Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU1935

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
22-002339-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft in een café het slachtoffer met een glas in zijn gezicht getroffen en het feit dat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is geenszins aan de verdachte te danken. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en tot een werkstraf van 240 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002339-10

Parketnummer: 09-607547-10

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

20 april 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 5 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 januari 2010 te Bodegraven tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- een (vol bier)glas tegen/in het gezicht van die [slachtoffer] hebben/heeft (kapot)geslagen en/of (kapot)gedrukt en/of geduwd en/of

- die [slachtoffer] hebben/heeft geslagen en/of gestompt tegen het gezicht en/of

- die [slachtoffer] hebben/heeft geduwd en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 januari 2010 te Bodegraven met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Van Tolstraat, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten [horecagelegenheid], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit

- (kapot)slaan van en/of (kapot)drukken van en/of duwen met een (vol bier)glas tegen/in het gezicht van die [slachtoffer] en/of

- slaan en/of stompen tegen het gezicht van die [slachtoffer] en/of

- duwen en/of trappen van die [slachtoffer], waarbij hij, verdachte,

- een (vol bier)glas tegen/in het gezicht van die [slachtoffer] heeft (kapot)geslagen en/of (kapot)gedrukt en/of geduwd en/of

- die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt tegen het gezicht, welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (verwondingen in het gezicht) voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 januari 2010 te Bodegraven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

- een (vol bier)glas in het gezicht van [slachtoffer] hebben/heeft (kapot)geslagen en/of (kapot)gedrukt en/of (kapot)gedrukt en/of

- (die) [slachtoffer] hebben/heeft geslagen en/of gestompt tegen het gezicht en/of

- (die) [slachtoffer] hebben/heeft geduwd en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 januari 2010 te Bodegraven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- een glas tegen het gezicht van die [slachtoffer]heeft (kapot)geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft in een café het slachtoffer met een glas in zijn gezicht getroffen en het feit dat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is geenszins aan de verdachte te danken. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Benadeelde partij

In het onderhavige strafproces heeft mr. A.R.A.L. van Norenburg, advocaat te Zoetermeer, zich namens

[slachtoffer] als benadeelde partij gevoegd.

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade van in totaal EUR 3.354,80, bestaande uit:

1. Littekencrème ad EUR 23,05

2. Schoenen ad EUR 169,95

3. Stomerij ad EUR 30,65

4. Shirt en broek ad EUR 220,-

5. Jas ad EUR 399,95

6. Eigen risico zorgverzekering ad EUR 165,-

7. Kosten rechtsbijstand ad EUR 2.346,20

Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van

EUR 2.161,- wegens immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van in totaal EUR 5.515,80. De benadeelde partij heeft in hoger beroep subsidiair gevorderd dat de kosten van rechtsbijstand worden bepaald op het kanton-liquidatietarief.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is geconcludeerd tot toewijzing van de posten 1 en 6, alsook tot toewijzing van een gematigd bedrag aan immateriële schade, te weten EUR 1.000,-.

Het hof is van oordeel dat de posten 1, 3 en 6 vallen aan te merken als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht als gevolg van het primair bewezen verklaarde feit en dat deze posten genoegzaam zijn onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering, met een totaalbedrag van EUR 218,70, is derhalve toewijsbaar.

Het hof is van oordeel dat de posten 2, 4 en 5 niet genoegzaam zijn onderbouwd om voor vergoeding in aanmerking te komen.

Ten aanzien van post 7, de kosten voor rechtsbijstand, vermag het hof niet in te zien waarom de advocaat van de benadeelde partij geen toevoeging bij de Raad voor Rechtsbijstand heeft aangevraagd. Het hof is van oordeel dat de verdachte deze kosten niet behoeft te dragen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er gezien het letsel immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 1.000,-.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van de materiële en immateriële schade naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof met inachtneming van het bovenstaande vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 1.218,70 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.218,70 (duizend tweehonderdachttien euro en zeventig cent) bestaande uit EUR 218,70 (tweehonderdachttien euro en zeventig cent) materiële schade en EUR 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 1.218,70 (duizend tweehonderdachttien euro en zeventig cent) bestaande uit EUR 218,70 (tweehonderdachttien euro en zeventig cent) materiële schade en EUR 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. D. Jalink en mr. C.M.P. Flint-Van Noort, in bijzijn van de griffier mr. M. Wegter.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 oktober 2011.

Mr. C.M.P. Flint-Van Noort is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.