Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU1302

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
22-000453-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BK6995, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de aangeefster omdat deze geen seks met hem wilde. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft de verdachte zich in een periode van anderhalf jaar meermalen schuldig gemaakt aan het verstrekken van cocaïne aan vrouwen in ruil voor seks. Het gebruik van drugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid en de handel in drugs brengt doorgaans andere vormen van criminaliteit met zich mee. Hiertegen dient streng te worden opgetreden. Dat de verdachte met zijn handelen niet direct financieel gewin heeft beoogd, doet hieraan niet af.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 september 2011 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, te weten voor bedreiging en wederspannigheid. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is -alles overwegende- van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden een passende en geboden reactie vormt.

.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 285
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000453-10

Parketnummers: 12-705590-09 en 12-700170-08

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 18 december 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te Curaçao (voormalige Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1955,

thans gedetineerd in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 26 mei, 9 juni, 21 juni, 8 juli en 13 december 2010, 3 en 12 januari, 6 juni, 4 juli, 12 en 19 september en 11 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 impliciet primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is -na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering- bij een tweetal inleidende dagvaardingen -waarvan de feiten, nu de zaken in eerste aanleg zijn gevoegd, door het hof zijn doorgenummerd- ten laste gelegd dat:

Parketnummer 12-705590-09

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2008 te Vlissingen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 14 juli 2008 te Vlissingen, in elk geval in het arrondissement Middelburg, meermalen, althans eenmaal opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Parketnummer 12-700170-08

3.

hij op of omstreeks 05 juli 2008 te Vlissingen opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen, althans eenmaal met een marmeren staaf, in elk geval een hard voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 impliciet primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest, een en ander overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde requisitoiraantekeningen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft verweer gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen. De raadsman heeft het hof allereerst verzocht de splitsing van de door de rechtbank gevoegde zaken te bevelen. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat slechts een kortere periode dan ten laste is gelegd bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Splitsing zaken

De raadsman heeft het hof verzocht om de zaak thans te splitsen en om afzonderlijke arresten te wijzen, enerzijds met betrekking tot de feiten 1 en 2 (betreffende mishandeling en het verstrekken van verdovende middelen) en anderzijds met betrekking tot feit 3 (betreffende het om het leven brengen van [slachtoffer]). Hij heeft daartoe aangevoerd dat de eerste twee feiten geen enkele relatie hebben met het feit van het levensdelict en dat de beide eerste feiten voldoen aan alle criteria om afgedaan te kunnen worden door de enkelvoudige kamer van het hof.

Het hof stelt vast dat de rechtbank ter terechtzitting van 2 april 2009 op vordering van de officier van justitie en met goedvinden van de raadsman de voeging van de afzonderlijk aangebrachte zaken heeft bevolen. Een nadere motivering is in het proces-verbaal van genoemde zitting niet gegeven, maar dat was, gelet op het feit dat zulks met goedvinden van de raadsman plaatsvond, ook niet noodzakelijk. Aangenomen moet worden dat de rechtbank -overeenkomstig het bepaalde in artikel 285, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering- van oordeel was dat de voeging in het belang van het onderzoek was.

De raadsman heeft gesteld dat hij zich niet herinnert bij de rechtbank goedkeuring voor de voeging ter terechtzitting te hebben gegeven en verwijst daarvoor naar zijn bij de rechtbank overgelegde pleitnota.

Het hof stelt voorop dat de rechter voor de beslissing tot voeging van zaken geen instemming van de raadsman behoeft, al zal de raadsman in de regel wel in de gelegenheid worden gesteld om zijn standpunt te geven. Op grond van het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2009 mag het hof aannemen dat de beslissing tot voeging is gegeven met goedvinden van de raadsman. In de opgemaakte processen-verbaal van de zittingen die nadien hebben plaatsgevonden is nergens te lezen dat de raadsman op enig moment heeft aangegeven dat de zojuist bedoelde vermelding in het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2009 onjuist is of dat hij verzoekt om alsnog tot splitsing van de zaken over te gaan. Ook in de destijds overgelegde pleitnota van de raadsman is niet te lezen dat hij wijst op een onjuiste weergave in het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2009, noch blijkt uit die pleitnota dat de raadsman alsnog splitsing heeft verzocht.

Onder deze omstandigheden neemt het hof aan dat het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2009 geen onjuiste mededeling bevat en dat de rechtbank met goedvinden van de raadsman besloten heeft tot voeging van de beide zaken. De zaken zijn bij het hof als gevoegde zaken aangebracht. Eerst bij pleidooi heeft de raadsman de voeging ter discussie gesteld en alsnog splitsing van de zaken verzocht.

Op de voet van artikel 285, derde lid, jo. artikel 415, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het hof de splitsing van gevoegde zaken bevelen wanneer er geen verband tussen de zaken bestaat of de voeging niet in het belang van het onderzoek is.

Het hof is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat er geen verband tussen de zaken bestaat. Zo is het slachtoffer bij het ten laste gelegde levensdelict en bij de ten laste gelegde mishandeling, welke feiten kort na elkaar zouden zijn gepleegd, dezelfde persoon, en zou de verdachte onder anderen aan deze persoon, kort voor haar overlijden, verdovende middelen hebben verstrekt. De raadsman heeft in zijn, overigens eerst bij pleidooi en dus bijna aan het einde van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gedane, verzoek niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat de voeging niet in het belang van het onderzoek is. Het door de raadsman aangeduide belang, namelijk de mogelijkheid van schadevergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis bij een eventuele vrijspraak van het levensdelict, is niet een belang van het onderzoek als in de wet bedoeld. Evenmin is in dit verband relevant of de beide lichtere zaken oorspronkelijk bij de politierechter hadden kunnen worden aangebracht en daarna in hoger beroep door de enkelvoudige kamer van het hof hadden kunnen worden behandeld. Het verzoek om splitsing wordt afgewezen.

De verklaringen van de verdachte

De raadsman heeft gesteld dat de vanaf 1 september 2008 door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebezigd nu bij deze verhoren zonder overleg (het hof begrijpt: met de verdediging) geen gebruik is gemaakt van een tolk.

Het hof sluit zich ten aanzien van dit verweer volledig aan bij hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen. Het hof voegt daaraan toe dat het hof heeft vastgesteld dat, nadat ter terechtzitting in hoger beroep met de verdachte was afgesproken dat de aanwezige tolk alleen zou vertalen indien de verdachte aan de tolk zou aangeven dat hij iets niet begreep, de tolk slechts heel af en toe iets voor de verdachte heeft moeten vertalen. Het hof leidt hieruit af, dat er ter terechtzitting van het hof geen sprake is geweest van een taalprobleem. De verdachte beheerst de Nederlandse taal in behoorlijke mate en niet aannemelijk is geworden dat dat gedurende het voorbereidend onderzoek anders is geweest. Ook is niet duidelijk gemaakt welke (onderdelen) van de verklaringen door het gemis van een tolk onjuist in de processen-verbaal van de verklaringen van de verdachte zijn opgenomen. Het hof concludeert dat de verdachte door het niet steeds inschakelen van een tolk bij de politieverhoren niet in zijn belang is geschaad en verwerpt het ter zake gevoerde verweer.

Het oordeel van het hof ten aanzien van de feiten 1 en 2

Het hof stelt op basis van wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.1

Ten aanzien van feit 1

Aangeefster [slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte op 24 juni 2008 in een woning in Vlissingen tegen haar heeft gezegd: "Ik wil met je neuken" en dat zij daarop heeft gezegd: "Vergeet het maar." Direct daarna gaf de verdachte haar met zijn vuist een harde stomp tegen haar gezicht. Daarna stompte hij nog een keer hard tegen haar hoofd en gezicht. De aangeefster is vervolgens naar het ziekenhuis in Vlissingen gegaan, alwaar zij is onderzocht.2 Uit de zich in het dossier bevindende letselbeschrijving blijkt dat bij de aangeefster drukpijnlijke zwellingen op het linker-slaapgebied, rond de linkeroogkas en aan het linker-ooglid zijn geconstateerd, alsook een bloeduitstorting lopend van het voorhoofd tot halverwege de linkerwang.3 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 bekend dit feit te hebben gepleegd.

Ten aanzien van feit 2

De getuige [getuige A] heeft tegenover de politie verklaard dat zij driekwart jaar met [slachtoffer feiten 1 en 3] heeft samengewoond in een woning van het HKPD (het hof begrijpt: Stichting Huiskamerproject voor drugsgebruikers) te Vlissingen en dat zij toen seks had met de verdachte omdat hij spul bij zich had. Zij gebruikte meestal cocaïne. [Getuige A] heeft tot april 2007 in de betreffende woning gewoond.4

De getuige [getuige B], wonende te Vlissingen, heeft tegenover de politie verklaard dat zij een keer cocaïne van de verdachte heeft aangenomen en dat zij toen met hem naar bed moest.5 Ook de getuige [getuige C] heeft verklaard dat zij een keer drugs heeft gekregen van de verdachte en dat hij er seks voor terug wilde. [Getuige C] heeft op 28 juli 2008 verklaard dat zij de verdachte anderhalf jaar geleden heeft leren kennen, alsook dat de verdachte een paar weken daarvoor bij haar thuis in Middelburg is geweest en dat hij toen cocaïne voor hen had meegenomen.6 De getuige [getuige D] heeft verklaard dat [slachtoffer feiten 1 en 3] seks had met de verdachte en daar cocaïne voor terugkreeg.7

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 september 2009 verklaard dat het klopt dat hij aan [getuige A], [getuige B], [getuige C] en [slachtoffer feiten 1 en 3] cocaïne heeft gegeven. De verdachte heeft verklaard dat hij kort voor het overlijden van [slachtoffer feiten 1 en 3] drugs aan haar heeft gegeven. Tegenover de politie heeft de verdachte op 1 september 2008 verklaard dat het lang geleden is dat hij [getuige A] cocaïne heeft gegeven, misschien wel twee jaar geleden, dat [getuige B] de eerste was aan wie hij cocaïne gaf en dat hij [getuige B] in 2008 voor het laatst cocaïne heeft gegeven.8

Op grond van de inhoud van deze verklaringen is het hof -anders dan de verdediging- van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode cocaïne heeft verstrekt aan anderen.

Het oordeel van het hof ten aanzien van feit 3

Aantreffen van het slachtoffer en de plaats delict

Op 6 juli 2008 is rond het middaguur op de Noorderbegraafplaats in Vlissingen het stoffelijk overschot van [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1965, aangetroffen. Het slachtoffer lag op haar buik achter graven en struiken. Zij was gekleed in een oranje hemdje en een bermuda.9 Op de scheiding van het grindpad en het graspad bij een op die begraafplaats staand bankje is in het grind een sleepspoor aangetroffen. In het gras en de aarde is een soortgelijk doorlopend sleepspoor aangetroffen, welk spoor eindigde bij de neuzen van de schoenen van het slachtoffer. Het sleepspoor is zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de neuzen van de schoenen van het slachtoffer.10 Hieruit leidt het hof af dat het slachtoffer is versleept vanuit de nabijheid van genoemd bankje op de begraafplaats naar de plek waar zij is aangetroffen.

Doodsoorzaak

Bij sectie op het lichaam van het slachtoffer is gebleken dat zij letsels aan het hoofd had, die bij leven zijn ontstaan door inwerking van hevig uitwendig mechanisch botsend stomp geweld op het hoofd. De letsels zijn ontstaan door herhaaldelijke (tenminste twee keren, gezien de twee impressiefracturen) inwerking van dat geweld, zoals bijvoorbeeld hevig slaan met een hard voorwerp. Deze letsels hebben geresulteerd in onder andere bloeduitstortingen onder de hersenvliezen en in de hersenen en tekenen van inklemming.11

Uit toxicologisch onderzoek blijkt dat in het bloed van het slachtoffer onder meer alcohol, opiaten, cocaïne en benzodiazepinen zijn aangetroffen.12

Het intreden van de dood van het slachtoffer wordt verklaard door vochtophoping in de hersenen en herseninklemming als verwikkelingen van traumatische letsels aan het hoofd in combinatie met de stoffen die zijn aangetoond bij toxicologisch onderzoek.13

Op de plaats delict zijn onder meer stukken marmer, afkomstig van een grafmonument, aangetroffen.14 Bij microsporenonderzoek zijn in en/of op het huiddeel en de botdelen van het schedeldak van het slachtoffer calciet met magnesium, kwarts en veldspaat aangetroffen. Op grond van dit microsporenonderzoek kan worden geconcludeerd dat het veel waarschijnlijker is dat de microsporen afkomstig zijn van het op de plaats delict aangetroffen stuk marmer met spoornummer 36, dan van een ander object.15 Deze bevindingen rechtvaardigen de conclusie dat het slachtoffer met behulp van een stuk marmer om het leven is gebracht.

Het tijdstip van overlijden

Uit het rapport van de entomoloog blijkt dat de eieren waaruit de onderzochte maden zijn uitgekomen op het stoffelijk overschot zijn afgezet op 5 juli 2008 tussen zonsopkomst, te weten 05.37 uur, en zonsondergang, te weten 22.04 uur.16 Hieruit concludeert het hof dat de dood van het slachtoffer moet zijn ingetreden op 5 juli 2008 vóór 22.04 uur.

De uren voorafgaand aan de dood van het slachtoffer

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 verklaard dat hij op 5 juli 2008

's middags met het slachtoffer had afgesproken op het Van Nispenplein in Vlissingen. Aldaar hebben zij op een bankje gezeten. De verdachte is tussendoor even weggegaan om bij Albert Heijn vier blikken bier van een halve liter van het merk Euroshopper te kopen. Deze blikken heeft hij in een plastic tas van Albert Heijn vervoerd naar het Van Nispenplein. De verklaring van de verdachte wordt in grote lijnen ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige E] en [getuige F], die op de betreffende middag op het Van Nispenplein aan het voetballen waren.17 Het hof stelt mitsdien vast dat de verdachte en het slachtoffer elkaar op de dag waarop het slachtoffer om het leven is gebracht hebben ontmoet.

De getuige [getuige G] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 5 juli 2008 rond 14.00 uur zag dat een man vanaf het plantsoen tegenover de woning van de getuige, gelegen aan de Van de Spiegelstraat te Vlissingen, kwam gelopen. De getuige omschrijft deze man als een man van middelbare leeftijd met een mager postuur, ongeveer 1.85 meter lang, een bruine huidskleur en een kaal hoofd met grijs kort haar aan de zijkanten. De getuige zag dat de man wegfietste en tegelijkertijd iets riep in de richting van de bosjes. Vanuit de bosjes zag de getuige een vrouw tevoorschijn komen. De getuige omschrijft deze vrouw als een vrij forse vrouw, gekleed in een oranje T-shirt en een licht kakiachtige korte broek tot net boven de knie. De vrouw had een fiets bij zich. De man met de bruine huidskleur stond even verderop naar haar te schreeuwen. De vrouw oogde dronken. Zij viel tot drie keer toe voordat zij op haar fiets kon stappen. Uiteindelijk is de vrouw op de fiets geraakt en is zij samen met de man weggereden in de richting van de Lannoystraat.18

Het hof acht het aannemelijk dat de getuige de verdachte en het slachtoffer heeft gezien.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij alleen is weggefietst en dat het slachtoffer op het Van Nispenplein is achtergebleven.

De getuige [getuige H] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 5 juli 2008 een vrouw heeft zien fietsen op de kruising van de Van Dishoeckstraat met de Paul Krugerstraat in Vlissingen. Hij is er nagenoeg zeker van dat dit het slachtoffer betrof, dat hij kent als een gebruikster uit Vlissingen. De vrouw maakte gebaren alsof zij ruzie had met iemand. De getuige zag aan de overkant van de straat een man staan die gebaren maakte naar de vrouw. Dit betrof een blanke man. De getuige heeft aanvankelijk verklaard dat dit tussen 14.00 en 14.30 uur was, toen hij boodschappen ging doen.19 Nadien heeft de getuige verklaard dat hij om 14.15 uur een telefoongesprek heeft gevoerd, dat dit gesprek vermoedelijk thuis heeft plaatsgevonden en dat hij daarna boodschappen is gaan doen.20

De getuige [getuige I] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 5 juli 2008 omstreeks 15.00 uur met zijn vrouw en een neef naar de Noorderbegraafplaats in Vlissingen is gereden. Aldaar zag hij op een bankje een man en een vrouw zitten. Door de blik in de ogen van de vrouw, kreeg hij de indruk dat zij dronken was of drugs had gebruikt. De getuige omschrijft de man als een man van eind veertig jaar oud met een vrij slank postuur, donker haar, mogelijk iets grijzend, een lichtbruine huidskleur, Surinaams type. De man droeg lichtblauwe spijkerkleding. Toen [getuige I] na vijf minuten weer voorbij het bankje kwam, zag hij dat de man en de vrouw nog steeds op het bankje zaten. De man had inmiddels een soort -vermoedelijk blauw geblokte- theedoek op zijn hoofd.21

De getuige [getuige J], echtgenote van de getuige [getuige I], heeft tegenover de politie verklaard dat zij op 5 juli 2008 rond 15.30 uur met haar man en een neef op de begraafplaats in Vlissingen was en dat zij aldaar een man en een vrouw op een bankje heeft zien zitten. De man omschrijft zij als een man van eind veertig jaar oud, met een slank postuur, donker/zwart krullend haar dat dicht op zijn hoofd achterover was gekamd, geen gezichtsbeharing en een getinte huidskleur, niet direct een neger, mogelijk een zigeuner. De man droeg mogelijk een donkerkleurig jackje en een donkerkleurige broek, mogelijk een jeans. Opvallend was dat de man een blauwwit geblokt handdoekje op zijn hoofd had.22

De getuige [getuige J] heeft op 10 juli 2008 tegenover de politie verklaard dat haar man en zij na het zien van de foto van het slachtoffer in de krant en bij het televisieprogramma Opsporing Verzocht, er voor nagenoeg 100 procent van overtuigd waren dat dit de vrouw betrof die zij op 5 juli 2008, omstreeks 15.30 uur, op een bankje op de begraafplaats hadden zien zitten.23

Het hof stelt op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige J] en [getuige I] vast dat het slachtoffer zich op 5 juli 2008 omstreeks 15.30 uur op de Noorderbegraafplaats in Vlissingen heeft bevonden en dat zij toen nog leefde.

Herkenning van de verdachte door de getuigen [getuige I] en [getuige J]

De getuige [getuige I] is naar aanleiding van zijn verklaring door de politie geconfronteerd met een aantal foto's, waaronder een foto van de verdachte. Daargelaten of deze fotoconfrontatie precies volgens de regels is uitgevoerd -hetgeen door de verdediging op grond van een rapport van rechtspsycholoog Van Koppen wordt betwist-, stelt het hof vast dat de getuige de verdachte niet heeft aangewezen als zijnde de man die hij op 5 juli 2008 op een bankje op de Noorderbegraafplaats in Vlissingen heeft gezien (hij heeft bij de foto van de verdachte slechts de opmerking gemaakt: "Dat voorhoofd").24

De getuige [getuige I] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 september 2009 verklaard dat hij de op die terechtzitting aanwezige verdachte voor 100 procent

herkent als de man die hij op 5 juli 2008 op een bankje op de begraafplaats heeft gezien. De houding van die man zag de getuige terug in de houding van de verdachte. Ook herkende de getuige de verdachte aan de vorm van zijn hoofd. De getuige heeft voorts verklaard dat de man op het bankje een snor en kort haar had. Het hof merkt op dat de getuige bij zijn eerdere verklaring bij de politie en bij de fotoconfrontatie niet heeft gesproken over een snor bij de man op het bankje.

De getuige [getuige J] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 september 2009 eveneens verklaard dat zij de op die terechtzitting aanwezige verdachte herkent als de man die zij op 5 juli 2008 op een bankje op de begraafplaats heeft gezien. Zij herkende hem aan (het model van) zijn hoofd, zijn (rustige) houding en de blik die hij uitstraalt, het stille bewegingsloze gezicht, en zijn postuur.

Rechtspsycholoog Van Koppen heeft met betrekking tot de herkenningen van de verdachte door de getuigen ter terechtzitting geconcludeerd dat de waarde van die 'herkenningen' gering is, omdat er zoveel andere verklaringen zijn anders dan dat de 'herkenningen' gebaseerd zijn op het eigen geheugen van het uiterlijk van de man op het bankje op de begraafplaats. Van Koppen wijst op twee factoren die de waarde van een 'herkenning' in de rechtszaal uiterst gering maken. Ten eerste is er sprake van een éénpersoonsconfrontatie (een confrontatie zonder figuranten), welke confrontatie -blijkens onderzoek- een verhoogde kans op een valse identificatie heeft. Ten tweede is de verdachte de enige mogelijke dader en de politie heeft al veel ander bewijs tegen hem, anders had hij niet terechtgestaan. Daarnaast wijst Van Koppen er onder meer op dat de 'herkenning' door de getuigen [getuige I] en [getuige J] plaatsvond na veertien maanden, hetgeen erg lang geleden is om iemand die men hooguit enkele minuten zag te herkennen, dat de getuigen -naar eigen zeggen- erg betrokken waren bij de zaak, hetgeen hun drang om tot een herkenning te komen versterkt kan hebben, en dat de getuigen niet onafhankelijk waren, gezien de verklaring van de getuige [getuige J] inhoudende dat zij tegen haar man had gezegd: "Ik heb hem herkend. Ik ben benieuwd of jij hem ook herkent", of woorden van gelijke strekking. Van Koppen stelt dat de 'herkenningen' in praktische termen van nul en generlei waarde zijn.25

Mede in aanmerking genomen hetgeen door Van Koppen naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat de 'herkenningen' van de verdachte door de getuigen [getuige I] en [getuige J] twijfel oproepen en daarom niet aan het bewijs tegen de verdachte kunnen bijdragen.

Verdachte en slachtoffer samen?

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de verdachte alleen dan wel samen met het slachtoffer van het Van Nispenplein is weggefietst. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof niet kan vaststellen dat de verdachte en het slachtoffer daarna in elkaars gezelschap zijn gebleven.

Op de plaats delict aangetroffen voorwerpen

Handdoek

Op de begraafplaats is een blauw geblokte handdoek (genummerd FUA681) aangetroffen.

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft vergelijkend DNA-onderzoek verricht met betrekking tot op de handdoek gevonden sporen.26

Het NFI heeft geconcludeerd dat in de sporen FUA681#1, #2, #3, #4 en #5 bloed/celmateriaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer. Niet vermeld is, dat het aangetroffen materiaal afkomstig kan zijn van de verdachte.

Het NFI heeft voorts geconcludeerd dat een op de handdoek aangetroffen dierhaar (FUA681#6) zeer wel mogelijk van de hond Angel van [getuige K], een vriendin van de verdachte, afkomstig is.

Ook Independent Forensic Services (hierna: IFS) heeft met betrekking tot de handdoek vergelijkend DNA-onderzoek verricht.27

IFS heeft vier monsters op de handdoek onderzocht: FUA681IFS#10, #11, #14 en #20.

IFS concludeert dat in de monsters #10, #11 en #14 het DNA-profiel van het slachtoffer kan worden herkend. DNA van de verdachte wordt in deze sporen niet herkend.

Voorts stelt IFS dat het monster FUA681IFS#20 volledige (autosomale en Y-chromosomale) DNA-mengprofielen bevat. In deze profielen wordt het DNA-profiel van de verdachte herkend. De kans dat de DNA-kenmerken van een willekeurig gekozen individu binnen het autosomale DNA-mengprofiel passen, bedraagt minder dan 1 op de miljoen.

IFS concludeert dat er aanzienlijke steun is voor de hypothese dat de verdachte celmateriaal aan deze bemonstering heeft bijgedragen.

DNalysis onderschrijft in haar expert-review de conclusies van IFS.28

Phi Advies heeft zich uitgelaten over het onderzoek van IFS.29 Ten aanzien van de door IFS getrokken conclusie dat het DNA-profiel van de verdachte in monster #20 wordt herkend, merkt Phi Advies op dat niet duidelijk is wat "herkennen" betekent en wat de bewijswaarde ervan is. Phi Advies merkt op dat niet alle DNA-kenmerken van de verdachte in het spoor voorkomen. Phi Advies deelt daarom niet de conclusie van IFS dat er aanzienlijke steun is voor de hypothese dat de verdachte celmateriaal aan deze bemonstering heeft bijgedragen.

Het Forensisch laboratorium voor DNA onderzoek (hierna: FLDO) heeft geconcludeerd dat een op de handdoek aangetroffen dierhaar (FUA681#6) afkomstig kan zijn van de hond Angel van [getuige K].30 De kans bestaat dat een andere hond hetzelfde profiel heeft.

IFS heeft de bemonsteringen #10, #11, #14 en #20 met behulp van de NGM-kit nader onderzocht en daarover gerapporteerd.31 IFS concludeert als volgt:

Ten aanzien van #11: de resultaten van de NGM-kit komen overeen met die van het eerder uitgevoerde onderzoek.

Ten aanzien van #10 en #14: naast de DNA-kenmerken die matchen met het profiel van het slachtoffer zijn ook 10 (#10) respectievelijk 9 (#14) extra kenmerken aangetroffen. Deze komen op 2 (#10) respectievelijk 1 (#14) na overeen met het profiel van de verdachte. Niet uitgesloten is dat een deel van de extra kenmerken is veroorzaakt door een geringe bijdrage van celmateriaal van de verdachte en een onbekende persoon. De technische bewijswaarde van de extra kenmerken is gering. Indien (naast het slachtoffer) twee personen aan de bemonstering hebben bijgedragen, kan de verdachte niet worden uitgesloten als donor.

Ten aanzien van #20: met behulp van de NGM-kit zijn van deze bemonstering mengprofielen verkregen. Het grootste deel van de DNA-kenmerken komt overeen met die in het profiel van de verdachte. Er is zeer veel steun voor de hypothese dat de verdachte celmateriaal aan de bemonstering heeft bijgedragen.

Het hof stelt op grond van het bovenstaande ten aanzien van de verdachte vast, dat IFS het DNA-profiel van de verdachte herkent in het mengprofiel van de bemonstering #20 en dat IFS daaraan aanvankelijk de conclusie heeft verbonden dat er aanzienlijke steun is voor de hypothese dat de verdachte celmateriaal aan deze bemonstering heeft bijgedragen. Deze conclusie wordt bevestigd door DNalysis maar betwist door Phi Advies. Nader onderzoek heeft IFS gebracht tot de conclusie dat er zelfs zeer veel steun is voor de hypothese dat de verdachte celmateriaal aan de bemonstering heeft bijgedragen. Het hof is van oordeel dat, indien moet worden aangenomen dat de DNA-vergelijking een aanwijzing oplevert voor de stelling dat de verdachte de handdoek vast heeft gehad, daarmee nog niet is vastgesteld wanneer en op welke plaats dat is gebeurd. De verdachte heeft immers verklaard dat de handdoek soortgelijk is aan die welke in zijn werkomgeving (Landal GreenParks) gebruikt worden en dat hij zo'n handdoek aan het slachtoffer heeft gegeven. Op grond van voormelde onderzoeken kunnen naar het oordeel van het hof geen zekere conclusies worden getrokken over de vraag of de verdachte de handdoek op de begraafplaats rond het overlijden van het slachtoffer in handen heeft gehad.

Het hof stelt met betrekking tot de gevonden dierhaar vast, dat zowel het NFI als het FLDO concluderen dat deze afkomstig kan zijn van een hond van [getuige K]. Het NFI spreekt over "zeer wel mogelijk", het FLDO spreekt over "mogelijk", waarbij de kans bestaat dat een andere hond hetzelfde profiel heeft.

Het hof stelt vast dat [getuige K] heeft verklaard dat de verdachte de vijf nachten vóór zaterdag 5 juli 2008 bij haar in haar woning de nacht heeft doorgebracht.32 Dat zou naar het oordeel van het hof kunnen verklaren hoe de haar op de handdoek terecht is gekomen, hetzij rechtstreeks, hetzij via de verdachte. Wanneer dat precies is gebeurd, kan niet worden vastgesteld. Niet kan met voldoende zekerheid geconcludeerd worden dat de verdachte de dierhaar op de handdoek heeft overgebracht op de begraafplaats.

Washandje

Op de begraafplaats is een washandje (genummerd FUA683) aangetroffen.

Het NFI heeft vier monsters van het washandje onderzocht (te weten FUA683#1, #2, #3 en #4), waarvan de laatste twee geen voor vergelijking geschikte DNA-profielen hebben opgeleverd.33

Het NFI concludeert ten aanzien van #1 dat daarin een onvolledig DNA-profiel is verkregen, matchend met het slachtoffer, en dat #2 (mogelijk als gevolg van contaminatie) een profiel oplevert dat matcht met dat van een NFI-medewerker. De profielen van het slachtoffer en de verdachte matchen niet met dit laatste aangetroffen profiel.

Het NFI heeft ten aanzien van een aan de binnenzijde van het washandje aangetroffen dierhaar en drie dierhaardelen (#5, #6, #7 en #8) geconcludeerd dat deze zeer wel mogelijk passen bij de hond Angel van [getuige K] en ten aanzien van een ander dierhaardeel (#9) in het washandje dat dat mogelijk van de kat Kita van [getuige K] afkomstig is.

IFS heeft DNA-onderzoek verricht aan extracten van door het NFI onderzochte sporen.34

Ten aanzien van spoor FUA683#1C concludeert IFS, dat het spoor bloed bevat dat van het slachtoffer afkomstig kan zijn en dat er steun is voor de hypothese dat de verdachte een geringe hoeveelheid celmateriaal aan de bemonstering heeft bijgedragen.

Ten aanzien van spoor FUA683#2C concludeert IFS, dat zich daarin celmateriaal bevindt van een onbekende persoon. De DNA-profielen van de verdachte, het slachtoffer of [getuige K] worden niet herkend.

IFS heeft ook andere monsters onderzocht: FUA683IFS#5, #6, #7, #8, #9 en #10.

Ten aanzien van #5 concludeert IFS, dat de verdachte celmateriaal aan de bemonstering kan hebben bijgedragen en daarnaast tenminste één onbekende man. De profielen van het slachtoffer en [getuige K] worden niet herkend.

Ten aanzien van #6 concludeert IFS, dat enkele DNA-kenmerken zijn gevonden die kunnen worden verklaard door de vermenging van een geringe hoeveelheid celmateriaal van de verdachte met een geringe hoeveelheid celmateriaal van het slachtoffer. Het profiel van [getuige K] wordt in de combinatie van kenmerken niet herkend.

Ten aanzien van #7 concludeert IFS, dat DNA-kenmerken aanwezig zijn van tenminste twee personen. De combinatie van kenmerken komt niet terug in de profielen van het slachtoffer en [getuige K]. Alle kenmerken op één na komen terug in het profiel van de verdachte. De kenmerken kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid celmateriaal van de verdachte gemengd met een zeer kleine hoeveelheid celmateriaal van een onbekend persoon.

Ten aanzien van #8 concludeert IFS, dat DNA-kenmerken aanwezig zijn van tenminste twee mannen. De verdachte kan celmateriaal aan deze bemonstering hebben bijgedragen. Er is ook een geringe hoeveelheid celmateriaal aanwezig van tenminste één andere man.

Ten aanzien van #9 concludeert IFS, dat DNA-kenmerken aanwezig zijn van tenminste twee mannen. Het profiel van de verdachte wordt in de verkregen profielen herkend, hij kan dus celmateriaal aan deze bemonstering hebben bijgedragen. De kans dat de DNA-kenmerken van een willekeurig gekozen individu binnen dit mengprofiel passen, bedraagt minder dan 1 op de miljoen. Tevens is in deze bemonstering een zeer geringe hoeveelheid celmateriaal aanwezig van tenminste één andere man. De profielen van het slachtoffer en [getuige K] worden niet herkend.

Ten aanzien van #10 concludeert IFS, dat DNA-kenmerken aanwezig zijn van tenminste twee mannen. Het profiel van de verdachte wordt in de verkregen profielen herkend, hij kan dus celmateriaal aan deze bemonstering hebben bijgedragen. Tevens is in deze bemonstering een zeer geringe hoeveelheid celmateriaal aanwezig van tenminste één andere man. De profielen van het slachtoffer en [getuige K] worden niet herkend.

IFS concludeert dat er steun is voor de hypothese dat de verdachte celmateriaal heeft bijgedragen aan de bemonsteringen van het washandje en voor de hypothese dat het slachtoffer bloed op het washandje heeft achtergelaten. Het merendeel van de aangetroffen DNA-kenmerken kan worden verklaard aan de hand van celmateriaal dat door de verdachte en door het slachtoffer op het washandje kan zijn achtergelaten.

Naast celmateriaal dat afkomstig kan zijn van de verdachte, het slachtoffer en een NFI-medewerker is een geringe hoeveelheid celmateriaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van tenminste twee onbekende mannen.

DNalysis onderschrijft in haar expert-review de conclusies van IFS.35

Het FLDO concludeert ten aanzien van de dierhaarmonsters #5, #6 en #7, dat deze afkomstig kunnen zijn van de hond Angel van [getuige K], waarbij de kans bestaat dat een andere hond hetzelfde profiel heeft, en dat deze niet afkomstig kunnen zijn van de kat Kita van [getuige K]. Spoor #9 kan noch van de hond Angel noch van de kat Kita afkomstig zijn.36

Het hof stelt vast dat (uitsluitend) IFS heeft geconcludeerd dat op het washandje een aanzienlijke hoeveelheid celmateriaal is aangetroffen dat van de verdachte afkomstig kan zijn. Het hof merkt overigens wel op, dat bij geen van de onderzochte bemonsteringen sprake is van een match van het volledige DNA-profiel van de verdachte met een volledig in het monster aangetroffen profiel.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 verklaard dat het op de begraafplaats aangetroffen washandje niet van hem is.

Het hof leidt uit de verklaring van [getuige K] af, dat zij in het bezit is geweest van eenzelfde washandje, maar dat zij dat niet meer kon vinden toen daar naar gevraagd werd door de politie. [Getuige K] heeft voorts verklaard dat de verdachte op de ochtend van 5 juli 2008 zich bij haar boven in de woning heeft opgefrist.37 Tevens kan uit diverse verklaringen worden afgeleid dat de verdachte regelmatig gebruik maakte van een washandje om zich het zweet van het gezicht te vegen.38 Tenslotte is er de bevinding van het NFI als hiervoor vermeld dat een in het washandje aangetroffen dierhaar en enkele dierhaardelen (zeer wel) mogelijk van de hond Angel van [getuige K] afkomstig zijn.

Het hof is van oordeel dat de bevindingen van IFS met betrekking tot op het washandje aangetroffen celmateriaal en de hiervoor opgesomde omstandigheden met betrekking tot de aan de binnenzijde van het washandje aangetroffen dierhaar en dierhaardelen een belangrijke aanwijzing zijn dat het washandje van [getuige K] afkomstig is en door de verdachte uit de woning van [getuige K] is meegenomen.

Wijnfles

Op de begraafplaats is een kapotte wijnfles (genummerd FUA509) aangetroffen welke afkomstig was van Landal GreenParks, de werkomgeving van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 verklaard dat hij wel eens flessen wijn van zijn werk mee naar huis nam. Zo'n fles had hij ook op zaterdag 5 juli 2008 bij zich toen hij met het slachtoffer op het Van Nispenplein was.

IFS heeft twee monsters onderzocht: extract FUA509#1C van de flessenhals en extract FUA509#2C van het schroefdeel en de binnenzijde van de dop.39

IFS concludeert ten aanzien van #1C, dat het hoofdprofiel van deze bemonstering (bloed) overeenkomt met het profiel van het slachtoffer.

IFS concludeert ten aanzien van #2C, dat het merendeel van de aangetroffen DNA-kenmerken overeenkomt met het profiel van de verdachte en dat er dus steun is voor de hypothese dat de verdachte heeft bijgedragen aan deze bemonstering. Daarnaast kan het slachtoffer een geringe hoeveelheid celmateriaal hebben bijgedragen. Er is steun voor de hypothese dat de verdachte als laatste uit de fles heeft gedronken.

DNalysis onderschrijft de conclusie van IFS.40

Phi Advies deelt niet zonder meer de conclusie van IFS dat er steun is voor de hypothese dat de verdachte als laatste uit de fles heeft gedronken, omdat andere scenario's denkbaar maar niet door IFS besproken zijn.41

Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat aan de sporen op de wijnfles geen bewijswaarde moet worden toegekend. Aangenomen dat op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek er steun is voor de hypothese dat de verdachte aan de bemonstering van #2C heeft bijgedragen, en dus uit de fles heeft gedronken, kan niet vastgesteld worden wanneer of waar dat is gebeurd, en met name niet of dat op de begraafplaats is gebeurd. Evenmin kan vastgesteld of aannemelijk geacht worden, dat de verdachte als laatste uit de fles heeft gedronken. Als er meer celmateriaal van de verdachte dan van het slachtoffer is aangetroffen, kan dat zeer wel mogelijk ook door andere feitelijkheden worden verklaard. Zo wordt bijvoorbeeld niet door iedereen of bij iedere wijze van drinken uit een fles door een aanraking evenveel celmateriaal door de drinker achtergelaten. Hierover is niets bekend. De bevindingen met betrekking tot de wijnfles geven dus geen dwingende aanwijzing dat de verdachte op de begraafplaats is geweest.

Plastic tas en kassabonnetje van Albert Heijn

Niet ter discussie staat dat de op de begraafplaats aangetroffen plastic tas en het kassabonnetje van Albert Heijn betrekking hebben op de door de verdachte op zaterdagmiddag 5 juli 2008 in laatstgenoemde winkel aangekochte blikken bier, welke de verdachte vervolgens heeft meegenomen naar het Van Nispenplein waar hij samen met het slachtoffer was. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 verklaard de plastic tas met daarin blikken bier die nog niet opgedronken waren bij het slachtoffer op het Van Nispenplein te hebben achtergelaten. Niet kan worden vastgesteld dat door toedoen van de verdachte de plastic tas en het kassabonnetje op de begraafplaats zijn terechtgekomen. De aanwezigheid van deze goederen op de begraafplaats is weliswaar een aanwijzing, maar leidt niet tot de dwingende conclusie dat de verdachte deze goederen op die plaats heeft gebracht of achtergelaten.

Theedoek

Op de begraafplaats is een theedoek aangetroffen. Deze is soortgelijk aan de theedoeken die in de werkomgeving van de verdachte (Landal GreenParks) gebruikt worden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 aangegeven zulke theedoeken van het werk te hebben meegenomen. Er is geen vergelijkend DNA-onderzoek verricht met betrekking tot eventuele sporen op de theedoek.

Marmer

Op de begraafplaats zijn drie (bij elkaar behorende) stukken marmer (genummerd FUA663, FUA677 en FUA678) aangetroffen. Aangenomen wordt, ook door de advocaat-generaal en de verdediging, dat het slachtoffer door slagen op het hoofd met dit marmer om het leven is gebracht.

Marmer FUA678

Noch het NFI noch IFS heeft bevonden dat celmateriaal van de verdachte aan de bemonsteringen van dit stuk marmer kan hebben bijgedragen.42

Marmer FUA663

In de onderzochte bemonsteringen FUA663 #1 en #2 is door het NFI geen celmateriaal aangetroffen dat van de verdachte afkomstig kan zijn.43

Marmer FUA677 #1, #2, #4 en #11

Uit de conclusies van IFS kan worden afgeleid dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte celmateriaal aan deze bemonsteringen heeft bijgedragen.44

IFS heeft deze bemonsteringen nader onderzocht met behulp van de NGM-kit.45 IFS handhaaft de in het eerdere rapport gegeven conclusies dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte aan deze bemonsteringen heeft bijgedragen.

Marmer FUA677 #7, #9 en #10: de stand van het onderzoek vóór de behandeling in hoger beroep

Het NFI heeft onderzoek verricht aan de bemonstering #9.46 Het NFI concludeert dat het gaat om celmateriaal dat van het slachtoffer afkomstig kan zijn, vermengd met materiaal van tenminste één andere persoon. Er zijn geen aanwijzingen voor aanwezigheid van celmateriaal van de verdachte.

IFS heeft onderzoek verricht aan de bemonsteringen #7, #9 en #10.47

Ten aanzien van #7 stelt IFS dat het DNA-profiel van het op het marmer aangetroffen bloed matcht met dat van het slachtoffer. Daarnaast zijn DNA-kenmerken aangetroffen die passen in het profiel van een IFS-medewerker en kenmerken die passen in het profiel van de verdachte. Er is steun voor de hypothese dat het slachtoffer, de verdachte en een IFS-medewerker celmateriaal aan de bemonstering hebben bijgedragen.

Ten aanzien van #9 concludeert IFS dat er steun is voor de hypothese dat het slachtoffer, de verdachte, een medewerker van IFS en een of meer onbekende mannen celmateriaal aan de bemonstering hebben bijgedragen. De hoeveelheid celmateriaal die door de verdachte kan zijn achtergelaten is groter dan die van de onbekende personen.

Ten aanzien van #10 concludeert IFS dat de bemonstering van het (bloed)spoor celmateriaal bevat dat van het slachtoffer afkomstig kan zijn. Daarnaast zijn nog andere DNA-kenmerken aangetroffen. Er is steun voor de hypothese dat het slachtoffer, de verdachte en een IFS-medewerker celmateriaal aan de bemonstering hebben bijgedragen.

DNalysis onderschrijft de conclusies van IFS.48

Phi Advies heeft kritiek op de door IFS gegeven conclusie, omdat de wijze waarop IFS de DNA-mengprofielen interpreteert, niet in lijn is met de in internationaal verband gepubliceerde richtlijn. IFS beschouwt ten onrechte geen alternatieve scenario's.49 Phi Advies concludeert dat de verdachte juist uit te sluiten is als donor van het celmateriaal in de bemonstering #9.

Marmer FUA677 #7, #9 en #10: de stand van het onderzoek ten tijde van de behandeling in hoger beroep

IFS heeft met behulp van de NGM-kit nader onderzoek verricht aan de bemonsteringen # 7, #9 en #10 en daarover op 5 december 2010 gerapporteerd.

Het NFI heeft bij rapport d.d. 17 mei 2011 een expert-review gegeven met betrekking tot de door IFS verrichte onderzoeken aan de bemonsteringen #7, #9 en #10.

Het FLDO heeft bij rapporten d.d. 23 maart 2011 en 28 juni 2011 ter zake ook een expert-review gegeven.

IFS, het NFI en het FLDO hebben bij rapporten d.d. respectievelijk 3 augustus 2011, 17 augustus 2011 en 22 augustus 2011 gereageerd.

Het IFS concludeert als volgt.50

Op het marmer is bloed aangetroffen dat van het slachtoffer afkomstig kan zijn.

Met nieuw onderzoek met de NGM-kit zijn op andere loci additionele DNA-kenmerken verkregen die merendeels passen in de profielen van de IFS-medewerker en de verdachte. Deze bevindingen bevestigen de eerder verkregen resultaten. De bewijswaarde van de sporen neemt daardoor toe.

In de DNA-profielen uit de bemonstering #10 zijn naast de kenmerken van het slachtoffer en de IFS-medewerker, alleen kenmerken aanwezig die overeenkomen met die in het profiel van de verdachte. Dit vergroot de kans dat hij celmateriaal aan deze bemonstering heeft bijgedragen.

Een door Cybergenetics uitgevoerde statistische analyse van de MiniFiler-resultaten van de bemonstering #7 versterkt het bewijs aanzienlijk.

Het NFI stelt dat het uit de bemonsteringen #7, #9 en #10 (consensus) autosomale en Y-chromosomale DNA-profielen heeft verkregen en deze heeft vergeleken met die van het slachtoffer en de verdachte.51 Bij de vergelijking met die van de verdachte is gebleken dat een aantal DNA-kenmerken van de verdachte ontbreekt in alle DNA-profielen van de bemonsteringen. Ook bij enkele van de loci waarvan empirisch is vastgesteld dat ze zeer gevoelig kunnen worden gedetecteerd en waar de kans op drop-out zeer gering is, zijn de DNA-kenmerken die wel voorkomen in het referentiemonster van de verdachte consistent afwezig. Het DNA-profiel van de verdachte matcht derhalve niet met de DNA-mengprofielen van het sporenmateriaal.

Het NFI concludeert dat de conclusies zoals die door IFS worden getrokken niet volgen uit de in de rapporten van IFS vermelde data en in een aantal gevallen veel verder gaan dan op basis van vergelijkend DNA-onderzoek mogelijk is. Het DNA-profiel van de verdachte matcht niet met de door IFS opgestelde composiet DNA-profielen van het celmateriaal in de sporen #7, #9 en #10. Ook matcht het DNA-profiel van de verdachte niet met de door het NFI opgestelde consensus DNA-profielen van het celmateriaal in deze sporen. Dit betekent dat de verdachte wordt uitgesloten als mogelijke donor van celmateriaal in deze bemonsteringen. Alle gevolgtrekkingen met betrekking tot de bewijswaarde van de door IFS gerapporteerde matches van het sporenmateriaal met het DNA-profiel van de verdachte komen hiermee te vervallen. Deze conclusies worden immers niet ondersteund door de data op bronniveau.

Het NFI heeft opgemerkt dat IFS zogenaamde composiet DNA-profielen hanteert waarbij alle waargenomen pieken/DNA-kenmerken worden opgenomen. Het NFI werkt volgens de zogenaamde consensus-methode waarbij alleen die kenmerken worden opgenomen die in een vooraf bepaald aantal gevallen zijn waargenomen. Daardoor worden vrijwel alleen betrouwbare DNA-kenmerken opgenomen. Volgens het NFI levert deze laatste methode de meest betrouwbare resultaten op. Tenslotte stelt het NFI, dat de omstandigheid dat IFS en het NFI tot tegengestelde conclusies komen ten aanzien van het vergelijkend DNA-onderzoek, niet te wijten is aan de wijze waarop de DNA-profielen zijn gegenereerd, maar aan de wijze van interpreteren van de data.

Het FLDO stelt dat op grond van de resultaten van de in de review beschreven analyses kan worden geconcludeerd dat in de sporen #7, #9 en #10 een complex en gemengd DNA-profiel is aangetroffen dat, afhankelijk van de gebruikte kit, afkomstig kan zijn van minimaal twee of drie personen, waaronder in ieder geval het slachtoffer.52 Er zijn onvoldoende betrouwbare en reproduceerbare aanwijzingen gevonden die de veronderstelling ondersteunen dat, naast het slachtoffer, ook een IFS-medewerker en de verdachte hebben bijgedragen aan deze complexe DNA-mengprofielen. Hiervoor ontbreken te veel voor de medewerker en de verdachte unieke DNA-varianten. De DNA consensus profielen zijn te complex voor een statistische onderbouwing van deze conclusie.

In reactie op de beide genoemde expert reviews van het NFI en het FLDO heeft IFS toegelicht dat bij de door IFS gehanteerde methode geen informatie wordt achtergehouden. Dit gebeurt wel bij de door het NFI en het FLDO voorgestane consensus methode, waardoor een vertekend beeld van de waarde van het bewijs ontstaat.

IFS stelt voorts dat de interpretatie van complexe DNA-mengprofielen een subjectief gebeuren is. Er is niet één door iedereen geaccepteerde manier van interpreteren. Mits gegoten in de vorm van hypothesetoetsing is er geen enkele reden waarom een deskundige zich niet zou mogen uitlaten op "activity" of "offence level". Als een deskundige interpretatie van het bewijs uit de weg gaat, wordt de rechter de mogelijkheid ontnomen om alles in context te beschouwen.

IFS heeft in zijn reactie de beide expert reviews uitgebreid becommentarieerd en bekritiseerd. Ten aanzien van zowel de NFI-rapporteur Kloosterman als de FLDO-rapporteur De Knijff heeft IFS gesteld dat IFS twijfelt aan hun integriteit en zorg uitgesproken over de politieke motieven die een objectieve review in de weg kunnen staan.

In hun reactie op het door IFS gegeven commentaar zijn noch het NFI noch het FLDO op hun in de expert reviews weergegeven bemerkingen teruggekomen.

Het hof stelt vast dat de in het onderhavige onderzoek betrokken deskundigen tegengestelde opvattingen hebben over hoe de bemonsteringen #7, #9 en #10 moeten worden geïnterpreteerd. De verschillen van inzicht vloeien voort uit de wijze waarop de deskundigen de DNA-profielen bepalen, namelijk volgens de zogenoemde consensus methode (NFI en FLDO) of volgens de zogenoemde composiet methode (IFS), en interpreteren. Het hof heeft op grond van wat aan het hof is voorgelegd geen reden gevonden om aan te nemen dat het NFI en het FLDO op andere gronden dan eigen deskundigheidsinzichten tot de door hen geformuleerde conclusies zijn gekomen.

De conclusies van het NFI en het FLDO rechtvaardigen naar het oordeel van het hof niet de gevolgtrekking die de verdediging daaraan verbindt, namelijk dat de verdachte als dader van het levensdelict op [slachtoffer] moet worden uitgesloten. Geconcludeerd zou slechts kunnen worden dat de verdachte geen donor is van het bemonsterde celmateriaal op het stuk marmer. Dit sluit hem op zich niet uit als dader.

De vraag is thans of het hof, gelet op wat de diverse deskundigen hebben gerapporteerd, tot de conclusie kan komen dat moet worden aangenomen dat op het marmer celmateriaal van de verdachte is aangetroffen zodat tevens moet worden aangenomen dat de verdachte, in tegenstelling tot wat hij daar zelf over heeft verklaard, op de begraafplaats is geweest en het marmer waarmee het slachtoffer om het leven is gebracht, in handen heeft gehad. Het hof is van oordeel dat in het licht van de tegenstrijdige opvattingen van de ingeschakelde deskundigen niet met voldoende mate van zekerheid en buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld, dat van de verdachte celmateriaal op het marmer is aangetroffen.

Broek van het slachtoffer

IFS heeft de broek van het slachtoffer (genummerd FUA679IFS), en met name de broeksband, onderzocht.53 De conclusie is, dat in een bemonstering (#13) het DNA-profiel van het slachtoffer wordt herkend. Niet uitgesloten kan worden dat de verdachte een geringe hoeveelheid celmateriaal heeft achtergelaten. De technische bewijswaarde hiervan is gering.

DNalysis onderschrijft de conclusie van IFS.54

Het NFI heeft het hiervoor aangeduide onderzoek van IFS becommentarieerd en concludeert dat er geen basis is voor de door IFS weergegeven conclusie met betrekking tot de verdachte.55

Het hof stelt vast dat in de bemonstering van de broeksband geen DNA-profiel is aangetroffen dat volledig overeenkomt met dat van de verdachte. Het gaat volgens IFS om drie in het monster FUA679IFS#13 aangetroffen DNA-kenmerken die niet passen in het in die bemonstering aangetroffen DNA van het slachtoffer. Deze drie kenmerken passen wel in het DNA van de verdachte, maar de technische bewijswaarde daarvan is volgens IFS gering. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dit, mede in aanmerking genomen hetgeen het NFI hierover heeft opgemerkt, niet de stellige conclusie dat het DNA van de verdachte op de broeksband is aangetroffen. Door de verhorende verbalisanten is, ten onrechte, wel als vaststaand feit aan de verdachte voorgehouden dat dat wel het geval was.

Daderinformatie

Het hof heeft kennis genomen van de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot de conclusie dat de verdachte beschikte over daderinformatie. Deze daderinformatie zou gebleken zijn toen de verdachte, zo is gesteld, tijdens een verhoor bij de politie (op

25 september 2008) naar zijn broeksband greep toen hem gevraagd werd waar hij het slachtoffer heeft vastgehouden. Op deze plaats zou ook een minimaal spoor van de verdachte aangetroffen zijn. Het hof deelt de conclusie van de rechtbank niet.

Doordat de beeldopname van dit verhoorfragment niet beschikbaar is, kan het hof niet zelf waarnemen welke gebaren de verdachte op het bewuste moment heeft gemaakt. Wel kan het hof uit het betreffende proces-verbaal van verhoor afleiden, dat de verdachte het bewuste gebaar gemaakt zou hebben toen hem gevraagd werd waar hij het slachtoffer zoal had aangeraakt. Naar het oordeel van het hof zou in dit verband alleen gesproken kunnen worden over daderinformatie als met zekerheid kan worden vastgesteld dat de broeksband van het slachtoffer uitsluitend op de begraafplaats is vastgepakt (bijvoorbeeld bij het verslepen). Dit laatste staat naar het oordeel van het hof niet onomstotelijk vast. Gelet op de relatie tussen de verdachte en het slachtoffer en de omstandigheid dat zij elkaar op de dag waarop het slachtoffer om het leven is gebracht op het Van Nispenplein hebben ontmoet, zou de verdachte de broeksband van het slachtoffer op het Van Nispenplein of daarvoor al kunnen hebben vastgepakt. Het door de verdachte in het bedoelde verhoor grijpen naar de achterkant van zijn broeksband kan om die reden niet met zekerheid gezien worden als het beschikken over daderinformatie.

Het alibi van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 verklaard dat hij op 5 juli 2008, nadat hij het Van Nispenplein had verlaten, naar huis is gegaan en dat hij daarna naar [getuige N] is gegaan. [Getuige N] heeft tegenover de politie verklaard dat hij denkt dat de verdachte die dag niet bij hem langs is geweest omdat zij die dag -anders dan normaal gesproken- niet met hun band hebben geoefend, maar dat hij niet zeker weet of de verdachte bij hem langs is geweest, hij kan het zich niet herinneren.56 Gezien de verklaring van [getuige N], kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld of het alibi van de verdachte al dan niet klopt, daargelaten dat, als de verdachte wel bij [getuige N] geweest is, niet gezegd kan worden dat die omstandigheid hem een "bevrijdend" alibi geeft, nu niet vast staat op welk tijdstip het slachtoffer precies om het leven is gebracht.

Verandering in het uiterlijk van de verdachte

De getuige [getuige K] heeft op donderdag 17 juli 2008 tegenover de politie verklaard dat het haar op de zondag twee weken daarvoor (het hof begrijpt: zondag 6 juli 2008) was opgevallen dat de verdachte zijn hoofdhaar, snor en baard had afgeschoren en dat hij de zaterdag ervoor (het hof begrijpt: zaterdag 5 juli 2008) nog wel hoofdhaar, een snor en een baard had.57 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 verklaard dat hij zijn hoofdhaar regelmatig afscheert. Ten aanzien van het afscheren van zijn snor heeft de verdachte, na eerder ontkend te hebben dat hij dit op 6 juli 2008 had gedaan, verklaard dat hij dit had gedaan omdat hij wilde weten hoe hij eruit ziet zonder snor. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 september 2009 heeft de verdachte verklaard dat hij zijn snor direct weer heeft laten groeien omdat hij zijn gezicht zonder snor niet mooi vindt. Het wekt, op zijn minst, bevreemding dat de verdachte, die naar eigen zeggen al jarenlang een snor heeft58, zijn snor heeft afgeschoren -en mitsdien zijn uiterlijk heeft veranderd- juist op de dag na de dag waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. Het hof ziet in het afscheren van zijn gezichtsbeharing, mede gelet op de wisselende verklaringen van de verdachte daarover, een voor de verdachte belastende aanwijzing. Dat de verdachte zijn snor -om hem moverende redenen- op enig moment weer heeft laten groeien maakt dit niet anders.

Contact tussen de verdachte en het slachtoffer

De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen dat uit onderzoek naar telefoonverkeer blijkt dat de verdachte ná 5 juli 2008 -de dag waarop het slachtoffer om het leven is gebracht- geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen. Het hof merkt dienaangaande op dat het zich in het dossier bevindende schema betreffende telefoonverkeer slechts informatie bevat over de periode tot 5 juli 2008 21.00 uur.59 Wel volgt uit de tegenover de politie afgelegde verklaring van de verdachte dat hij tussen het moment waarop hij het slachtoffer op het Van Nispenplein heeft gezien, te weten op 5 juli 2008, en het moment waarop hij van de politie hoorde dat zij dood is, te weten op 10 juli 2008, geen contact heeft gezocht met het slachtoffer -naar zijn zeggen omdat hij haar telefoonnummer niet meer had en hij andere dingen te doen had-60, terwijl hij daarvoor tegenover de politie heeft verklaard dat het slachtoffer een lieveling van hem was en dat zij elkaar bijna iedere dag zagen en/of spraken.61

Het hof acht de door de verdachte gegeven verklaring over het niet zoeken van contact met het slachtoffer niet erg aannemelijk en ziet in deze omstandigheid een voor de verdachte belastende aanwijzing.

Wisselende en tegenstrijdige verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft op donderdag 10 juli 2008, toen hij door de politie als getuige werd gehoord, verklaard dat hij het slachtoffer de week daarvoor op dinsdag (het hof begrijpt: dinsdag 1 juli 2008) voor het laatst had gezien. De verdachte heeft gedetailleerd verklaard over deze ontmoeting.62 Op 16 juli 2008 is de verdachte op deze verklaring teruggekomen. Geconfronteerd met het feit dat een getuige hem middels een fotoconfrontatie had herkend als de persoon die de getuige met het slachtoffer op het Van Nispenplein heeft gezien, verklaart de verdachte dat hij het slachtoffer op de zaterdag, gelegen voordat hij als getuige werd gehoord (het hof begrijpt: zaterdag

5 juli 2008), op het Van Nispenplein heeft ontmoet en dat hij tussendoor naar Albert Heijn is geweest om vier blikjes bier te halen. Gevraagd naar de reden waarom hij dit niet op 10 juli 2008 heeft verteld, antwoordt de verdachte dat hij het misschien was vergeten.63

Met betrekking tot zijn alibi heeft de verdachte aanvankelijk tegenover de politie verklaard dat hij op 5 juli 2008 om 17.30 uur bij [getuige N] was en dat zij om 19.00 uur naar de studio zijn gefietst om te repeteren met hun band. De verdachte heeft hieromtrent een gedetailleerde verklaring afgelegd.64 De verdachte is vervolgens op deze verklaring teruggekomen. De verdachte heeft bij die gelegenheid -en nadien- verklaard dat hij rond half zes of zes uur naar [getuige N] is gegaan, dat toen bleek dat de repetitie niet doorging, dat hij vervolgens bij [getuige N] is gebleven en dat hij rond 21.30 uur naar huis is gegaan.65

Met betrekking tot zijn snor heeft de verdachte desgevraagd door de politie aanvankelijk verklaard dat hij al jaren een snor heeft en dat hij zijn snor nooit afscheert. Geconfronteerd met de verklaring van de getuige [getuige K] inhoudende dat zij het vreemd vond dat hij op 6 juli 2008 zijn snor had afgeschoren, verklaart de verdachte dat dit niet klopt en dat [getuige K] niet goed bij haar hoofd is.66 Op de vraag van de politie of hij vergeten is dat hij zijn snor heeft afgeschoren, antwoordt de verdachte dat hij zijn snor niet heeft afgeschoren. Daarop is de verdachte geconfronteerd met een op 8 juli 2008 van hem genomen observatiefoto waarop te zien is dat hij geen snor heeft.67 Ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 september 2009 heeft de verdachte toegegeven dat hij op 6 juli 2008 zijn snor heeft afgeschoren. Ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 heeft de verdachte over het wisselend verklaren gezegd dat men dingen kan vergeten.

In weerwil van het betoog van de raadsman acht het hof, mede gelet op het verhoor van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, niet aannemelijk dat de verdachte wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd vanwege zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, het feit dat hij als laaggemiddeld intelligent wordt beschouwd, zijn gebrek aan analytisch denkvermogen en zijn serviele houding om antwoord te geven zonder eerst na te denken. Evenmin aannemelijk acht het hof, mede gelet op het tijdsbestek waarin de verhoren en de gebeurtenissen waarover de verdachte heeft verklaard hebben plaatsgevonden, dat de verdachte wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd doordat hij -zoals door hem is aangevoerd- dingen was vergeten, dan wel door de spanning en intensiteit van de verhoren. De hiervoor omschreven wijze waarop de verdachte wisselend en zich steeds aan nieuwe informatie aanpassend heeft verklaard roept bij het hof de nodige vraagtekens op, maar levert geen direct bewijs tegen de verdachte op.

Conclusie

Het dossier bevat -zoals uit het vorenstaande blijkt- voor de verdachte belastende aanwijzingen. Het hof wijst met name op de omstandigheid dat de verdachte op 5 juli 2008 -de dag waarop het slachtoffer om het leven is gebracht- met het slachtoffer samen is geweest en daar aanvankelijk over heeft gelogen, op de omstandigheid dat de verdachte meermalen wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, op de omstandigheid dat de verdachte -die jarenlang een snor had- op 6 juli 2008 zijn snor heeft afgeschoren, op de omstandigheid dat de op de plaats delict aangetroffen voorwerpen met de verdachte in verband kunnen worden gebracht, en op de omstandigheid dat de verdachte na 5 juli 2008 geen contact meer met het slachtoffer heeft gezocht terwijl zij elkaar daarvoor naar zijn zeggen bijna dagelijks spraken en/of zagen. Deze omstandigheden vormen aanwijzingen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [slachtoffer].

Het hof overweegt echter dat het op grond van de resultaten van het door de voormelde deskundigen verrichte DNA-onderzoek, waaraan door de deskundigen tegenstrijdige conclusies zijn verbonden, niet met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat de verdachte op de bewuste dag op de begraafplaats is geweest en daar het stuk marmer waarmee [slachtoffer] is geslagen, in handen heeft gehad. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte beschikte over daderinformatie. Daarnaast zijn er, nu de 'herkenningen' van de verdachte door de getuigen [getuige I] en [getuige J] twijfel oproepen en niet aan het bewijs kunnen bijdragen, geen getuigen die de verdachte op de plaats delict hebben gezien. Ten aanzien van de overige op de plaats delict aangetroffen voorwerpen die met de verdachte in verband kunnen worden gebracht, kan niet worden uitgesloten dat deze voorwerpen door het slachtoffer zijn meegebracht naar de begraafplaats.

Bij deze stand van zaken, namelijk weliswaar belastende aanwijzingen tegen de verdachte die echter op zichzelf -ook in onderling verband en samenhang bezien- onvoldoende bewijs tegen de verdachte opleveren én het gegeven dat direct en hard bewijs voor de aanwezigheid van de verdachte op de begraafplaats op de bewuste dag ontbreekt, kan naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Het hof concludeert dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd. Derhalve behoort de verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

Dit brengt met zich mee dat overige door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren, zoals de stelling dat de door de politie opgemaakte processen-verbaal van de verhoren van de verdachte onvolledig zijn, de stelling dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van tunnelvisie, en de twijfel omtrent de accreditatie van Independent Forensic Services en de deskundigheid van de heer Eikelenboom, alsmede de voorwaardelijk gedane verzoeken, geen bespreking behoeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 juni 2008 te Vlissingen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 14 juli 2008 in het arrondissement Middelburg meermalen opzettelijk heeft verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsook op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan mishandeling van de aangeefster omdat deze geen seks met hem wilde. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft de verdachte zich in een periode van anderhalf jaar meermalen schuldig gemaakt aan het verstrekken van cocaïne aan vrouwen in ruil voor seks. Het gebruik van drugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid en de handel in drugs brengt doorgaans andere vormen van criminaliteit met zich mee. Hiertegen dient streng te worden opgetreden. Dat de verdachte met zijn handelen niet direct financieel gewin heeft beoogd, doet hieraan niet af.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 september 2011 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, te weten voor bedreiging en wederspannigheid. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is -alles overwegende- van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. S.A.J. van 't Hul en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 oktober 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een ambtsedig proces-verbaal van de politie Zeeland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Verklaringen zijn zakelijk weergegeven.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juni 2008, p. 2039 e.v.

3 Een geschrift, zijnde een letselbeschrijving d.d. 10 juli 2008, opgemaakt en ondertekend door J. Vrencken, forensisch geneeskundige, p. 2045.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige A] d.d. 23 juli 2008, p. 2148 e.v.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige B] d.d. 28 juli 2008, p. 2157 e.v.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige C] d.d. 28 juli 2008, p. 2153 e.v.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige D] d.d. 10 juli 2008,

p. 2141.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 september 2008, p. 527.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2008, p. 1428 e.v.; proces-verbaal van onderzoek plaats delict d.d. 14 juli 2008,

p. 1454 e.v.; verslag betreffende een niet natuurlijke dood, d.d.

9 juli 2008, opgemaakt en ondertekend door M. Weststraate, lijkschouwer van de gemeente Vlissingen, p. 1457.

10 Proces-verbaal onderzoek sporen d.d. 15 april 2009, p. 5/21.

11 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2008.07.04.025, d.d. 19 november 2008, opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, p. 5/14.

12 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2008.07.04.025, d.d. 27 oktober 2008, opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, p. 8/8.

13 Zie voetnoot 11.

14 Proces-verbaal onderzoek sporen d.d. 15 april 2009, p. 6/21.

15 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2008.07.04.025, d.d. 26 maart 2009, opgemaakt en ondertekend door de deskundige ir. ing. E.J. Vermeij, p. 7/7.

16 Rapport van Naturalis te Leiden, d.d. 25 september 2008, opgemaakt en ondertekend door drs. J. Huijbregts, entomoloog, p. 2008.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige E] d.d. 10 juli 2008, p. 1657 e.v.; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige F] d.d. 11 juli 2008, p. 1659 e.v.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige G] d.d. 9 juli 2008, p. 1653 e.v.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige H] d.d. 9 juli 2008, p. 1663 e.v.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige H] d.d. 3 november 2008, p. 1934.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige I] d.d. 7 juli 2008,

p. 1616 e.v.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige J] d.d. 7 juli 2008,

p. 1613 e.v.

23 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2008, p. 1615.

24 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juli 2008, p. 1705.

25 Rapport van prof. dr. P.J. van Koppen d.d. 23 oktober 2009.

26 Rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 augustus 2008 en 22 september 2008.

27 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 20 augustus 2009.

28 Rapport van DNalysis d.d. 16 juli 2009.

29 Rapporten van Phi Advies d.d. 10 juli 2009 en 11 september 2009.

30 Rapport van het Forensisch laboratorium voor DNA onderzoek d.d.

2 april 2009.

31 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 5 december 2010.

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2008, p. 1874.

33 Rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 augustus 2008, 22 september 2008 en 10 juli 2009.

34 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 20 augustus 2009.

35 Rapport van DNalysis d.d. 16 juli 2009.

36 Rapport van het Forensisch laboratorium voor DNA onderzoek d.d.

2 april 2009.

37 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juli 2008, p. 1871 e.v.

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 juli 2008, p. 491; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige L] d.d. 15 juli 2008,

p. 1727; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige M] d.d.

17 juli 2008, p. 1756.

39 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 20 augustus 2009.

40 Rapport van DNalysis d.d. 16 juli 2009.

41 Rapport van Phi Advies d.d. 11 september 2009.

42 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 juli 2009; Rapport van Independent Forensic Services d.d. 20 augustus 2009.

43 Rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 augustus 2008 en 22 september 2008.

44 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 20 augustus 2009.

45 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 5 december 2010.

46 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 juli 2009

47 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 20 augustus 2009.

48 Rapport van DNalysis d.d. 16 juli 2009.

49 Rapporten van Phi Advies d.d. 10 juli 2009 en 11 september 2009.

50 Rapport van Independent Forensic Services d.d. 5 december 2010.

51 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 17 mei 2011.

52 Rapporten van het Forensisch laboratorium voor DNA onderzoek d.d. 23 maart 2011 en 28 juni 2011.

53 Rapporten van Independent Forensic Services d.d. 7 december 2008 en 20 augustus 2009.

54 Rapport van DNalysis d.d. 16 juli 2009.

55 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 26 augustus 2009.

56 Proces-verbaal van verhoor [getuige N] d.d. 4 augustus 2008,

p. 1817.

57 Proces-verbaal van verhoor [getuige K] d.d. 21 juli 2008,

p. 1774.

58 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 september 2008,

p. 551.

59 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 september 2008 (met bijlage), p. 1345-1346.

60 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 juli 2008, p. 506.

61 Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] d.d. 10 juli 2008,

p. 440.

62 Zie voetnoot 61.

63 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 juli 2008, p. 479 e.v.

64 Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] d.d. 10 juli 2008,

p. 443 e.v.

65 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 juli 2008,

p. 501.

66 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 september 2008,

p. 551.

67 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 september 2008 (met bijlage), p. 554 e.v.