Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU1437

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
200.061.751-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY5384, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BY5384
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Beoordeling van alimentatieverzoek op grond van artikel II lid 2 Wet Limitering Alimentatie. cassatie ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 15 juni 2011

Zaaknummer : 200.061.751/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-3263

[appellante]

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.J.W. Schuijlenburg te Zoetermeer,

tegen

[geintimeerde]

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. de Boorder te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 1 april 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 januari 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De man heeft op 21 mei 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 2 december 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 12 november 2010, 1 december 2010 en 3 december 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 2 december 2010 een brief van 1 december 2010 met bijlage(n);

van de zijde van de man:

- op 12 november 2010 een brief van 11 november 2010 met bijlagen;

- op 1 december 2010 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 15 december 2010 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 21 december 2010 een brief van 20 december 2010 met bijlagen;

- op 28 december 2010 een brief van diezelfde datum;

van de zijde van de man:

- op 22 december 2010 een brief van diezelfde datum.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 mei 2003 – bepaald dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw eindigt op 1 januari 2008. De vrouw is veroordeeld tot terugbetaling aan de man van de alimentatie die zij over de periode vanaf 1 januari 2008 heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf iedere ontvangst tot aan de dag van de algehele voldoening. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- het verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 1 december 2002;

- het verzoek tot verlenging van de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie per 1 mei 2009.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende,

primair: haar inleidende verzoek toe te wijzen en derhalve te bepalen dat de verplichting van de man tot betaling aan de vrouw van partneralimentatie ook na 1 mei 2009 zal blijven gelden en dat die verplichting zal duren voor 10 jaren, met de bepaling dat deze termijn na ommekomst verlengbaar zal zijn;

subsidiair, indien het hof tot het oordeel komt dat de alimentatieverplichting van de man op termijn moet eindigen, te bepalen dat na 1 mei 2009 een door het hof in goede justitie te bepalen afbouwregeling zal gelden, in dier voege dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw in tien jaar tijd zal worden afgebouwd tot nihil.

3. De man bestrijdt het beroep.

Nader ingediende stukken

4. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat geen acht dient te worden geslagen op de brief van de zijde van de man van 22 december 2010. Ter zitting heeft het hof de vrouw verzocht aangiften Inkomstenbelasting 2004 en 2005 te overleggen. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich dat de wederpartij in de gelegenheid dient te worden gesteld op deze stukken te reageren. Het hof zal de door de man overgelegde brief van 22 december 2010 dan ook in aanmerking nemen bij de beoordeling van het hoger beroep.

Omvang van de rechtsstrijd

5. Het hof gaat van het volgende uit. Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 mei 2003 is het verzoek van de man om zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw met ingang van 1 december 2002 te beëindigen, afgewezen. De alimentatieverplichting is verlengd tot 1 mei 2009, waarbij is bepaald dat verlenging na ommekomst van die termijn mogelijk is. Het hof heeft deze beslissing bij beschikking van 17 maart 2004 bekrachtigd.

6. Ten grondslag aan de onderhavige zaak ligt het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieverplichting voor een periode van tien jaar. De man heeft afwijzing van dit verzoek bepleit en daarnaast verzocht de partneralimentatie met terugwerkende kracht tot 1 december 2002 op nihil te stellen met een terugbetalingsverplichting. In het hiernavolgende zal het hof eerst het meest verstrekkende verzoek – het wijzigingsverzoek van de man over de periode vanaf 1 december 2002 – beoordelen, alvorens in te gaan op het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatie.

7. Het hof zal de zaak in volle omvang opnieuw beoordelen.

Wijzigingsverzoek

8. De man heeft op grond van artikel 1:401, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek wijziging van de partneralimentatie verzocht. Hij voert daartoe aan dat de vrouw sedert 1 december 2002 een aanzienlijk hoger inkomen heeft genoten dan zij heeft opgegeven in de eerdere procedures bij de rechtbank en het hof, en derhalve geen behoefte meer heeft aan een aanvullende uitkering tot levensonderhoud. De alimentatie dient dan ook met terugwerkende kracht op nihil te worden gesteld. Hij beoogt daarmee de behoeftigheid van de vrouw opnieuw ter beoordeling aan het hof voor te leggen.

9. De vrouw erkent dat haar inkomen vanaf maart 2004 is gewijzigd. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof in februari 2004 was dit nog niet bekend. De vrouw betwist dat zij door de wijziging van haar inkomen minder behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot levensonderhoud, althans dat dit zou moeten leiden tot verlaging van de alimentatie.

10. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw vanaf maart 2004 is toegenomen. De wijziging in het inkomen van de vrouw rechtvaardigt naar het oordeel van het hof een herbeoordeling van de wettelijke maatstaven. Het hof zal aan de hand van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man beoordelen of de vastgestelde bijdrage door deze wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Niet is gebleken dat het inkomen van de vrouw voor maart 2004 hoger was dan waarvan de rechtbank en het hof in de eerdere beschikkingen zijn uitgegaan, zodat het hof de alimentatie zal herbeoordelen met ingang van 1 maart 2004.

Omvang van de behoefte

11. Het hof overweegt als volgt. In het kader van de echtscheidingsprocedure in 1987 is aan de hand van een beoordeling van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man een eerste partneralimentatie vastgesteld. Uit de overgelegde stukken blijkt dat partijen in dat kader uitvoerig hebben gediscussieerd over de omvang van de behoefte. Vaststaat dat de vrouw in 1986 een eigen inkomen had van fl.1.800,- netto of fl.2.355,- bruto per maand en dat bij vonnis van 24 februari 1987 - conform het verzoek van de vrouw - een partneralimentatie is vastgesteld van fl. 1.500,- per maand. Het hof gaat er vanuit dat de alimentatie de behoefte van de vrouw dekte, nu niet is gebleken dat de alimentatie werd beperkt door de draagkracht van de man. Uitgaande van deze gegevens, gaat het hof uit van een totale behoefte van de vrouw van fl.3.855,- bruto per maand (€ 1.750,-) in 1987. Geïndexeerd bedraagt de behoefte per 1 januari 2004 € 2.677,- bruto per maand en per 1 januari 2009 € 2.952,- bruto per maand.

12. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank de omvang van de behoefte van de vrouw op basis van onjuiste gegevens heeft vastgesteld. Het hof heeft partijen ter zitting met deze constatering geconfronteerd en hen in het kader van het wijzigingsverzoek van de man in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

13. De vrouw verwijst in dat kader naar de in eerste aanleg overgelegde behoefteberekening met een totale behoefte van € 1.993,- netto per maand, gebruteerd € 2.930,- per maand in 2009. De man stelt dat niet uitgegaan dient te worden van het huidige uitgavenpatroon van de vrouw, maar van de behoefte zoals deze in het verleden – dat wil zeggen: bij de bestreden beschikking – door de rechtbank is vastgesteld. Voorts betwist hij dat de vrouw de maandelijkse uitgaven heeft die zij in haar behoefteberekening opgeeft.

14. Voor zover de vrouw onder verwijzing naar haar behoefteberekening beoogt te stellen dat haar behoefte is toegenomen, overweegt het hof als volgt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is deze behoefteberekening aan de orde gesteld. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de rente op de hypothecaire geldlening geen noodzakelijke last betreft, nu de vrouw naar het oordeel van het hof aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hypothecaire geldlening heeft verhoogd (deels) om de kosten van onderhoud aan haar woning te kunnen voldoen en een al langer bestaande lening af te lossen. Het hof acht het derhalve redelijk met deze post rekening te houden. Nu de overige posten onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken en deze het hof niet onredelijk voorkomen, gaat het hof integraal uit van de door de vrouw overgelegde behoefteberekening. Ook in aanmerking nemend de hiervoor becijferde en geïndexeerde behoefte van € 2.952,- bruto per maand per 1 januari 2009, acht het hof de door de vrouw berekende behoefte redelijk.

Behoeftigheid van de vrouw

15. Het hof overweegt als volgt. Per maart 2004 is de WAO-uitkering van de vrouw verhoogd, omdat zij voor 80-100% arbeidsongeschikt werd verklaard voor haar eigen werkzaamheden. Daartegenover stond een inkomensachteruitgang van € 200,- netto per maand door het wegvallen van de inkomsten uit de particuliere huishouding. In de periode van 1 november 2007 tot 1 april 2009 heeft de vrouw een prepensioen van het PGGM. van € 462,- netto per maand ontvangen. Daarnaast ontving de vrouw tot april 2009, naast de partneralimentatie, inkomsten uit hoofde van een dienstverband bij Florence Thuiszorg. van € 229,- netto per maand en een WAO-uitkering van € 1.095,- netto per maand. Op 23 april 2009 is zij 65 jaar geworden. Vanaf die datum ontvangt zij enkel nog een AOW-uitkering van € 982,- netto per maand, alsmede een pensioenuitkering van het ABP van € 300,- netto per maand.

16. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage opnieuw vastgesteld dient te worden, rekening houdend met de door haar vanaf 1 maart 2004 gegenereerde inkomsten. Het hof neemt daartoe als uitgangspunt het gemiddelde jaarinkomen uit werk en uitkering - de ontvangen alimentatie buiten beschouwing latende - dat de vrouw over de periode 2004 tot en met 2009 heeft genoten, zoals dit volgt uit de aangiften Inkomstenbelasting en berekent dit op € 25.346,- bruto per jaar. Bij gebreke aan financiële gegevens over 2005 is het hof ten aanzien van dat jaar uitgegaan van het gemiddelde inkomen over 2004 en 2006.

17. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat de vrouw over enig vermogen heeft beschikt. De vrouw beschikt over een eigen woning met een WOZ-waarde van € 166.000,- per 31 december 2009. De hypothecaire schuld bedraagt thans €100.000,-. Uit de aangiften Inkomstenbelasting volgt voorts dat de vrouw een spaartegoed heeft gehad van € 34.527,- per 31 december 2007. De vrouw heeft het spaartegoed voor een deel aangewend voor het onderhoud van haar woning en om te voorzien in de kosten van levensonderhoud, waardoor het spaartegoed op 31 december 2009 is afgenomen tot iets meer dan € 12.000,-. De rente die de vrouw hieruit heeft ontvangen acht het hof in het kader van de eigen inkomsten van de vrouw dan ook te verwaarlozen.

18. Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens bovenstaande vanaf maart 2004 gemiddeld € 2.112,- bruto per maand. Daarnaast gaat het hof uit van een gemiddelde behoefte van de vrouw, na indexatie, van € 2.781,- bruto per maand. Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de vrouw weliswaar over de gehele periode nog steeds behoefte heeft gehad aan een onderhoudsbijdrage van de man, doch aan een lagere bijdrage dan die welke de rechtbank in 2003 heeft vastgesteld. Het hof gaat uit van een behoefte aan een aanvullende bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van, afgerond, gemiddeld € 670,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

19. Nu de draagkracht van de man over de achterliggende periode niet in geschil is, bedraagt hetgeen de man aan de vrouw met ingang van 1 maart 2004 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven verschuldigd is € 670,- bruto per maand.

Beëindiging

20. Concluderende dat de vrouw steeds een resterende behoefte aan een bijdrage tot levensonderhoud heeft gehad, dient het hof voorts te beoordelen of beëindiging van de alimentatieverplichting op grond van artikel II lid 2 van de Wet Limitering van Alimentatie na scheiding met ingang van 1 mei 2009 van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden.

21. Voor een beroep op deze uitzondering is van belang of er bij beëindiging van de partneralimentatie sprake is van een ingrijpende inkomensachteruitgang. Daartoe dient de actuele inkomenspositie van de alimentatiegerechtigde voor beëindiging van de bijdrage in het levensonderhoud te worden vergeleken met die waarin hij of zij als gevolg van die beëindiging zal komen te verkeren.

22. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte gevolgen heeft verbonden aan de omstandigheid dat zij de man niet heeft geïnformeerd over haar gestegen WAO-uitkering. Door haar toegenomen arbeidsongeschiktheid ontving de vrouw per maart 2004 een hogere WAO-uitkering. Aangezien de alimentatiebijdrage van fl.1.500,- per maand van meet af aan niet toereikend is geweest, haar inkomsten na de echtscheiding juist daalden in verband met haar arbeidsongeschiktheid en deze inkomstendaling niet werd gecompenseerd met een hogere alimentatiebijdrage, heeft de vrouw geen aanleiding gezien de man te informeren over de stijging van de WAO-uitkering. Bovendien werd de inkomensstijging deels teniet gedaan door het wegvallen van haar inkomsten uit de particuliere huishouding. Ook heeft de rechtbank ten onrechte in haar oordeel betrokken dat de vrouw per 1 november 2007 een prepensioen ontvangt. Dit resulteert immers in een lagere pensioenuitkering en een hogere belastingdruk. Vaststaat dat de inkomensachteruitgang als ingrijpend moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft echter een onjuiste maatstaf gehanteerd door te oordelen dat het onredelijk zou zijn hiervoor het inkomen te vergelijken dat de vrouw onmiddellijk vóór en na 13 april 2009 zou ontvangen. Was hier wel vanuit gegaan, dan had de rechtbank geconcludeerd dat sprake was van een inkomensdaling van meer dan 40% zoals dit feitelijk ook het geval is geweest. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de inkomensachteruitgang van de vrouw gevergd kan worden. Reeds in 2004 heeft het hof geoordeeld dat beëindiging van de partneralimentatie als te ingrijpend moet worden geacht. Alle relevante feiten en omstandigheden zijn toen gewogen en gelden thans nog steeds. De enkele omstandigheid dat het inkomen van de vrouw vanaf maart 2004 is toegenomen kan, gelet op hetgeen de vrouw daarover heeft gesteld, niet leiden tot de conclusie dat beëindiging van de alimentatie nu wel van de vrouw kan worden gevergd. De vrouw heeft geen mogelijkheden om de inkomstenterugval op te vangen en is dan ook van mening dat de rechtbank de alimentatieverplichting van de man niet had mogen beëindigen. Ten onrechte heeft de rechtbank daarbij een terugbetalingsverplichting bepaald. Subsidiair verzoekt de vrouw een afbouwregeling te bepalen, zodat zij haar uitgavenpatroon aan kan passen op de beëindiging van de partneralimentatie.

23. De man betwist gemotiveerd de stellingen van de vrouw. De vrouw heeft jarenlang een veel hoger inkomen gehad dan waarvan de rechtbank en het hof in 2003 en 2004 zijn uitgegaan. De man kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de financiële handelingen die de vrouw met haar geld heeft verricht. Indien de vrouw geen rekening houdt met een inkomensachteruitgang door eigen pensionering of pensionering van de man, dan komt dat voor haar rekening. De inkomensdaling van de vrouw is niet ingrijpend, zij heeft vermogen genoeg om inkomsten uit herbelegging te genereren. Gebleken is dat de vrouw veel meer financiële middelen heeft gehad – niet alleen vanaf de echtscheiding maar ook vanaf 2004 net na de beschikking van het hof – waardoor in redelijkheid niet anders kan worden geoordeeld dan dat de vrouw rekening heeft moeten houden met een terugbetalingsverplichting van ontvangen alimentatie vanaf 2008. De terugbetalingsverplichting van de rechtbank is zeer terughoudend. Naar het inzicht van de man heeft de rechtbank ruim voldoende rekening gehouden met de omstandigheden van de vrouw. Gelet op de omstandigheden van het geval is het onbegrijpelijk en uiterst onredelijk om anders te oordelen dan door de rechtbank is gedaan. Verlenging van alimentatie dan wel een afbouwregeling, welke bovendien onvoldoende is geconcretiseerd, dient dan ook te worden afgewezen. Ten slotte stelt de man dat hij vanaf mei 2006 met pensioen is gegaan, waardoor zijn inkomen fors is gedaald en hij zich beroept op het ontbreken van draagkracht ter zake van de door de vrouw gevorderde alimentatie.

24. Het hof overweegt als volgt. Uit hetgeen het hof ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw heeft geoordeeld, volgt dat de vrouw tot april 2009 naast de alimentatie een eigen inkomen had van € 1.786,- netto per maand. Als gevolg van het feit dat zij op 23 april 2009 65 jaar is geworden, bedroeg haar inkomen vanaf 1 mei 2009 nog slechts € 1.282,- netto per maand. Het hof heeft reeds vastgesteld dat de vrouw nauwelijks over enig vermogen beschikt. Zij heeft geen recht op een deel van de door de man opgebouwde pensioenrechten. Gelet op de financiële omstandigheden van de vrouw zou het beëindigen van de alimentatie - ongeacht of daarbij uitgegaan wordt van de feitelijk door haar ontvangen bijdrage of de thans vastgestelde bijdrage - per 1 mei 2009 voor haar ingrijpend zijn. De omstandigheid dat de vrouw de man niet heeft geïnformeerd over haar inkomenswijziging, heeft het hof reeds in zijn oordeel betrokken en kan in dit opzicht niet leiden tot een andersluidend oordeel.

25. Voorts dient het hof te beoordelen of deze inkomstenterugval van zo ingrijpende aard is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval, waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen de belangen van de alimentatiegerechtigde en die van de alimentatieplichtige.

26. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de vrouw zich voldoende inspanningen heeft getroost om te trachten zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof sluit daarmee aan bij zijn eerdere bevindingen zoals verwoord in de beschikking uit 2004. De omstandigheid dat de vrouw de man niet heeft geïnformeerd over haar nadien gewijzigde inkomsten, doet aan het daarin overwogene niet af. Reeds toen is immers gebleken dat de vrouw door haar arbeidsongeschiktheid werd beperkt in het benutten van haar verdiencapaciteit, doch zich heeft laten omscholen en onder haar niveau heeft gewerkt om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Uit de nadien naar voren gekomen feiten en omstandigheden blijkt dat de situatie van de vrouw verder is verslechterd. De vrouw is in maart 2004 voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Weliswaar ontving zij hierdoor een hogere WAO-uitkering, doch zij werd hiermee verder beperkt in haar verdiencapaciteit. Het hof betrekt voorts in zijn oordeel dat de vrouw, ondanks haar toenemende arbeidsongeschiktheid en haar vorderende leeftijd, tot aan haar pensioen werkzaamheden heeft verricht in de thuiszorg. De vrouw heeft geen mogelijkheden gehad om middels het uitbreiden van haar werkzaamheden haar inkomsten uit te breiden. Zij heeft een aanzienlijk deel van haar spaartegoed en de extra inkomsten door de teveel ontvangen alimentatie aangewend voor kostbare onderhoudswerkzaamheden. Daarnaast bestaat het vermogen van de vrouw uit een eigen woning met een overwaarde van € 66.000,-. Het hof acht het niet redelijk van de vrouw te verwachten dat zij onder de huidige economische omstandigheden haar huis verkoopt en deze overwaarde realiseert. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw de inkomstenterugval heeft vergroot door aanspraak te maken op het prépensioen, nu niet aannemelijk is geworden dat het definitieve pensioenrecht wezenlijk hoger zou zijn geweest indien de vrouw op prépensioen geen aanspraak had gemaakt.

27. Aan de andere kant is het hof gebleken dat het inkomen van de man tengevolge van zijn pensionering in 2006 fors is gedaald en dat hij met dit inkomen zijn invalide vrouw heeft te onderhouden. Het hof acht, de aangiften Inkomstenbelasting daartoe in aanmerking nemende, evenwel niet aannemelijk geworden dat de man financieel niet in staat is de hierna te bepalen alimentatie te voldoen.

28. Uit het voorgaande blijkt dat de vrouw niet heeft kunnen inspelen op de inkomensachteruitgang als gevolg van een eventuele beëindiging van de partneralimentatie. Het hof acht beëindiging per 1 mei 2009 van zodanig ingrijpende aard is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans nog niet van de vrouw kan worden gevergd. De genoemde omstandigheden aan de zijde van de vrouw laat het hof zwaarder wegen dan de omstandigheden aan de zijde van de man. Wel kan van de vrouw gevergd worden dat de alimentatie met ingang van 1 maart 2004 wordt bepaald op € 670,- bruto per maand. Dit laat onverlet dat de vrouw er rekening mee had dienen te houden dat de alimentatieverplichting van de man op enig moment zou eindigen en dat van haar kon worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn na

1 mei 2009 haar bestedingspatroon zodanig had aangepast en maatregelen had getroffen dat zij met haar eigen inkomen, zonder bijdrage van de man, geheel in eigen levensonderhoud kon voorzien. Gelet op de hoogte van de aanvullende behoefte van de vrouw acht het hof een beëindiging na verloop van één jaar, te weten per 1 mei 2010, niet zodanig ingrijpend meer dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer van de vrouw kan worden gevergd. Het hof zal de alimentatieverplichting van de man per die datum beëindigen.

Terugbetalingsverplichting

29. Met betrekking tot de vraag of het vorenstaande rechtvaardigt dat de beschikking van dit hof van 17 maart 2004 dienovereenkomstig gewijzigd wordt overweegt het hof verder als volgt.

30. De behoedzaamheid waarmee de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bij eerdere uitspraak vastgestelde onderhoudsbijdrage over een periode in het verleden gebruik dient te maken brengt mee dat, in geval zodanige wijziging ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in die periode feitelijk is betaald of verhaald, naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd moet worden beoordeeld of en in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd.

31. In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat de onverschuldigdheid en de daaruit voortvloeiende verplichting tot terugbetaling van hetgeen, als gevolg van een wijziging van de onderhoudsbijdrage overeenkomstig hetgeen in rechtsoverweging 19 is overwogen teveel is betaald, voor de vrouw, gezien de omvang van het betrokken bedrag, ingrijpend is, zodat het hof dient te beoordelen of deze terugbetaling van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd.

32. Het hof stelt voorop dat indien de vrouw, zoals van haar mocht worden verwacht, de man tijdig over de verhoging van haar inkomsten had geïnformeerd, het bedrag van de terugbetaling minder omvangrijk zou zijn geweest. Vaststaat dat de man een alimentatie van € 955,- bruto per maand aan de vrouw heeft betaald tot en met april 2009. Dat betekent dat de man over de periode 1 maart 2004 tot en met 1 april 2009 € 285,- (€ 955-/- € 670) per maand teveel heeft betaald, in totaal € 17.670,-. Daarnaast is hij over de periode 1 mei 2009 tot 1 mei 2010 aan de vrouw een bedrag van € 670,- per maand, totaal € 8.040,- verschuldigd. Het hof acht het redelijk van de vrouw te vergen dat zij een bedrag van € 8.000,- aan de man voldoet, nu zij eind 2009 nog beschikte over een spaartegoed van ongeveer € 12.000,-.

33. Met het oog daarop zal het hof de ingangsdatum van de bij dezen te wijzigen onderhoudsbijdrage bepalen op 1 maart 2004, te bepalen dat de bijdrage van € 670,- per maand nu deze is berekend als een gemiddelde over een aantal jaren, niet van rechtswege zal worden geïndexeerd, en verder beslissen als na te melden.

34. Gelet op het vorenstaande dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 17 maart 2004 – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud voor de periode van 1 maart 2004 tot 1 mei 2010 op € 670,- per maand met uitsluiting van de wettelijke indexering;

bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 8.000,- bruto teveel ontvangen alimentatie aan de man dient terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Pannekoek-Dubois en Van der Zanden, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2011.