Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT8926

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
200.089.211-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing. Bepaling van de plaats waar de minderjarige wordt verzorgd en opgevoed is - binnen de grenzen vna het indicatiebesluit - een bevoegdheid van jeugdzorg, die niet voor toetsing door de rechter in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 17 augustus 2011

Zaaknummer : 200.089.211/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-174 en JE RK 11-175

1. [appellant 1],

hierna te noemen: de vader,

2. [appellant 2],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. G.A.H. Wiekamp te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te Dordrecht,

kantoorhoudende te Dordrecht,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 16 juni 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 maart 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 18 juli 2011 een brief van 14 juli 2011 ingekomen, waarbij de raadsrapportage van 17 februari 2011 is overgelegd en waarbij is medegedeeld dat de raad ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 27 juli 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- mevrouw T. Philippart, namens de raad;

- mevrouw B.M. Maaswinkel en mevrouw A. Mangelaars, namens Jeugdzorg.

De hierna te noemen minderjarige Joanna heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling haar mening kenbaar te maken. Ook na de mondelinge behandeling is geen brief van haar ontvangen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, in de zaak met nummer JE RK 11-174, de na te noemen minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, met benoeming van Jeugdzorg om de ondertoezichtstelling uit te voeren, en, in de zaak met nummer JE RK 11-175, ter effectuering van het aan de beschikking gehechte indicatiebesluit, een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige, met ingang van 16 maart 2011 voor de duur van één jaar. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 1994 te [geboorteplaats], (hierna: de minderjarige).

2. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad alsnog af te wijzen, subsidiair dit slechts toe te wijzen, onder de uitdrukkelijke toezegging van Jeugdzorg dat dit toezicht zal worden uitgevoerd door de Stichting Gereformeerde Jeugdzorg.

3. De raad en Jeugdzorg hebben het beroep ter terechtzitting bestreden.

4. Ter toelichting op het hoger beroep stellen de ouders zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minderjarige zodanig opgroeit dat haar geestelijke en zedelijke belangen ernstig worden bedreigd en dat andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Zij voeren daartoe aan met alle hulpverlening mee te (willen) werken, ook indien dit inhoudt dat de minderjarige niet bij hen terug zal komen. De ouders verklaren ter terechtzitting te berusten in de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. De ouders erkennen dat de minderjarige begeleiding en behandeling nodig heeft, maar zij betwisten dat hulp in het - gedwongen - kader van een ondertoezichtstelling aangewezen is. Daarnaast maken de ouders bezwaar tegen de wijze waarop de hulpverlening wordt uitgevoerd. Tijdens de terechtzitting hebben zij benadrukt dat het - gelet op haar geloofsovertuiging - in het belang van de minderjarige is dat zij in de weekenden wordt geplaatst in een gereformeerd gezin. Tot slot betogen de ouders dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling ten onrechte voor de duur van een jaar heeft uitgesproken, tot

16 maart 2012, nu de minderjarige op 2 januari 2012 achttien jaar oud wordt.

5. Namens de raad is ter terechtzitting verklaard dat de raad zijn stelling handhaaft dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige noodzakelijk zijn. De raad voert daartoe onder meer aan dat sprake is van een loyaliteitsconflict van de minderjarige ten aanzien van de ouders. De minderjarige heeft te kennen gegeven niet terug te willen naar de ouders.

6. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting verklaard dat de minderjarige het over het algemeen goed doet. Jeugdzorg is, mede op verzoek van de minderjarige zelf en met inachtneming van haar geloofsovertuiging, wel op zoek naar een passende plek voor de minderjarige in de weekenden dat haar groep in de zorginstelling gesloten is. Het is echter niet eenvoudig en het kost tijd om een goede plek te vinden. Ook Jeugdzorg is van mening dat de minderjarige in een loyaliteitsconflict zit.

7. Het hof stelt voorop dat van een ondertoezichtstelling zoals bedoeld in artikel 1: 254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts sprake kan zijn indien de wettelijke gronden daarvoor aanwezig zijn. Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261 lid 1 van het BW kan slechts worden verleend indien de wettelijke gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van het BW, bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of de minderjarige zodanig opgroeit dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen en of de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

8. Het hof verenigt zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, ten aanzien van de maatregelen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing met het oordeel van de kinderrechter en de gronden waarop dat berust. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Met de kinderrechter is het hof van oordeel dat hulp in een vrijwillig kader niet voldoende is om de bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige af te wenden. Dat de ouders op dit moment lijken te berusten in de situatie dat de minderjarige niet meer bij hen wil wonen, maakt dit niet anders. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de ouders nu wel bij machte zijn om voor de minderjarige die hulp te regelen die zij nodig heeft.

9. Voor zover de ouders in hoger beroep hebben bedoeld ook de uitvoering van de ondertoezichtstelling door Jeugdzorg ter discussie te stellen, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een besluit om de uitvoering van de ondertoezichtstelling in het kader van de zogenaamde mandateringsregeling al dan niet op te dragen aan de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming, door Jeugdzorg en niet door de kinderrechter dient te worden genomen.

10. Voor zover de ouders bezwaar maken tegen de plaats waar de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige feitelijk in het weekend ten uitvoer wordt gelegd, overweegt het hof als volgt. Het verzoek te bepalen dat de minderjarige in de weekenden dat haar groep in de zorginstelling gesloten is, dient te worden geplaatst in een gezin met een gereformeerde geloofsovertuiging, is aan te merken als een nieuw verzoek, dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Bovendien miskennen de ouders dat de keuze van het gezin waar de minderjarige in het kader van de machtiging enkele weekenden verblijft, door Jeugdzorg wordt gemaakt, in overeenstemming met het indicatiebesluit. De rechter heeft op dit punt geen bevoegdheid. Gelet hierop zal het hof de ouders niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek. Het hof merkt daarbij op dat in artikel 15 van de Wet op de jeugdzorg is bepaald dat Jeugdzorg bij de uitoefening van haar taken uit dient te gaan van de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat Jeugdzorg haar ter terechtzitting gedane toezeggingen - om voor de weekenden dat de groep van de minderjarige in de zorginstelling gesloten is, een gezin te zoeken met een gereformeerde geloofsovertuiging -, gestand zal doen.

11. Het hof stelt vast dat de minderjarige op 2 januari 2012 meerderjarig wordt. Vanaf die datum zullen de genomen beschermingsmaatregelen van rechtswege vervallen. Gelet op het hiervoor overwogene dient de bestreden beschikking te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de periode na 2 januari 2012 en zal het inleidende verzoek in zoverre worden afgewezen.

12. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek te bepalen dat de minderjarige in de weekenden waarin de groep waarin zij verblijft gesloten is in een gezin met een gereformeerde geloofsovertuiging dient te worden geplaatst;

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de periode na 2 januari 2012 en, opnieuw beschikkende;

wijst af de inleidende verzoeken van de raad voor zover deze betrekking hebben op de periode na 2 januari 2012;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2011.