening opgevoerde - en door de moeder niet betwiste - feitelijke bruto jaarinkomen van € 16.088,40 te vermeerderen met vakantietoeslag.

Lasten

Woonlasten

18. Nu onbetwist is komen vast te staan dat de man de woonlasten met zijn huidige partner kan delen, zal het hof voor de periode tot en met februari 2011 rekening houden met de helft van de door de man bij de rechtbank opgevoerde woonlasten van in totaal € 568,-- per maand, oftewel een huurlast van € 284,-- per maand.

Ter terechtzitting is het hof gebleken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden aangezien de man samen met zijn huidige partner thans een koopwoning heeft betrokken, die door deze laatste is gefinancierd. Nu de man ter onderbouwing van zijn huidige woonlasten als bijlage bij zijn verweerschrift een herinneringsbrief van AEGON tot betaling van de maandelijkse hypotheekrente, gedateerd 3 maart 2011, heeft overgelegd, acht het hof redelijk om vanaf 1 maart 2011 rekening te houden met de helft van de woonlasten van de man, voor zover deze betrekking heeft op de hypotheekrente van € 782,97,-- per maand, ofwel € 391,49 per maand. Geen rekening wordt gehouden met de overige opgevoerde woonlasten van deze woning (premie spaarhypotheekverzekering van € 224,07 per maand en de overige eigenaarslasten ten bedrage van € 95,-- per maand), nu niet aannemelijk is geworden dat de man deze lasten daadwerkelijk betaalt.

Premie ziektekostenverzekering

19. Het hof houdt rekening met een premie ziektekostenverzekering van € 106,50 per maand, nu deze het hof niet onredelijk voorkomt. Het hof betrekt daarbij het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel. Geen rekening wordt echter gehouden met een eigen risico (van € 13,75 per maand; in de door de man overgelegde draagkrachtberekening is abusievelijk € 165,-- per maand opgenomen terwijl dit een jaarbedrag betreft), nu de man niet heeft aangetoond dat hij deze kosten daadwerkelijk maakt.

Premies arbeidsongeschiktheidsverzekering/oudedagsvoorziening en aflossing schulden

20. Evenmin als de rechtbank zal het hof rekening houden met de door de man opgevoerde maandelijkse premies arbeidsongeschiktheidsverzekering/oudedagsvoorziening en maandelijkse aflossing op de schulden bij Inkasso Unie B.V. en GGN Maas Delta van in totaal groot respectievelijk € 1.495,-- en € 2.631,98, nu deze lasten - bij gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder - door de man onvoldoende zijn onderbouwd met verificatoire bescheiden.

21. Het hof heeft met inachtneming van het vorenstaande en rekening houdend met de overige niet in geschil zijnde lasten zoals opgevoerd in de draagkrachtberekening van de man de draagkracht van de man berekend, waarbij het hof is uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70% en de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Uit deze berekening volgt dat de draagkracht van de man in 2010 en 2011 niet hoger is dan door de rechtbank is berekend.

22. Voor vernietiging van de bestreden beschikking vanwege de door de vrouw gestelde hogere draagkracht bestaat dan ook geen grond. Nu de hogere behoefte derhalve niet van invloed kan zijn op de beslissing, kan de grief terzake niet tot vernietiging leiden.

23. De beschikking van de rechtbank kan in stand blijven en het hof komt niet toe aan behandeling van het voorwaardelijk incidenteel beroep van de man. Het door hem geformuleerde bewijsaanbod behoeft geen verdere bespreking.

24. Het hof overweegt ten aanzien van de omgang, hetgeen in de onderhavige zaak niet aan het hof voorligt, nog dat de moeder ter terechtzitting heeft verklaard er alles aan te zullen doen om begeleide omgang tussen de man en de minderjarigen te laten plaatsvinden via het Rotterdams Omgangshuis.

25. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Verbeek en Roelvink-Verhoeff , bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2011.