Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU2034

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
200.086.181-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing; niet-ontvankelijkheid van de voormalige pleegmoeder; samenloop met andere procedure en rol advocaat bij beoordeling processuele complicaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 22 juni 2011

Zaaknummer : 200.086.181/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-2431

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de voormalige pleegmoeder,

advocaat mr. G. van der Steen te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.J.W. de Water te Katwijk;

2. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de voormalige pleegvader;

3. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

locatie Den Haag Centrum/Scheveningen,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De voormalige pleegmoeder is op 26 april 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 maart 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De raad heeft op 27 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft eveneens op 27 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de voormalige pleegmoeder:

- op 30 mei 20011 een brief van dezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 22 juni 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de voormalige pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens de raad mevrouw M. van Hagen;

- namens Jeugdzorg mevrouw M. de Graaf en mevrouw O. Kalai;

- de voormalige pleegvader.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 13 september 2010 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage en naar de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 13 september 2010 heeft de kinderrechter de hierna te noemen minderjarige onder toezicht gesteld tot 13 september 2011 en Jeugdzorg machtiging verleend de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin tot 13 maart 2011. Voor het overige is de behandeling van het verzoek aangehouden.

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 13 maart 2011 tot 13 september 2011, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aan de beschikking gehechte indicatiebesluit van 4 maart 2011. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. De voormalige pleegmoeder is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Het hof overweegt daartoe als volgt.

2. De wet voorziet in een aparte rechtsingang voor een (voormalige) pleegouder indien deze het niet eens is met een beslissing van de gezinsvoogdij-instelling om een minderjarige in een ander pleeggezin te plaatsen, zoals bepaald in artikel 1:263 lid 2 juncto lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat die rechtsingang door de voormalige pleegmoeder is gevolgd. Tegen de schriftelijke afwijzing van Jeugdzorg van 24 februari 2011 op het verzoek van de voormalige pleegmoeder tot terugplaatsing van de minderjarige bij haar, is door haar tijdig beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zitting van de kinderrechter van 5 april 2011 in dat beroep is, zo heeft de raadsman ter zitting in hoger beroep verklaard en Jeugdzorg bevestigd, aan de orde gekomen dat de kinderrechter – gelet op de inhoud van de (thans in hoger beroep bestreden) beschikking van 10 maart 2011 – niet inhoudelijk kon ingaan op het ingestelde beroep tegen de schriftelijke afwijzing en dat hoger beroep (naar het hof op grond van het door partijen gestelde begrijpt: tegen de beschikking van 10 maart 2011) (meer) in de rede zou liggen. De kinderrechter heeft, zo is door de advocaat ter zitting in hoger beroep verklaard, daarbij aangegeven dat de voormalige pleegmoeder in haar beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard, doch liet de raadsman nadrukkelijk de keuze het beroep ter zitting in te trekken, hetgeen voor de griffier een praktische wijze van afdoening zou zijn. De raadsman heeft daarop ter zitting van 5 april 2011 het beroep tegen meergenoemde schriftelijke afwijzing namens de voormalige pleegmoeder ingetrokken.

3. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman zich beroepen op deze – zich bij de kinderrechter voltrokken – gang van zaken ter onderbouwing van zijn standpunt (alsnog) ontvankelijk te zijn in het ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 10 maart 2011.

Aan dit betoog gaat het hof voorbij en overweegt daartoe als volgt.

Een rechtsgeleerd raadsman moet zich te allen tijde bewust zijn van de (eventuele) rechtsgevolgen van een – voor zover thans van belang – ter zitting gedane keuze, ook als die keuze wordt ingegeven door een kennelijke suggestie van de kinderrechter dat, in plaats van een af te geven beschikking houdende de niet-ontvankelijkverklaring, intrekking ter zitting van het beroep een praktische wijze van afdoening is voor de griffier. Immers, de raadsman moet er zich van bewust zijn geweest dat het standpunt van de kinderrechter omtrent de ontvankelijkheid van het (onderhavige) beroep van de voormalige pleegmoeder tegen de beschikking van 10 maart 2011, in appel voor discussie vatbaar was. Alsdan stond hoger beroep (uitsluitend) open door, in plaats van intrekking van het beroep, appel in te stellen van de door de kinderrechter af te geven beschikking houdende de niet-ontvankelijkheid. In dat beroep had het hof de juistheid van genoemd standpunt van de kinderrechter kunnen toetsen.

4. Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de voormalige pleegmoeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Kamminga en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2011.