Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3383

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
BK-11/00033
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Ook als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur de hoorplicht geschonden heeft, kan dit niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat – vernietiging van de bestreden uitspraak – leiden en derhalve evenmin tot gegrondverklaring van het hoger beroep. De klacht van belanghebbende dat de Inspecteur heeft verzuimd gevolg te geven aan de in de twee eerdere uitspraken van de rechtbank vervatte veroordeling tot betaling van griffierechten van in totaal € 80, kan in dit geding niet aan de orde komen en is derhalve tardief. Belanghebbende heeft geenszins voldaan aan de op hem rustende last het door hem in zijn aangifte opgenomen negatieve inkomen aannemelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2675
V-N 2012/2.4 met annotatie van Redactie
FutD 2011-2701
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-11/00033

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 11 oktober 2011

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 december 2010, nummer AWB 10/2658 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.153. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van € 218 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2008 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 januari 2009, nr. AWB 08/4492 IB/PVV het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen en gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan hem vergoedt.

1.4. Bij uitspraak op bezwaar van 4 februari 2009 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 december 2009, nr. AWB 09/1978 IB/PVV het beroep wegens schending van de hoorplicht gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen en gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt.

1.6. Bij uitspraak op bezwaar van 3 maart 2010 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 december 2010, nr. AWB 10/2658 IB/PVV het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 augustus 2011, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur verschenen. Belanghebbende is met bericht niet verschenen. Hij heeft niet om uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2005 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 18.259. Daarin is een negatief inkomen verdisconteerd van € 5.894 wegens terugbetaling aan het UWV.

3.2. De Inspecteur heeft het bedrag van € 5.894 niet als negatief inkomen geaccepteerd en heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2005 vastgesteld op € 24.153.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur het negatieve inkomen van € 5.894 terecht niet in aanmerking heeft genomen. Tevens is in geschil of de Inspecteur de hoorplicht geschonden heeft.

4.2. Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het negatieve inkomen ten onrechte niet in aanmerking is genomen, omdat hij de gevraagde bewijzen al drie maal aan de belastingdienst heeft getoond. Voorts stelt belanghebbende dat sprake is van schending van de hoorplicht en dat de Inspecteur verzuimd heeft gevolg te geven aan de in de twee eerdere uitspraken van de rechtbank vervatte veroordeling tot betaling van griffierechten van in totaal € 80.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

4.4. Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en - naar het Hof verstaat – tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.259.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

“3.3 Vaststaat dat [belanghebbende] tot tweemaal toe door [de Inspecteur] is uitgenodigd voor een hoorgesprek. [Belanghebbende] heeft evenwel geen gehoor gegeven aan deze uitnodigingen. Indien wordt aangevoerd dat niet op de juiste wijze is gehoord in de bezwaarfase, kan aan dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in beroep worden voorbijgegaan als de belanghebbende niet is benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van benadeling. [Belanghebbende] heeft immers in beroep zijn bezwaren schriftelijk uiteen kunnen zetten en is in de gelegenheid gesteld deze bezwaren ter zitting mondeling toe te lichten. Nu [belanghebbende] om hem moverende redenen hiervan heeft afgezien is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] niet in zijn belangen is geschaad.

3.4 [De Inspecteur] neemt het standpunt in dat [belanghebbende] niet heeft voldaan aan zijn wettelijke inlichtingenplicht ingevolge artikel 47 van de AWR. Hij heeft immers, ondanks diverse malen daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – zowel bij de aanslagvaststelling als bij de behandeling van het bezwaarschrift en het beroepschrift – niet de door hem als negatief loon in aanmerking genomen bedragen aangetoond. [De Inspecteur] is van oordeel dat het beroep van [belanghebbende] derhalve op grond van artikel 27e van de AWR ongegrond moet worden verklaard.

3.5 De rechtbank is van oordeel dat de vastgestelde feiten die zijn vermeld onder 3.1 geen andere conclusie toelaten dan dat [belanghebbende], hoewel daartoe uitgenodigd en vervolgens diverse malen gemaand, niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De inkomsten die door [belanghebbende] als negatief loon worden aangemerkt, dienen door middel van het overleggen van bewijsstukken te worden aangetoond. Dit is evenwel niet gebeurd. [Belanghebbende] heeft derhalve zijn standpunt dat het bedrag dat hij heeft opgevoerd aan negatief loon aftrekbaar is, niet gestaafd. [Belanghebbende] heeft hier geen beroepsgronden aan gewijd, heeft de gegevens nog steeds niet overgelegd en is evenmin ter zitting verschenen om zijn standpunt toe te lichten. [De Inspecteur] heeft derhalve terecht het bezwaar afgewezen.

3.6 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Ook als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur de hoorplicht geschonden heeft, kan dit niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat – vernietiging van de bestreden uitspraak – leiden en derhalve evenmin tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Belanghebbende heeft immers in zijn beroepschrift in eerste aanleg gesteld geen terugwijzing naar de Inspecteur te wensen en is daarvan in hoger beroep niet (uitdrukkelijk) teruggekomen. Evenmin heeft belanghebbende op die grond om vergoeding van proceskosten verzocht en het Hof ziet daartoe, nu belanghebbende niet is bijgestaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener en hij niet ter zitting van de rechtbank is verschenen, ook geen aanleiding.

7.2. De klacht van belanghebbende dat de Inspecteur heeft verzuimd gevolg te geven aan de in de twee eerdere uitspraken van de rechtbank vervatte veroordeling tot betaling van griffierechten van in totaal € 80, kan in dit geding niet aan de orde komen en is derhalve tardief.

7.3. Belanghebbende stelt tot slot te hebben voldaan aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van het door hem in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 vermelde negatieve inkomen van € 5.894. Hij voert hiertoe aan dat hij in de periode oktober 2007 tot en met februari 2008 tot drie maal toe heeft voldaan aan het verzoek van de Inspecteur om de op de terugbetaalde inkomsten betrekking hebbende correspondentie aan hem over te leggen. Hij heeft hiertoe, naar hij stelt, op 9 oktober 2007, op 1 februari 2008 en op 25 februari 2008 telefonisch contact gehad met verschillende medewerkers van de Belastingdienst/Holland Midden en daaruit bleek dat de gevraagde stukken niet waren aangekomen. De Inspecteur heeft dit een en ander gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende geenszins voldaan aan de op hem rustende last het door hem in zijn aangifte opgenomen negatieve inkomen aannemelijk te maken. De door belanghebbende in eerste aanleg overgelegde verklaringen van het UWV, inhoudende dat door belanghebbende in 2008 en 2009 bedragen van respectievelijk € 2.613,50 en € 3.854,63 aan het UWV zijn terugbetaald, kunnen niet dienen als bewijs van het feit dat in het onderhavige jaar een bedrag aan het UWV is terugbetaald. Belanghebbende heeft daarbuiten geen bewijs bijgebracht.

7.4. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 11 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.