Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3422

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
BK-10-00446
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar na de wettelijke termijn heeft plaatsgevonden heeft niet tot gevolg dat het bezwaar gegrond is. De omstandigheden dat het verweerschrift na de wettelijke termijn is ingediend alsmede dat na de repliek geen dupliek is gevolgd heeft niet tot gevolg dat het hoger beroep en de conclusie van repliek niet weersproken zijn. Interne compensatie. Kosten studeerkamer en betalingen aan het advieskantoor. Hypotheekrente. Proceskostenveroordeling door de rechtbank. Met het oog op mogelijke overschrijding van de redelijke termijn worden de Inspecteur en de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een veroordeling tot vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2683
FutD 2011-2773
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00446

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 12 oktober 2011

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Holland Midden, hierna: de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 juni 2010, nr. AWB 08/484 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.986 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.

1.2. De Inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.911, met veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband hiermee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft van de gelegenheid een conclusie van dupliek in te dienen geen gebruik gemaakt.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 augustus 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van belanghebbende, kenmerk BK-10/00445 en BK-10/00447, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2001 en 2003 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 3.1 tot en met 3.6 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“3.1  Eiseres en haar echtgenoot woonden het gehele jaar 2002 op het adres [a-straat 1] te [Q]. Zij hebben de daar aanwezige woning op 22 januari 1998 als nog in aanbouw zijnde woning gekocht voor € 258.665. De WOZ-waarde van de woning voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 is vastgesteld op € 262.285.

 

3.2  Op 22 januari 1998 hebben eiseres en haar echtgenoot € 306.302 geleend van de ING Bank. De leningovereenkomst is gegoten in de vorm van een Beleggerhypotheek. Als onderdeel van de door eiseres en haar echtgenoot te stellen zekerheid is € 56.723 van het geleende bedrag gestort in een ING Bank Beleggingsfonds (hierna: het Beleggingsfonds).

 

3.3  Voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft eiseres voor het jaar 2002 een belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: inkomen box 1) aangegeven van € 43.224. Het aangegeven inkomen box 1 is als volgt opgebouwd:

Loon e.d. € 52.256

Af: advocaatkosten 3.889

€ 48.367

Inkomsten uit overige werkzaamheid € 11.240

Af: kosten €  7.883

€ 3.357

Huurwaarde woning € 2.098

Af: hypotheekrente €19.035

€16.937

Af: aangegeven door de echtgenoot 8.437

€ 8.500 -/-

Inkomen box 1 €43.224.

De inkomsten uit overige werkzaamheden betreffen het totaal aan vergoedingen dat eiseres heeft ontvangen als lid van de Provinciale Staten […] (hierna: PS). De kosten die eiseres in aftrek heeft gebracht op haar inkomsten uit overige werkzaamheden (hierna: de arbeidskosten) kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 

 

Telefoon € 837

Kosten [A] - 958

Bijdrage [politieke partij] - 1.138

Werkkamer - 1.020

Energie - 1.025

Lasten woningdeel - 100

Reiskosten - 2.805

Totaal € 7.883

 

3.4  Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de aftrek van de advocaatkosten, de bijdragen aan [politieke partij], de kosten van de werkkamer, de energiekosten en de lasten woningdeel, geweigerd. Van de reiskosten heeft verweerder € 192 niet in aftrek toegelaten. Van de hypotheekrente heeft verweerder een bedrag van € 3.561 niet in aftrek toegelaten. Verweerder heeft de aanslag vastgesteld naar een inkomen box 1 van € 54.986 (€ 43.224 + € 3.889 + € 837 + € 1.138 + € 1.020 + € 1.025 + € 100 + € 192 + 3.561). (…)De aanslag is gedagtekend 16 november 2004. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.”

3.2. Voorts staan in hoger beroep de volgende feiten als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, vast:

De aanslag is vastgesteld op 29 september 2005. Het bezwaarschrift is binnengekomen op 27 december 2005 nadat belanghebbende bij de Inspecteur had geïnformeerd of een aanslag is vastgesteld en hij vervolgens een duplicaat van het aanslagbiljet had ontvangen. Op 8 januari 2007 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een vragenbrief verzonden. Het bezwaar is door belanghebbende gemotiveerd in februari 2006. Op 12 februari 2007 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Het verslag van het horen is op 23 augustus 2007 verzonden. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 7 december 2007.

In de loop van het geding voor de rechtbank heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de telefoonkosten van € 937 in aftrek kunnen worden toegelaten.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of:

de uitspraak op bezwaar na de wettelijke termijn is gedaan en - zo die vraag bevestigend moet worden beantwoord - wat het rechtsgevolg van die overschrijding is;

het verweerschrift van de Inspecteur na de wettelijke termijn is binnengekomen en - zo die vraag bevestigend moet worden beantwoord - wat het gevolg daarvan is;

belanghebbende recht heeft op het volledige bedrag dat zij in de aangifte voor het onderhavige jaar als negatieve inkomen eigen woning in aftrek heeft gebracht;

belanghebbende recht heeft op aftrek van de kosten van een studeerkamer en recht heeft op aftrek van advocaatkosten ter verwerving van inkomen;

het pakket aandelen van belanghebbende dat zij in het beleggingsfonds ING heeft tot box 1 moet worden gerekend;

belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding dan de rechtbank in beroep aan belanghebbende heeft toegekend;

belanghebbende terecht aanspraak maakt op vergoeding van (immateriële) schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling in bezwaar door de Inspecteur en de beslechting van het geschil in beroep door de rechtbank.

Al deze vragen worden door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend beantwoord.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

De Inspecteur heeft buiten de wettelijke termijn uitspraak op bezwaar gedaan. Het bepaalde in artikel 26 IVBPR en 14 EVRM brengt mee dat de uitspraak in dat geval nietig is.

De Inspecteur heeft buiten de wettelijke termijn een verweerschrift ingediend, hetgeen tot gevolg heeft dat de stellingen in hoger beroep van belanghebbende niet zijn weersproken en dienen te worden gevolgd. Hetzelfde geldt met betrekking tot de omstandigheid dat de Inspecteur heeft afgezien van het indienen van een conclusie van dupliek. De conclusie van repliek geldt dan als niet weersproken.

In 1998 heeft belanghebbende de eigen woning voorgefinancierd door middel van tussentijdse belegging in aandelen. De rechtbank heeft dat miskend door te oordelen dat het in het Beleggingsfonds ING gestorte gedeelte van de geldlening niet is aangegaan ter verwerving van de eigen woning. Deze (tijdelijke) belegging verhindert niet de aftrek van het volledige betaalde rentebedrag als betaalde hypotheekrente.

Belanghebbende heeft recht op aftrek van de kosten van een werkkamer en advocaatkosten omdat de criteria die aangelegd werden voor de aftrek van de kosten van een werkkamer onder de Wet IB 1964 en de Wet LB 1964 voor die soort inkomsten in de Wet IB 2001 niet meer gelden.

Belanghebbende heeft recht op een hogere proceskostenvergoeding dan de rechtbank aan haar heeft toegekend. Er is geen sprake van samenhangende zaken en voor de conclusie van repliek is ten onrechte slechts 0,5 punt toegekend.

Belanghebbende heeft recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de procedure in bezwaar en beroep.

4.3. De Inspecteur houdt in hoger beroep de juistheid van de aanslag zoals deze door de rechtbank is verminderd staande.

4.4. Voor een verdere uiteenzetting van de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.224.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende – voor zover van belang – gegrond verklaard op de volgende gronden:

“3.6  Tussen partijen is niet in geschil dat de vergoedingen van PS zijn aan te merken als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden bedoeld in artikel 3.90 van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet). Ingevolge artikel 3.95 van de Wet dient het resultaat te worden bepaald met inachtneming van onder meer de artikelen 3.13 tot en met 3.21 van de Wet, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt. Dit houdt onder meer in dat de kosten die betrekking hebben op het resultaat in beginsel in aftrek kunnen worden gebracht, indien en voor zover de aftrek daarvan niet wettelijk is uitgesloten of beperkt. De bewijslast dat de kosten betrekking hebben op het resultaat ligt bij eiseres.

 

3.7  Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de telefoonkosten van € 937 alsnog in aftrek kunnen worden toegelaten. De rechtbank sluit zich hierbij aan, zodat het beroep reeds hierom gegrond is.

 

3.8  Aangaande de betalingen uit hoofde van het lidmaatschap van [politieke partij] heeft eiseres een kopie van de Afdrachtregeling [politieke partij] overgelegd alsmede een verklaring van een medewerker van het Landelijk bureau [politieke partij] van 14 december 2005, waarin wordt verklaard dat eiseres in de periode 1999 tot en met 2004 aan de afdracht- en contributieplicht heeft voldaan. Hoewel eiseres daarnaast geen betaalbewijzen meer heeft kunnen overleggen acht de rechtbank met de gegeven verklaring voldoende aannemelijk dat eiseres de afdracht heeft voldaan tot het in de Afdrachtregeling vermelde percentage. Uit de afdrachtregeling blijkt ook het verplichte karakter van de afdrachten, zodat de afdrachten niet zijn aan te merken als giften, zoals verweerder subsidiair heeft gesteld, maar als kosten die drukken op de vergoedingen van PS, waarvan niet in geschil is dat die vergoedingen zijn aan te merken als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden bedoeld in artikel 3.90 van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet). De afdrachten behoren daarom in mindering te komen op het resultaat uit overige werkzaamheden. Naar het oordeel van rechtbank heeft verweer-der deze uitgaven daarom ten onrechte niet in aftrek toegelaten. In zoverre is het gelijk aan eiseres en dient het inkomen box 1 te worden verminderd met € 1.138.

 

3.9  Aangaande de kosten van de werkruimte heeft verweerder onweersproken gesteld dat eiseres tevens buiten haar eigen woning een soortgelijke ruimte ter beschikking heeft. Op grond van artikel 3.16, eerste lid, onderdeel a, van de Wet komen in dat geval de kosten van de werkkamer niet in aftrek als eiseres het gezamenlijke bedrag van haar belastbare loon en haar belastbare resultaat uit overige werkzaamheden niet hoofdzakelijk in de werkkamer in de eigen woning verwerft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat zij aan dit criterium voldoet. De stelling van eiseres dat zij zich in de werkkamer heeft ingespannen om deze looninkomsten te verwerven en te behouden, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres in het onderhavige jaar voor het door haar genoten loon geen arbeid heeft verricht voor haar werkgever nu eiseres ook voor 2002 nog steeds op non-actief was gesteld. Voor het overige komt uit de gedingstukken naar voren dat eiseres in verband met het conflict dat zij had met haar werkgever gebruik maakte van de diensten van een advieskantoor. Ter zitting heeft eiseres zeven declaraties van dat advieskantoor overgelegd. Voorzover al moet worden aangenomen dat de diensten van dit advieskantoor mede betrekking hadden op de doorbetaling van het loon door de werkgever, dan vormt dat nog geen bewijs van het feit dat inspanningen daartoe werden verricht vanuit de werkkamer van eiseres. Los daarvan is niet aannemelijk dat de loondoorbetaling die in 2002 plaatsvond betrekking heeft op inspanningen die in het jaar zelf zouden zijn verricht. Verweerder heeft deze uitgaven daarom terecht niet in aftrek toegelaten.

 

3.10   De in aftrek gebrachte advocaatkosten blijken betrekking te hebben op de in 3.9 genoemde betalingen aan het advieskantoor. Uit hetgeen eiseres daartoe heeft aangevoerd en overgelegd leidt de rechtbank af dat eiseres in de dienstbetrekking, waaruit zij haar looninkomsten van € 52.256 heeft genoten, door haar werkgever op non-actief was gesteld, maar dat die dienstbetrekking in 2002 nog niet was beëindigd. De desbetreffende looninkomsten moeten daarom worden aangemerkt als belastbaar loon, als bedoeld in de artikelen 3.80 en 3.81 van de Wet en niet, zoals eiseres kennelijk meent, als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Voor aftrek van kosten ter verwerving of behoud van als belastbaar loon aan te merken inkomsten biedt de Wet geen ruimte. Aftrek van de kosten van het advieskantoor is daarom niet mogelijk.

 

3.11  Ingevolge artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet komt als eigenwoningrente voor aftrek in aanmerking de rente van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangewend ter verwerving van de eigen woning. Wordt het bedrag, dat aan een geldnemer is verstrekt uit hoofde van een lening, die is aangegaan in verband met de aankoop van een woning, door de geldnemer voor andere doeleinden gebruikt dan voor het voldoen van de koopprijs van de woning, dan is de lening in zoverre niet aan te merken als lening ter verwerving van de eigen woning als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet en is de daarover verschuldigde rente niet als eigenwoningrente aftrekbaar. Vaststaat dat eiseres en haar echtgenoot € 306.302 hebben geleend en daarvan € 56.723 hebben gestort in een ING Bank Beleggingsfonds. Het in het Beleggingsfonds gestorte gedeelte is derhalve niet gebruikt om de koopsom van de woning te voldoen en is dan ook niet aan te merken als aangegaan ter verwerving van de eigen woning. Dat het Beleggingsfonds onderdeel is van de door eiseres verstekte zekerheid, doet daar niet aan af. Voor zover de rente op dat deel van de lening betrekking heeft is die niet als eigenwoningrente aftrekbaar. De door verweerder gemaakte berekening van het bedrag dat niet voor aftrek in aanmerking komt, is naar het oordeel van de rechtbank juist. In zoverre is het gelijk aan verweerder.

 

3.12  Naar aanleiding van hetgeen eiseres voor het overige heeft aangevoerd over de eigenwoningrente en in aanvulling op hetgeen is overwogen in 3.11, merkt de rechtbank het volgende op. De rente die, ingevolge hetgeen is overwogen in 3.11, voor het onderhavige jaar niet in aftrek kan worden toegelaten, was onder toepassing van de Wet IB 1964 – eiseres refereert aan die wet – aftrekbaar als op de inkomsten uit vermogen drukkende kosten. Onder toepassing van de Wet is voor afrek van dergelijke rente geen plaats meer. Dat de storting in het Beleggingsfonds, zoals eiseres heeft betoogd, reeds in 1998 plaats vond, maakt dit niet anders.

 

3.13  Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard en is de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.911 (€ 54.986 --/ € 937 --/ 1.138).

 

3.14  De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat verweerder in de met deze zaak samenhangende zaak met procedurenummer AWB 08/483 IB/PVV is veroordeeld in de proceskosten en daarbij met de onderhavige zaak rekening is gehouden.”

Beoordeling van het hoger beroep

Uitspraak op bezwaar na de wettelijke termijn

7.1. De uitspraak op bezwaar is op 7 december 2007 gedaan, dat is bijna twee jaar na indiening van het bezwaarschrift op 27 december 2005. Nu van een reden voor de vertraging of voor verlenging van de termijn voor het doen van uitspraak niet is gebleken, is de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar overschreden. Die termijn beliep volgens het bij de ontvangst van het bezwaarschrift geldende recht ex artikel 25, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een jaar en kon hoogstens met een jaar worden verlengd.

7.2. De wetgever heeft in de thans geldende regeling aan het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar – zo daarvan sprake is - niet het gevolg verbonden dat het bezwaar geacht moet worden gegrond te zijn, maar heeft via gelijkstelling van die situatie met een uitspraak waartegen beroep openstaat in een dergelijk geval toegang tot de belastingrechter verleend. Voorts is in dat kader de mogelijkheid geopend het bestuursorgaan met toepassing van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, Stb. 2009, 383 te dwingen tot het doen van uitspraak (door middel van het laten verbeuren van een dwangsom). Belanghebbende heeft uitdrukkelijk gesteld op voormelde Wet dwangsom geen beroep te doen.

Verweerschrift na wettelijke termijn

7.3. De termijn voor het indienen van het verweerschrift in hoger beroep is met toepassing van het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verlengd en het verweerschrift is kort na het verstrijken van die termijn bij het Hof binnengekomen. Er is geen wettelijke regeling die voorschrijft dat in het geval een verweerschrift buiten de wettelijke termijn is ingediend de inhoud daarvan buiten beschouwing dient te worden gelaten. Belanghebbende heeft naar aanleiding van het verweerschrift kunnen reageren door middel van een conclusie van repliek, waarvan hij ook gebruik is gemaakt, alsmede tijdens de zitting, zodat zij in staat is geweest op het verweer naar behoren te reageren.

Geen dupliek

7.4. De Inspecteur heeft geen gebruik gemaakt van het indienen van een conclusie van dupliek in hoger beroep omdat hij van mening is dat dit neer zou komen op een herhaling van zetten en hij het door belanghebbende gestelde in de voorafgaande gedingstukken voldoende weersproken acht. Geen rechtsregel gebiedt aan het afzien van dupliek de gevolgtrekking te verbinden dat hetgeen in de conclusie van repliek is vermeld reeds op grond van dat afzien als onweersproken heeft te gelden.

Kosten studeerkamer en betalingen aan het advieskantoor

7.5. Het Hof volgt de rechtbank in zijn overwegingen onder 3.9 en 3.10 omtrent de aftrek van de kosten van de studeerkamer en de betalingen aan het advieskantoor en neemt de betreffende overwegingen over.

Ingevolge de artikelen 3.95 en 3.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geldt dat het gezamenlijke bedrag van het belastbare loon en het resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in de werkkamer in de eigen woning verworven dienen te worden. De rechtbank heeft op goede gronden beslist dat hiervan in het onderhavige jaar geen sprake is geweest.

De rechtbank heeft in overweging 3.10 op goede gronden beslist dat de als “advocaatkosten” in aftrek gebrachte kosten van het advieskantoor niet in aftrek kunnen komen aangezien zij kosten ter verwerving of behoud van belastbaar loon uit de dienstbetrekking bij [B] vormen en de Wet IB 2001 geen ruimte biedt voor de aftrek van dergelijke kosten.

Hypotheekrente

7.6. Het Hof volgt de rechtbank in zijn overwegingen 3.11 en 3.12 en neemt deze over met inachtneming van het hierna overwogene. Ten aanzien van het gedeelte van de lening dat belanghebbende in 1998 heeft aangewend voor de storting op aandelen in het Beleggingsfonds ING geldt het volgende. Het antwoord op de vraag of hypotheekrente in aanmerking wordt genomen bij de inkomsten uit eigen woning is, naast het oogmerk waarmee de lening werd aangegaan, afhankelijk van de besteding van de geleende som. In het onderhavige geval is van de geleende som van ƒ 675.000 in 1998 een gedeelte van ƒ 125.000 besteed aan de aankoop van aandelen en is dit bedrag niet liquide beschikbaar gebleven voor de aankoop van de eigen woning. De Inspecteur heeft dan ook de hypotheekrente die op laatstvermeld gedeelte is betaald, terecht niet aftrekbaar geacht van de inkomsten uit eigen woning. Belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat evenvermeld bedrag van ƒ 125.000 liquide beschikbaar is gebleven of ook uit eigen middelen kon worden bekostigd. De Wet inkomstenbelasting 2001 staat aan aftrek van de aan dit gedeelte van de schuld verbonden rente in de vorm van persoonlijke verplichtingenrente of kosten verbonden aan genoten dividend op effecten in de weg.

7.7. Het in 7.6 overwogene brengt mee dat belanghebbende in 2002 bij het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen de waarde van de aandelen in het Beleggingsfonds ING tot de bezittingen dient te rekenen en het gedeelte van de geldlening dar daarmee is verbonden tot de schulden.

Proceskostenveroordeling door de rechtbank

7.8. De beroepen over de jaren 2001 tot en met 2003 zijn op 17 januari 2008 bij de rechtbank binnengekomen en de te beantwoorden geschilpunten zijn over de jaren 2001 tot en met 2003 nagenoeg gelijk. In het jaar 2002 was geen sprake van een geschilpunt over de uitgave voor het levensonderhoud van de dochters van belanghebbende. De werkzaamheden van de gemachtigde konden derhalve nagenoeg gelijk zijn voor genoemde jaren. De omstandigheid dat de rechtbank uit een oogpunt van efficiënte geschilbeslechting de zaken op één zitting in plaats van drie heeft behandeld heeft tot gevolg dat belanghebbende zich de kosten en de moeite van drie zittingen bespaart en kan bezwaarlijk aan de rechtbank worden tegengeworpen. Het door de rechtbank toegekende 0,5 punt voor de conclusie van repliek is conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan hiervan zou moeten worden afgeweken. Het Hof volgt de overweging (3.14) van de rechtbank met betrekking tot de proceskostenveroordeling en maakt deze tot de zijne.

Immateriële schadevergoeding

7.9. Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om het toekennen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als rechtszekerheidsbeginsel (vlg. HR 10 juni 2011, 09/2639, LJN BO5046) aangezien de bezwaarfase samen met de beroepsfase langer dan twee jaren heeft geduurd en geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die deze lange duur rechtvaardigen. De bezwaarfase heeft een aanvang genomen met de indiening van het bezwaarschrift op 27 december 2005 en is geëindigd op 7 december 2007 met de uitspraak op bezwaar. In de tussentijd heeft de Inspecteur op 8 januari 2007 een vragenbrief verzonden aan de belanghebbende, heeft op 12 februari 2007 een hoorgesprek plaatsgevonden en is op 23 augustus 2007 het verslag hiervan aan belanghebbende gezonden.

Het beroepschrift is op 17 januari 2008 ingediend bij de rechtbank. Het verweerschrift is ingediend op 29 mei 2008, waarna belanghebbende op 9 juni 2008 een conclusie van repliek heeft ingediend. De Inspecteur heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een conclusie van dupliek in te dienen. De zitting bij de rechtbank vond plaats op 25 mei 2010, nadat op verzoek van belanghebbende uitstel is verleend van de zitting van 11 februari 2010. Hierna is op 8 juni 2010 uitspraak gedaan door de rechtbank.

7.10. Aan deze vaststellingen ontleent het Hof het vermoeden dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden waarvoor enerzijds de Inspecteur verantwoordelijk is gelet op de lange duur die is verstreken voordat is aangevangen met de behandeling van het bezwaar en een vragenbrief werd verzonden op 8 januari 2007 en anderzijds de rechtbank door na het ongebruikt verstreken zijn van de termijn voor het indienen van een conclusie van dupliek in september 2008 de mondelinge behandeling van de zaak eerst te agenderen in februari 2010.

7.11. Het Hof verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Het Hof zal met het oog daarop de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) en de Inspecteur in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken met BK-10/00445 tot en met BK-10/00447 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 1.638,75 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2,5 punten à € 437 x 1,5 (gewicht van de zaak)), waarvan te dezen een gedeelte groot € 546,25 in aanmerking wordt genomen. Voor vergoeding van de volledige proceskosten acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 111 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank,

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 546,25,

gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag aan griffierecht te vergoeden van € 111,

en stelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) en de Inspecteur in de gelegenheid binnen vier weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling tot vergoeding van immateriële schade.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 12 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.