Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3434

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
105.004.989-03
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldlening ten behoeve van restauratie van oldtimer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

zaaknummer : 105.004.989/03

zaak-/rolnummer rechtbank : 226709 / HA ZA 04-2718

Arrest van 1 november 2011

inzake:

[naam],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.W. van Ochten te Nijmegen,

tegen

[naam],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.G. Verheij te Leiden.

Het verloop van het geding

1. Bij exploot van 13 juni 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht, van 29 maart 2006. In dat exploot, met één productie, heeft [appellant] vier grieven tegen genoemd vonnis aangevoerd alsmede een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld strekkende tot veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] een bedrag van € 18.151,21 met rente en kosten te betalen. Bij memorie van antwoord van 21 juni 2011, met één productie, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid wat betreft de in hoger beroep ingesteld eis in reconventie. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. De feiten die de rechtbank in rechtsoverweging 1 van het tussenvonnis van 22 december 2004 heeft vastgesteld, zijn niet bestreden. Ook het hof gaat daar van uit.

3. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg terugbetaling door [appellant] van een bedrag van € 18.151,21 met rente en kosten. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat hij dit bedrag op 28 december 2001 aan [appellant], die in die tijd een autorestauratiebedrijf exploiteerde, heeft geleend ten behoeve van de restauratie van een oldtimer TVR-sportwagen ('TVR'). [appellant] erkent de ontvangst van dit bedrag, maar betwist dat het om een lening ging: volgens [appellant] ging het om de koopprijs van een andere auto, een BMW 850i ('BMW'), die [appellant] aan [geïntimeerde] had verkocht. [geïntimeerde] stelt daar tegenover dat hij de BMW heeft gekocht voor NLG 36.000,- welk bedrag hij op 28 december 2001 contant heeft betaald aan [appellant]. [appellant] heeft de ontvangst van dit bedrag betwist.

4. De rechtbank heeft [geïntimeerde], [appellant] en de heer Van den Hoogenband als getuigen gehoord. In het bestreden vonnis oordeelde zij vervolgens dat [geïntimeerde] was geslaagd in het door hem te leveren bewijs dat partijen een overeenkomst van geldlening waren aangegaan en dat [geïntimeerde] ter uitvoering van die overeenkomst een geldbedrag van NLG 40.000,- (= € 18.151,21) aan [appellant] heeft betaald. De rechtbank wees de vordering van [geïntimeerde] toe.

5. De grieven keren zich vanuit verschillende invalshoeken tegen rechtsoverweging 2.5 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen tot het oordeel kwam dat [geïntimeerde] is geslaagd in het zojuist genoemde bewijs. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Het hof oordeelt als volgt.

7. In de eerste plaats rijst de vraag of de storting op 28 december 2001 van NLG 40.000,- door [geïntimeerde] op de bankrekening van [appellant], betrekking heeft op de TVR of op de BMW. Naar het oordeel van het hof moet worden aangenomen dat deze storting betrekking heeft op de TVR. In de eerste plaats staat immers op het rekeningafschrift van [geïntimeerde] als omschrijving van deze transactie vermeld: 'betaling TVR auto'. Dit is door de rechtbank vastgesteld, en is (ook) in hoger beroep niet betwist (zulks ook niet door de stelling van [appellant] dat op zijn eigen overzicht van bij- en afschrijvingen bij deze transactie geen omschrijving is vermeld). Dat voormelde storting van NLG 40.000,- betrekking heeft op de TVR, wordt in de tweede plaats bevestigd door de in eerste aanleg gehoorde getuige Van den Hoogenband. Deze verklaart immers dat hij in 2001 wist dat er een overeenkomst ter zake van de TVR (op handen) was, en dat in het kader daarvan een bedrag door [geïntimeerde] aan [appellant] per bank is betaald. Uit het voorgaande volgt dat het verweer van [appellant] dat voormelde storting van NLG 40.000,- de betaling van de koopprijs van de BMW betrof, faalt.

8. Vervolgens rijst de vraag of de voormelde storting ter zake van de TVR een geldlening betrof, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld. [geïntimeerde] heeft in dit verband nader gesteld dat het ging om een geldlening ten behoeve van de restauratie van de TVR. De reden was dat er onderdelen in Engeland moesten worden besteld en dat [appellant] daarvoor op dat moment onvoldoende liquide middelen had. Om daarin te kunnen voorzien werd op 28 december 2001 voormeld bedrag als lening naar [appellant] overgemaakt. [appellant] zou de auto afbouwen en dan proberen om hem voor meer te verkopen waarna partijen het meerdere zouden delen als een soort rente. Op deze nadere stellingen van [geïntimeerde] heeft [appellant] niet gereageerd. De eerdergenoemde getuige Van den Hoogenband heeft verklaard dat hij over een dergelijke lening niets kan verklaren. Uit zijn verklaring blijkt dat hij dacht dat [geïntimeerde] van [appellant] de TVR ging kopen in onderdelen tegen een zeker bedrag. Een koopovereenkomst ter zake van de TVR is echter door geen van beide partijen gesteld; tussen partijen staat ook vast dat de TVR niet aan [geïntimeerde] is verkocht. Ook [appellant] heeft dit erkend (zo heeft [appellant] onder meer als partijgetuige verklaard dat [geïntimeerde] de TVR graag wilde kopen maar dat hij de middelen niet had, zodat dat van de baan was).

Gelet op dit een en ander, en mede in het licht van de (reeds in eerste aanleg in het geding gebrachte) bewijsmiddelen en de hiervoor in rechtsoverweging 7 genoemde omstandigheden, acht het hof voorshands, behoudens tegenbewijs, aannemelijk dat de storting van NLG 40.000,- een geldlening betrof. In dat verband merkt het hof terzijde op dat [appellant] heeft erkend dat hij in die tijd geld nodig had; vaststaat dat hij toen (ook) een ander bedrag van [geïntimeerde] heeft geleend.

[appellant] heeft geen tegenbewijs geleverd. Het hof passeert het aanbod van [appellant] in hoger beroep om (tegen)bewijs te leveren door het horen van dezelfde drie getuigen die in eerste aanleg zijn gehoord, nu [appellant] dit bewijsaanbod niet nader heeft toegelicht, bijvoorbeeld door te specificeren waarom hij dezelfde getuigen opnieuw wil doen horen (vgl. HR 12 september 2003, LJN AF7677, NJ 2005, 268).

9. Uit het voorgaande volgt dat als vaststaand moet worden aangenomen dat sprake was van een geldlening. De grieven falen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.

10. De reconventionele vordering van [appellant] is ingesteld bij dagvaarding in hoger beroep. Op grond van artikel 353 lid 1 Rv kan in hoger beroep echter geen eis in reconventie worden ingesteld. [appellant] zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

11. Het hof zal [appellant] als in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht, van 29 maart 2006;

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn eis in reconventie in hoger beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.439,-, waarvan € 545,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, G. Dulek-Schermers en S.J. Schaafsma, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2011 in aanwezigheid van de griffier.