Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU2937

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
105.011.423-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX5798, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5798
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging omgang wegens zwaarwichtige redenen. Positie van de biologische vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 12 oktober 2011

Zaaknummer : 105.011.423/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 06-1997

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat aanvankelijk mr. E.M. van Hilten-Kostense te ’s-Gravenhage, thans mr. N.C. van Bellen te Rotterdam;

tegen

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

en

[de partner van de vrouw],

hierna te noemen: [de partner van de vrouw],

beiden wonende te [woonplaats],

verweersters in hoger beroep,

gezamenlijk te noemen: verweersters,

advocaat mr. W.J. Eusman te Amsterdam.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikkingen van 9 juli 2008, 23 september 2009 en 3 februari 2010 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Bij voormelde beschikking van 3 februari 2010 heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast. De deskundige heeft de opdracht gekregen onderzoek te verrichten en daarbinnen, zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken, met partijen tezamen gesprekken te voeren, met het doel enerzijds dat de minderjarige – gegeven de omstandigheden – zo goed als mogelijk zal kunnen profiteren van partijen en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen partijen in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt.

Op 30 juni 2011 is bij het hof het deskundigenbericht van de deskundige, drs. B.A. de Vries, ingekomen.

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van verweersters:

- op 22 juli 2011 een brief van 21 juli 2011;

van de zijde van de man:

- op 5 augustus 2011 een faxbericht.

De mondelinge behandeling is op 31 augustus 2011 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw M.J.N. Moure, tolk in de Franse taal;

- verweersters, bijgestaan door hun advocaat.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Thans is nog in geschil of een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige dient te worden vastgesteld en zo ja, welke.

2. Uit het deskundigenbericht blijkt onder meer dat partijen geen contact met elkaar hebben en ieder vanuit een ander, haaks op elkaar staand perspectief de zaak benaderen. Volgens de deskundige heeft de communicatie tussen partijen zich in het verleden op basis van impliciete aannames afgespeeld, wat heeft geleid tot misverstanden over wat wel of niet is afgesproken. Partijen zijn tot op heden niet in staat gebleken om alsnog de verschillende perspectieven, meningen, normen en waarden aan elkaar duidelijk te maken en deze op elkaar af te stemmen. Dialoog tussen verweersters en de man blijkt niet te werken, daar verweersters geen contact met de man wensen. Er is thans sprake van een patstelling, aldus de deskundige. Naar de mening van de deskundige zal contact tussen de man en de minderjarige – zolang verweersters hier niet achter staan en er geen duidelijkheid is of afspraken bestaan over de betekenis van ieders positie en rol in relatie tot de minderjarige – een bedreiging kunnen zijn voor de stabiliteit en rust van de minderjarige. Op basis van het huidige communicatiepatroon en de patstelling, meent de deskundige dat de minderjarige bij een omgangsregeling klem en verloren zou kunnen raken tussen verweersters en de man. De deskundige acht het vanuit het belang van de minderjarige niet noodzakelijk om haar op dit moment te informeren over het feit dat de man haar biologische vader is.

3. De man stelt dat tussen hem en de minderjarige gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM bestaat of heeft bestaan, waardoor hij recht heeft op omgang met de minderjarige. De omstandigheid dat verweersters weerstand tegen een omgangsregeling hebben en hierover geen communicatie wensen, is volgens de man niet voldoende om een omgangsregeling af te wijzen. Daarnaast stelt de man dat niet valt in te zien waarom een omgangsregeling feitelijk tot onrust in het gezin van verweersters zou moeten leiden. Hij is bereid om de minderjarige op een plaats buiten de woning van verweersters op te halen en te brengen. Daarnaast zijn er volgens de man geen uiteenlopende verwachtingen of zodanig opgelopen spanningen dat omgang tussen de man en de minderjarige niet meer mogelijk is.

4. Verweersters stellen in reactie op het deskundigenrapport dat de communicatie met de man vanwege taalproblemen moeizaam verloopt. De man beheerst de Nederlandse taal slecht, terwijl Frans en Engels niet de voertaal van verweersters en de minderjarige zijn. Verder betwijfelen verweersters of de man inderdaad spijt heeft van de manier waarop het de afgelopen jaren is gegaan. Ook blijkt de man niet bereid in het belang van een rustige en stabiele omgeving voor de minderjarige een stap terug te doen, aldus verweersters. Volgens verweersters is duidelijk dat zonder overeenstemming tussen de bij de minderjarige betrokken volwassenen over ieders plaats ten opzichte van haar, omgang tussen de man en de minderjarige een ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van de minderjarige. Daarnaast zijn verzoeksters van mening dat de man, nu hij zich niet wenst te bezinnen op zijn positie ten opzichte van de minderjarige, kennelijk ongeschikt of niet in staat moet worden geacht tot omgang met haar dan wel dat anderszins omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarige.

5. Het hof overweegt als volgt. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Deze wet heeft – nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken – onmiddellijke werking. Het hof zal het vervolg van deze zaak daarom beoordelen in het licht van deze wet, waarbij artikel 1:377f BW is komen te vervallen. Artikel 1:377a BW is thans op het onderhavige verzoek van toepassing. Ingevolge het eerste lid van dit artikel heeft het kind, voor zover thans van belang, recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat, tenzij sprake is van één van de limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

6. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat om¬gang tussen de man en de minderjarige in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjari¬ge. Het hof overweegt daartoe dat gebleken is dat tussen de man en verweersters een ernstig verschil van inzicht bestaat omtrent de positie van de man in het leven van de minderjarige. Tot op heden is er – ook gedurende het deskundigenonderzoek – geen enkele vooruitgang geboekt om dit verschil te overbruggen. Verder ontbreekt het bij verweersters aan draagvlak om de omgang tussen de man en de minderjarige te ondersteunen. Deze omstandigheden leiden er naar het oordeel van het hof toe dat omgang tussen de man en de minderjarige tot ernstige spanningen zal leiden, hetgeen een bedreiging vormt voor de stabiliteit en rust in het leven van de minderjarige. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man onvoldoende inzicht heeft getoond in zijn eigen aandeel in het conflict en de oorzaak van de problemen geheel bij verweersters legt. Hij toont evenmin voldoende inzicht in de gevolgen van een omgangsregeling voor de minderjarige en het gezin waarin zij opgroeit, terwijl verweersters aan de andere kant zich ook niet kunnen verplaatsen in het standpunt van de man. Voorts is van belang dat de minderjarige niet weet wie de man is. Weliswaar heeft de man verklaard zich niet te zullen presenteren als biologische vader van de minderjarige, maar omgang zonder duidelijkheid over de positie en de rol van de man acht het hof in strijd met zwaarwegende belangen van de minderjarige. Ten slotte is de man is tot op heden niet bereid om – in het belang van de minderjarige – een beperktere rol in haar leven te vervullen. Hetgeen de man in zijn reactie op het deskundigenrapport heeft gesteld, kan niet leiden tot een andersluidend oordeel. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd en het inleidende verzoek van de man dient te worden afgewezen.

7. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, de Haan-Boerdijk en Bos, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2011.