Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU2810

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
31-10-2011
Zaaknummer
200.041.968-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht, reisverzekering, annuleringsverzekering, opzettelijke misleiding?, ontbinding verzekeringsovereenkomst op grond van tekortschieten in de verplichting tot informatieverstrekking door verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.041.968/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 318359 / HA ZA 08-2900

arrest d.d. 9 augustus 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R.M. van der Zwan te ’s-Gravenhage,

tegen

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: Aegon,

advocaat: mr. G.J. de Bock te Leiden.

Het geding

Bij exploot van 20 juli 2009 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 mei 2009, gewezen tussen Aegon als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. Bij memorie van grieven heeft [appellante] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd. Aegon heeft bij memorie van antwoord tevens incidentele memorie van grieven, met producties, de grieven bestreden en van haar kant incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van drie grieven. Bij memorie van antwoord in incident, met producties, heeft [appellante] de grieven in incidenteel appel bestreden.

Ter zitting van 15 februari 2011 hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun bovengenoemde advocaten. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Van dit pleidooi is een proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof arrest wijst op het reeds overgelegde kopie-procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep

1. Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de desbetreffende memories.

2. De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.10 van de bestreden uitspraak feiten vastgesteld. Deze feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3. In hoger beroep staat dan ook kort samengevat het volgende vast.

a) [appellante] heeft met ingang van 1 augustus 2006 een Woon & Vrije Tijdpakket-verzekeringsovereenkomst gesloten met Aegon, die onder meer een reis- en annuleringsverzekering (verder: de verzekeringsovereenkomst) omvat. Op deze verzekeringsovereenkomst zijn algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarden van toepassing.

b) De polisbepalingen houden voor zover van belang in:

“4. Verplichtingen in geval van schade

Zodra een verzekerde kennis draagt …van een gebeurtenis die voor ons tot schadevergoeding kan leiden is hij verplicht:

4.1 die gebeurtenis zo spoedig mogelijk aan ons te melden;

4.7 alle gegevens die op een schade betrekking hebben aan ons te geven en de daarop betrekking hebbende brieven en stukken onmiddellijk aan ons door te zenden;

4.9 de aanwijzingen van ons of van door ons ingeschakelde deskundigen nauwkeurig te volgen en de terzake van de schade gestelde vragen volledig en naar waarheid te beantwoorden;

F Bijzondere voorwaarden vakantie-jaarverzekering

….

4. Annuleringskosten

4.1. Dekking

De dekking van de annuleringskosten… is beperkt tot ten hoogste € 2.500,- per reis…arrangement.”

c) [appellante] heeft van 2004 tot eind 2006 als schadebehandelaar gewerkt bij Aegon op de afdeling die schadeclaims op reis- en annuleringskostenverzekeringen behandelt.

d) Op 12 februari 2007 heeft [appellante] bij Aegon een schadeaangifteformulier ingediend in verband met annulering van een reis van Amsterdam via Atlanta en Los Angeles naar Honolulu met vertrekdatum 6 februari 2007 (hierna: Reis 1), met een vermeld aankoopbedrag van € 3.000,-- (€ 500,- voor de reis Amsterdam - VS met Delta Airlines en € 2.500,-- voor de reis van Los Angeles naar Honolulu met American Airlines). Als toegevoegde informatie heeft [appellante] aan Aegon meteen of kort daarop meegezonden de door Delta Airlines afgegeven informatie over de vluchttijden van Amsterdam naar Atlanta, de vermelding van de hierop betrekking hebbende reissom ad 642,96 USD en de mededeling van de reisorganisatie aan [appellante] dat de reservering van Amsterdam naar Atlanta is geannuleerd en dat het betreffende e-ticket “non-refundable” is.

e) Naar aanleiding van het verzoek van Aegon om de originele annuleringsnota toe te zenden, schrijft [appellante] op 20 februari 2007 terug dat de e-tickets gedeeltelijk met airmiles zijn betaald en daarom “niet refundable” zijn.

f) Kort daarop heeft Aegon aan [appellante] de maximale vergoeding van € 2.500,- uitgekeerd.

g) Omstreeks 27 juni 2007 heeft [appellante] bij Aegon door middel van een schadeformulier onder verwijzing naar (annulerings) nota’s haar annulering gemeld van een op 22 augustus 2007 geplande reis naar Bodrum (hierna: Reis 2). Zij stuurde daarbij mee de faktuur van 2 april 2007 met een reissom ad € 1.220,-- en een annuleringsnota van 27 juni 2007 zonder vermelding van daaraan verbonden kosten. Naar aanleiding van het door Aegon op 27 juli 2007 aan [appellante] gerichte verzoek heeft zij de annuleringsnota ad € 193,25, eveneens gedateerd 27 juni 2007, opgestuurd.

h) Vanwege het feit dat [appellante] in korte tijd tweemaal een verzoek tot dekking op haar reis- en annuleringsverzekering had gedaan, heeft Aegon het onderzoeksbureau Interseco op 15 augustus 2007 opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de schadeclaims voor Reis 1 en Reis 2.

i) Op 11 maart 2008 heeft Interseco ten aanzien van beide reizen gerapporteerd.

j) Bij brief van 18 april 2008 aan [appellante] heeft Aegon aan de hand van de Interseco’s onderzoeksresultaten medegedeeld dat [appellante] door haar handelwijze met betrekking tot Reis 1 en Reis 2 waaronder een verkeerde voorstelling van zaken en valsheid in geschrifte, tegenover Aegon doelbewust en onterechte schade heeft geclaimd en daardoor de maximale vergoeding van € 2.500,-- heeft gekregen. Aegon vervolgt haar brief met de mededeling dat ware zij vroegtijdig op de hoogte geweest van de juiste gang van zaken, zij de verzekeringsovereenkomst per direct had beëindigd met signalering van [appellante]’s persoonsgegeven in de diverse databanken. Aegon laat verder weten dat haar “opzegging” van de overeenkomst impliceert dat [appellante] vanaf 6 februari 2007 geen rechten meer kan ontlenen aan de verzekeringsovereenkomst. Zij deelt [appellante] mee dat zij de uitkering met betrekking tot Reis 1 ad € 2500,--, als ook een uitkering op een schadeclaim van 10 juli 2007 met betrekking tot waterschade ad € 550,-- zal terugvorderen en voorts dat de claim met betrekking tot Reis 2 niet zal worden gehonoreerd, zo min als de schadeclaim van 7 april 2008 met betrekking tot schade aan een bril ad € 440,--. Tot slot deelt Aegon mee [appellante] te hebben aangemeld bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude en de CIS persoonsregistratie.

k) Bij vonnis van 19 september 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Gravenhage Aegon op vordering van [appellante] veroordeeld tot verwijdering van de personalia van [appellante] uit het CIS register en van de registratie bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude, voor zover deze registraties betrekking hebben op fraude.

l) [appellante] heeft de door Aegon teruggevorderde bedragen niet voldaan.

4. In eerste aanleg heeft Aegon op de grondslag van al dan niet opzettelijk onjuiste informatieverstrekking in conventie gevorderd – kort gezegd en voor zover hier van belang – voor zover nodig de verzekeringsovereenkomst te ontbinden en [appellante] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.138,40, te vermeerderen met rente en de werkelijke proceskosten.

Aegon heeft haar geldvordering aldus gespecificeerd:

a) terugbetaling uitkering reis naar Honolulu € 2.500,--

b) terugbetaling waterschade € 550,--

c) onderzoekskosten Interseco € 2.618,40

d) behandelkosten Aegon € 1.470,--.

5. [appellante] heeft hiertegen verweer gevoerd en in reconventie gevorderd – kort gezegd en voor zover hier van belang – Aegon te veroordelen tot het in behandeling nemen van de al wel gemelde, maar nog niet afhandelde schademeldingen op de verzekerings-overeenkomst op straffe van een dwangsom. Verder heeft zij een schadevergoeding van € 3.500,- gevorderd op grond van aantasting van haar persoon. Een en ander vermeerderd met kosten.

In hoger beroep heeft zij zonder duidelijke vooraankondiging op haar memorie van grieven haar vordering vermeerderd met het op straffe van een dwangsom ongedaan maken door Aegon van de interne en externe registratie in de databank van de Stichting CIS en het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude. Nu Aegon deze vermeerdering van eis niet is ontgaan en daarop heeft gereageerd zal het hof uitgaan van de vermeerderde eis.

6. De rechtbank heeft bij vonnis van 6 mei 2009 vastgesteld dat [appellante] Aegon opzettelijk heeft voorzien van onjuiste informatie en dat Aegon de verzekerings-overeenkomst per 18 april 2008 rechtsgeldig heeft beëindigd. Zij heeft kort gezegd in conventie, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde, [appellante] veroordeeld tot betaling van € 6.588,40 met rente en kosten en in reconventie onder compensatie van kosten Aegon veroordeeld tot het in behandeling nemen van de schademelding met betrekking tot de bril op straffe van een dwangsom.

7. De drie grieven van [appellante] in het principaal appel richten zich tegen de vaststelling door de rechtbank van - kort gezegd – de opzettelijke misleiding van Aegon met de daaraan verbonden consequenties in conventie en reconventie. Het incidenteel appel richt zich tegen afwijzing van de gevorderde ontbinding in conventie, terwijl er toch ook volgens de rechtbank sprake was van ernstige wanprestatie. De derde incidentele grief richt zich tegen de uitgesproken kosten compensatie.

8. De strekking van de grieven brengt in feite mee dat het geschil door partijen in volle omvang aan het hof is voorgelegd. Het hof zal zijn beoordeling beginnen met de vraag of er sprake is van voldoende ernstige tekortkomingen aan de zijde van [appellante], die een ontbinding van de verzekeringsovereenkomst rechtvaardigen. Dit is de meest verstrekkende grief van Aegon.

De ontbinding

9. Voor zover Aegon stelt dat [appellante] akkoord is gegaan met de ontbinding van de verzekeringsovereenkomst, gaat het hof daaraan voorbij. Met de enkele uitlating “Ik zou niet eens meer bij Aegon verzekerd willen zijn” heeft zij, gelet ook op de strekking van haar verweer in de procedure, niet op rechtens relevante wijze ingestemd noch berust in de door Aegon beoogde ontbinding van de overeenkomst met alle juridische consequenties van dien.

10. Het hof merkt voorts op dat Aegon van meet af aan haar (voorwaardelijke) vordering tot ontbinding heeft gebaseerd op twee gronden. Primair op opzettelijke misleiding door [appellante] en subsidiair op onjuiste informatieverstrekking harerzijds. Deze dubbele grondslag handhaaft Aegon in hoger beroep. Voor zover de primaire grondslag, waarin de rechtbank Aegon heeft gevolgd, in hoger beroep niet zou komen vast te staat, heeft het hof ook de subsidiaire te onderzoeken.

11. Aegon baseert de door haar beoogde ontbinding van de verzekeringsovereenkomst op de bevindingen van de Interseco rapportage, waarin wordt geconcludeerd dat het ondanks de ontkenning van [appellante] om Aegon te bewegen tot het doen van onterechte uitkeringen niet uitgesloten is te achten dat [appellante] dit wel heeft geprobeerd.

Voor de beoordeling van Aegons stellingname is deze rapportage dus van belang.

Het hof constateert allereerst dat uit deze rapportage geen onderbouwing blijkt voor Aegons suggestie dat [appellante] met het opgegeven bedrag van € 2.500,-- een te hoge reissom heeft opgevoerd, omdat volgens Aegon de prijs van zo’n ticket hooguit op

€ 1.600,-- zou uitvallen, hetgeen [appellante] heeft betwist. Verdere onderbouwing heeft Aegon achterwege gelaten. In de gegeven situatie kon Aegon niet volstaan met haar blote bewering. Zij voldoet hiermee niet aan haar stelplicht. Op haar rust immers de bewijslast van deze bewering ter toelichting van de aan haar conventionele vorderingen ten grondslag gelegde al dan niet opzettelijke ondeugdelijke informatieverstrekking. Of [appellante] dus ten aanzien van Reis 1 een te hoog bedrag als reissom heeft opgegeven is in dit kader niet komen vast te staan.

12. Uit de Interseco rapportage blijkt met betrekking tot Reis 1 dat [appellante] op 12 september 2007 onder meer tegenover de onderzoeker heeft verklaard, dat

• zij alleen met Delta Airlines van Amsterdam naar de VS zou vliegen en met American Airlines vanaf Los Angeles in gezelschap van een zekere [X], de reis naar Honolulu zou voortzetten;

• deze [X] vanuit de VS het e-ticket van Delta Airlines voor haar had geboekt en met zijn creditcard betaald cq voorgeschoten;

• zij niet wist dat dit ticket een open ticket betrof met een geldigheidsduur tot 2 februari 2008;

• de reis van Los Angeles naar Honolulu was voorgeschoten door [X];

• zij niet wenste te vertellen of zij [X] de reissom had (terug) betaald;

• zij geen verdere informatie over deze [X] wenste te verschaffen;

• zij op het moment van de annulering slechts beschikte over het aan Aegon overgelegde vluchtschema, waarbij zij niet uitsloot hiermee op het vliegveld in de VS alsnog een ticket cq boardingpas te krijgen;

• zij zowel de vlucht met Delta Airlines als American Airlines had geannuleerd.

Op 19 september 2007 heeft [appellante] aan Interseco overhandigd een aan haar door [X] op 5 februari 2007 gestuurde en op 6 februari door [appellante] afgedraaide email inhoudende de confirmation van de vlucht Los Angeles-Honolulu met een op haar naam gesteld ticket. Hierop was geen bedrag vermeld.

Op 26 september 2007 deelde [appellante] Interseco mee dat

• zij in de veronderstelling leefde dat zij deze confirmation in februari 2007 ook aan Aegon had verstrekt;

• zij niet wist wat [X] voor het ticket van American Airlines had betaald en dat zij ook niet bereid was dit hem te vragen;

• zij het bij Aegon geclaimde bedrag van € 2.500,-- had geschat op basis van door haar op internet verrichte prijsvergelijking.

Nadat [appellante] in november 2007 een machtiging aan Interseco had verstrekt heeft Interseco in februari 2008 van American Airlines vernomen dat het ticket op naam van [appellante] bij hen bekend was, dat de reis op 4 februari 2007 door [X] was geboekt en door hem op 7 februari 2007 was geannuleerd, en dat op het ticket geen reissom was vermeld omdat het met airmiles was gekocht.

13. Met betrekking tot Reis 2 heeft [appellante] tegenover Interseco verklaard dat

• zij in eerste instantie aan Aegon alleen de faktuur met de reissom ad € 1.220,-- en de “niet geprijsde” annuleringsnota had opgestuurd omdat zij de annuleringsnota met daarop vermeld het bedrag aan annuleringskosten aanvankelijk kwijt was;

• zij hiermee niet geprobeerd heeft Aegon te bewegen tot het doen van een uitkering ad € 1.220,--;

• zij in eerste instantie niet de moeite had genomen een briefje met een verklaring van het ontbrekende stuk mee te sturen;

• zij als oud schadebehandelaar wist dat Aegon haar wel om nadere informatie zou vragen.

14. [appellante] is van mening dat het hof de rapportage van Interseco niet als bewijsmiddel bij haar beoordeling mag betrekken omdat [appellante] zich bij de onderzoeken door de onderzoeker ernstig geïntimideerd voelde en Interseco als partijdeskundige van Aegon moet worden aangemerkt.

15. Hierin kan het hof [appellante] niet volgen. [appellante] laat na haar stellingen op dit punt deugdelijk te onderbouwen. Het enkele feit dat Aegon de opdrachtgever van Interseco is geweest, maakt niet dat deze rapportage als partijdig cq eenzijdig in het nadeel van [appellante] moet worden beschouwd. Van concrete beweerdelijke intimidaties blijkt niet, noch vermeldt [appellante] het eventuele effect daarvan op haar verklaringen. Voor het overige worden in de rapportage op inzichtelijke en consistente wijze aan de hand van de onderzoeksresultaten de gronden genoemd waarop de conclusies van het rapport steunen. Het hof zal daarom de informatie uit het Interseco rapport, die door [appellante] niet inhoudelijk wordt betwist, bij haar beoordeling betrekken.

16. Blijkens de hierboven weergegeven onderzoeksgegevens van Interseco heeft [appellante] in elk geval tegenstrijdig verklaard met betrekking tot de in haar bezit zijnde confirmation van de reis met American Airlines. Voorts heeft zij in eerste instantie onvolledige informatie verstrekt en onduidelijkheid gelaten door haar weigering voor Aegon relevante informatie te verschaffen. Immers zij heeft in februari 2007 bij het verzoek om dekking met betrekking tot Reis 1 Aegon niet gemeld dat de reis niet voor haar rekening was geboekt. Die duidelijkheid geeft zij pas min of meer op 12 september 2007. Zij weigert [X] te vragen hoeveel hij voor het ticket heeft betaald, als ook Interseco in de gelegenheid te stellen zich met hem hierover te verstaan. Pas op 26 september 2007 geeft [appellante] aan dat het door haar bij het dekkingsverzoek gemelde schadebedrag is gebaseerd op een door haar zelf gemaakte schatting van de reissom. Hoewel zij aanvankelijk deed voorkomen dat zij slechts beschikte over een vluchtschema van de reis Los Angeles – Honolulu, legt zij op 19 september 2007 de sinds 5 februari 2007 in haar bezit zijnde confirmation van het ticket van American Airlines aan de onderzoeker van Interseco over. Pas dan is er enig bewijs dat er een ticket op haar naam bestaat, hetgeen Interseco eerst in februari 2008 tezamen met het bewijs van annulering bevestigd krijgt van de luchtvaartmaatschappij zelf. Ook dan wordt duidelijk dat dit ticket kennelijk geheel met airmiles is betaald.

17. Deze onderzoeksresultaten acht het hof, mede in aanmerking genomen hetgeen hierboven in ro. 10 is overwogen, onvoldoende om de conclusie te wettigen dat [appellante] het opzet heeft gehad om Aegon tot een onterechte uitkering te bewegen. Dat [appellante] bij het verzoek tot dekking van Reis 1 de reissom heeft opgevoerd, is daarvoor niet voldoende. Volgens [appellante] had zij daarop recht omdat zij door het niet doorgaan van de reis deze financiële schade had geleden. Daarmee gaf zij er weliswaar blijk van niet de relevantie te onderkennen voor wiens rekening de kosten ingeval van annulering daadwerkelijk zouden zijn, maar Aegon stelt niet dat [appellante] als voormalig schadebehandelaar hiermee bekend behoorde zijn. Met het door haar ter toelichting van haar gelijk gegeven voorbeeld van het verlies van een cadeau gekregen camera, geeft zij er wellicht evenmin blijk van het verschil te weten tussen diefstal dekking bij een reisverzekering en dekking van gemaakte annuleringskosten bij een annuleringsverzekering, maar ook hier stelt Aegon niet dat [appellante] dit verschil als voormalig schadebehandelaar bij Aegon kende of in elk geval behoorde te onderkennen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat Aegon tot uitkering van het voor Reis 1 geclaimde bedrag is overgegaan, zonder te beschikken over een deugdelijke annuleringsnota. Dat de kosten daarvan voor haar relevant waren, volgt uit deze handelwijze in elk geval ook niet zonder meer.

Het enkele feit tot slot dat [appellante] ter zake van Reis 2 in eerste instantie volstond met het overleggen van een faktuur van de reissom, wijst niet zonder meer op opzettelijke misleiding. Deze faktuur kon immers ook, zoals [appellante] aangeeft, dienen als een voor Aegon relevant bewijsstuk van boeking van deze reis.

Uit al het voorgaande volgt dat Aegon onvoldoende stelt ter onderbouwing van de door haar gestelde opzettelijke misleiding. Die grondslag kan dus niet tot de beoogde ontbinding van de verzekeringsovereenkomst leiden.

18. Het hof acht Aegon op grond van de hierboven weergegeven onderzoeksresultaten van Interseco, er wel in geslaagd het bewijs te leveren dat [appellante] ernstig is te kort geschoten in haar op grond van de polisvoorwaarden bestaande verplichting tot verstrekking van voor Aegon relevante informatie. Hierdoor is nadeel ontstaan voor Aegon. Gelet ook op de aard van de overeenkomst, waarbij het vertrouwen van de verzekeraar in de betrouwbaarheid van de door een verzekerde verstrekte informatie van fundamenteel belang is, rechtvaardigt [appellante]’s tekortschieten in de gegeven omstandigheden een ontbinding van de verzekeringsovereenkomst, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat [appellante] als voormalig schadebehandelaar op de hoogte was van het door een verzekeraar normaliter in haar als verzekerde gestelde vertrouwen.

19. Aegon maakt in het licht van het voorgaande terecht bezwaar tegen de vaststelling van de rechtbank dat haar brief van 18 april 2008 slechts kan worden aangemerkt als een per die datum rechtsgeldige opzegging. In zoverre is haar incidentele grief I gegrond. Ook al bezigt Aegon in die brief niet de rechtens relevante term ontbinding, zij geeft daarin duidelijk aan dat zij de polis in de terminologie van [appellante] wenst te royeren per 6 februari 2007, de aanvangsdatum van Reis 1, ten aanzien waarvan Aegon in de brief [appellante] beschuldigt doelbewust een verkeerde voorstelling van zaken te hebben gegeven en valsheid in geschrifte te hebben gepleegd. De door Aegon met haar brief van 18 april 2008 beoogde strekking heeft [appellante] blijkens haar reactie dd 6 mei 2008 daarop goed begrepen. Zij vraagt immers dit royement met terugwerkende kracht wegens de haars inziens onterechte aantijgingen terug te draaien en alle door haar sedert 6 februari 2007 ingediende claims (blijvend) te honoreren. Bij toewijzing van de in deze procedure voorwaardelijk gevorderde ontbinding heeft Aegon daarom geen belang. Voor zover [appellante] bezwaar maakt tegen de door de rechtbank vastgestelde rechtsgeldige opzegging in de brief van 18 april 2008 kan dit bezwaar niet slagen omdat het gebaseerd is op het onjuiste uitgangspunt dat er geen sprake is van wanprestatie aan de zijde van [appellante].

Gevolgen van de ontbinding

20. [appellante] voert zonder succes aan dat Aegons ontbinding bij brief van 18 april 2008 geen terugwerkende kracht toekomt tot 6 februari 2007. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat de ontbinding weliswaar geen terugwerkende kracht heeft maar dat hieruit ingevolge art. 6:271 BW wel ongedaanmakingsverbintenissen voortvloeien. Uit dien hoofde is [appellante] verplicht de aan haar ten onrechte uitgekeerde bedragen van

€ 2.500,-- ter zake van Reis 1 en van € 550,-- ter zake van op 10 juli 2007 geclaimde waterschade terug te betalen. Ook behoeft Aegon de overige na deze datum ingediende schadeclaims niet verder af te handelen (Reis 2) dan wel in behandeling te nemen (beschadigde bril). Daartegenover heeft Aegon zich al in haar brief van 18 april 2008 bereid verklaard tot premierestitutie vanaf 6 februari 2007. Het voorgaande betekent dat de incidentele grief I van Aegon slaagt voor zover deze ziet op de veroordeling in reconventie tot het in behandeling nemen van de schademelding met betrekking tot de bril. Voor zover de principale grieven zien op de toewijzing van de hiervoor onder 4. sub a) en b) genoemde en door de rechtbank in conventie toegewezen posten slagen deze gelet op het voorgaande niet.

Onderzoeks- en interne behandelingskosten

21. In de principale grief II maakt [appellante] verder bezwaar tegen de toewijzing door de rechtbank van deze kosten. Voor wat betreft de onderzoekskosten van Interseco ad € 2.618,40 verwerpt het hof deze grief. Zoals hierboven overwogen heeft [appellante] Aegon bij haar dekkingsverzoek in februari 2007 met betrekking tot Reis 1 allerminst volledig ingelicht. Ontbrekende informatie kwam pas te voorschijn door onderzoek van Interseco. Blijkens deze rapportage heeft [appellante] ook door haar weigering al dan niet via [X] de verder ontbrekende informatie te verschaffen over de reis van Los Angeles naar Honolulu, Interseco genoodzaakt extra en tijdrovende onderzoekingen te doen. Deze door toedoen van [appellante] veroorzaakte kosten van de Interseco rapportage, die door Aegon deugdelijk zijn onderbouwd, zijn door de rechtbank dan ook terecht toegewezen.

22. Anders ligt dit naar het oordeel van het hof ten aanzien van de interne behandelings-kosten van Aegon (ad € 1.470,--). Toewijzing daarvan acht het hof niet redelijk. Immers, vaststaat dat Aegon in elk geval ondeugdelijk onderzoek heeft verricht bij de uitkering van Reis 1. Zou zij dit wel hebben gedaan, dan zou het haar, alvorens tot uitkering over te gaan, zijn opgevallen dat een deugdelijke annuleringskosten nota ontbrak, als ook enig bewijs van een op naam van [appellante] gesteld ticket van American Airlines. Dit nalaten heeft kennelijk (mede) geleid tot daarom overbodig later intern onderzoek. De kosten daarvan dienen voor eigen rekening te blijven. In zoverre slaagt de principale grief II van [appellante] en kan het vonnis van de rechtbank in conventie op dit punt niet in stand blijven.

Registratie

23. [appellante] maakt in hoger beroep voorts bezwaar tegen de volgens haar door Aegon in strijd met het vonnis in Kort Geding niet doorgevoerde verwijdering van haar persoonsgegevens uit de databank van de stichting CIS en het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude. Aegon heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep herhaald wat zij ook al heeft betoogd in Kort Geding, waarvan zij haar pleitaantekeningen reeds bij conclusie van antwoord in reconventie heeft overgelegd. Hier stelt Aegon dat zij verplicht is in beide registers te laten registreren iedere onjuiste opgave van een verzekerde, frauduleus of niet en iedere beëindiging van een verzekeringsovereenkomst in verband daarmee. Het bestaan van deze verplichting heeft [appellante] niet weersproken. Voor zover de registratie de onjuiste opgave en de op die grond doorgevoerde ontbinding van de verzekeringsovereenkomst betreft, treft Aegon dus geen verwijt. Dit neemt evenwel niet weg dat Aegon, nu het hof de door Aegon ook gestelde opzettelijke misleiding heeft verworpen, verplicht is iedere verwijzing daarnaar in de betreffende databanken te verwijderen. In zoverre zal het hof [appellante]’s (in hoger beroep op dit punt vermeerderde) vordering als volgt toewijzen. Het hof zal hieraan een dwangsom, zij het gematigd, verbinden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Aegon ondanks het ter zake veroordelend vonnis in Kort Geding na het beroepen vonnis van de rechtbank, in welke procedure de registratie zelf geen wezenlijk onderwerp van debat was, eigenmachtig en zonder [appellante] hierin ook maar te kennen de frauderegistratie naar eigen zeggen heeft gereactiveerd.

Schadevergoeding

24. Grief III van [appellante] betreft voorts de afwijzing door de rechtbank van dit onderdeel van haar (reconventionele) vordering. [appellante] meent hierop recht te hebben omdat zij veel last zegt te ondervinden van de door Aegon doorgevoerde registraties. Naar het oordeel van het hof kan deze grief niet slagen. Het hof constateert dat [appellante], hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid, ook in hoger beroep nog steeds geen begin van bewijs heeft aangeleverd voor de door haar gestelde schade, ofschoon deze door Aegon van meet af aan is betwist. Daarom zal het hof [appellante]’s aanbod om de door haar geleden schade alsnog nader te onderbouwen passeren.

Werkelijke proceskosten

25. Met haar incidentele grief II maakt Aegon bezwaar tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde werkelijke proceskosten. Aan deze vordering legt Aegon met name ten grondslag het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie. Juist dit oogmerk heeft het hof zoals hierboven overwogen niet kunnen vaststellen aan de hand van hetgeen Aegon daartoe heeft aangevoerd. Al daarom dient dit onderdeel van Aegons vordering als ongegrond te worden verworpen. Voor zover Aegon nog wil stellen dat ook de enkele onjuiste opgave haar vordering kan dragen, volgt het hof Aegon daarin niet. Op deze grondslag past een dergelijke sanctie niet in een civiele procedure met de uitkomst als hierboven is overwogen. Het enkele feit dat [appellante] in deze procedure haar gelijk volhoudt, brengt niet mee dat zij misbruik van procesrecht maakt hetgeen volgens Aegon ook een veroordeling van de werkelijke proceskosten zou rechtvaardigen. De incidentele grief II van Aegon treft dan ook geen doel.

Conclusie

26. Uit al het voorgaande volgt dat zowel de principale grieven I en II (beide gedeeltelijk) als de incidentele grief I doel treffen. De principale grief III en de incidentele grief II treffen geen doel. Het hof zal als volgt oordelen:

27. In conventie wordt [appellante] veroordeeld tot betaling van € 5.668,40 (zijnde € 2.500,-- + € 550,-- + € 2.618,40) met rente en kosten op na te melden wijze. De vorderingen in conventie worden voor het overige afgewezen.

28. [appellante]’s vordering in reconventie zal slechts worden toegewezen met betrekking tot de (in hoger beroep gevorderde en hiervoor onder 23. besproken) beperkte verwijdering van de registratie en zal voor het overige worden afgewezen. Nu [appellante] haar vordering met betrekking tot de registratie pas in hoger beroep heeft ingesteld (hetgeen betekent dat de oorspronkelijke vordering in reconventie in eerste aanleg alsnog volledig is afgewezen) is het hof van oordeel dat de incidentele grief III van Aegon ten aanzien van de proceskostenveroordeling op dit punt doel treft. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie in eerste aanleg.

29. Gelet op het voorgaande zijn partijen zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep over en weer in het ongelijk gesteld. Het hof zal dan ook de kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep over en weer compenseren.

30. Hoewel het vonnis van de rechtbank, waartegen beroep op onderdelen in stand zou kunnen worden gelaten, zal het hof omwille van de overzichtelijkheid en de executeerbaarheid ervan het hele vonnis vernietigen en als volgt opnieuw beslissen.

31. Voor zover partijen tot slot in hoger beroep ook nog een rechtsbijstandverzekering in hun discussies betrekken, laat het hof deze discussie voor wat die is, omdat die kennelijk geen betrekking heeft op een van de te beoordelen vorderingen in hoger beroep. Dit geldt te meer nu [appellante] zelf aangeeft dat de appelprocedure onder deze rechtsbijstand-verzekering wordt gedekt.

Beslissing

Het hof

In principaal en incidenteel hoger beroep:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 mei 2009 in conventie en reconventie;

en in hoger beroep opnieuw rechtdoende:

in conventie:

- veroordeelt [appellante] tot betaling aan Aegon van een bedrag van € 5.668,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [appellante] in de proceskosten in conventie in eerste aanleg aan de zijde van Aegon tot aan deze uitspraak begroot op € 303,-- aan griffierecht en € 768,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie:

- gebiedt Aegon om binnen drie werkdagen na de betekening van dit vonnis de registraties van de personalia van [appellante] uit het Centraal Informatiesysteem van in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen en bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude te (laten) verwijderen, voor zover deze registraties betrekking hebben op enige verwijzing naar fraude/opzettelijke misleiding, met veroordeling van Aegon tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat Aegon dit gebod niet nakomt, met een maximum van € 20.000,--;

- verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie tot op heden aan de zijde van Aegon begroot op € 384,-- aan salaris advocaat;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

en verder in principaal en incidenteel hoger beroep:

- compenseert de kosten van het geding in hoger beroep zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Davids, A.M. Voorwinden en A.J. Coster en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2011 in aanwezigheid van de griffier.