Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT8259

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
22-002949-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vals rijbewijs en voorts heeft hij een vervalst paspoort in zijn bezit en voorhanden gehad.

Het verweer van de raadsman dat het enkele feit dat het paspoort een vals visum bevat het paspoort zelf nog niet vals maakt, wordt door het hof weerlegt. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 24 mei 1989, Stb. 189 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de bestrijding van fraude met paspoorten en andere reisdocumenten, wordt opgemerkt dat alle misdrijven die met betrekking tot reisdocumenten kunnen worden begaan, in artikel 231 Wetboek van Strafrecht zijn ondergebracht (Kamerstukken II, 1988-1989, 20 652, nr. 3, p. 2). Voorts staat in de Nota naar aanleiding van het verslag met zoveel woorden dat ook het namaken van visa onder het bereik van artikel 231 Wetboek van Strafrecht valt. Visa maken immers onderdeel uit van reisdocumenten, nu ze voor de toelating in bepaalde landen worden vereist (Kamerstukken II, 1988-1989, 29652, nr. 5, p. 1). Door het aanbrengen van een vals verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland in een geldig paspoort wordt een dergelijk paspoort zodanig veranderd dat het daarna vervalst is in de zin van artikel 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

Het hof acht de verdachte schuldig en veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002949-10

Parketnummer: 10-765052-10

Datum uitspraak: 19 juli 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 6 mei 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1979,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 5 juli 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 3 mei 2010, te Rotterdam, in ieder geval in Nederland,

opzettelijk een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een nationaal rijbewijs van Griekenland, voorzien van het documentnummer [nummer X] (rijbewijsnummer [nummer Y]), op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 te Albanië, voorhanden heeft gehad,

bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat het rijbewijs niet door een/de bevoegde autoriteit aan verdachte is afgegeven, hetgeen blijkt uit het feit dat het rijbewijs een door middel van inkjet-technologie vervaardigd falsificaat betreft, immers komt het rijbewijs, qua detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeen met een origineel exemplaar van dit model;

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware dit echt en onvervalst;

2.

hij, op of omstreeks 3 mei 2010, te Rotterdam, in ieder geval in Nederland,

in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Albanië, voorzien van het documentnummer [nummer Z], op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 te Albanië, met daarin (op bladzijde 9) aangebracht een vals en/of vervalst verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland, voorzien van het documentnummer [nummer], waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het in het reisdocument aangebrachte verblijfs-/vreemdelingedocument bestemd was voor gebruik als ware dit echt en onvervalst,

bestaande de valsheid en/of de vervalsing hieruit dat het verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland niet door een/de bevoegde autoriteit aan verdachte is afgegeven en/of in het paspoort is aangebracht, hetgeen blijkt uit het feit dat de paspoortsticker een door middel van inkjet-technologie vervaardigd falsificaat betreft, immers komt de paspoortsticker, qua detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeen met een origineel exemplaar van dit model;

en/of

hij, op of omstreeks 3 mei 2010, te Rotterdam, in ieder geval in Nederland,

opzettelijk een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een nationaal paspoort van Albanië, voorzien van het documentnummer [nummer Z], op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 te Albanië, met daarin (op bladzijde 9) aangebracht een vals en/of vervalst verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland, voorzien van het documentnummer [nummer], voorhanden heeft gehad,

bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat het verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland niet door een/de bevoegde autoriteit aan verdachte is afgegeven, hetgeen blijkt uit het feit dat de paspoortsticker een door middel van inkjet-technologie vervaardigd falsificaat betreft, immers komt de paspoortsticker, qua detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeen met een origineel exemplaar van dit model,

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware dit echt en onvervalst.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota - betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Daartoe is het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven:

a. Het enkele feit dat het paspoort een vals visum bevat maakt het paspoort zelf nog niet vals. Het tenlastegelegde feit voldoet derhalve niet aan de wettelijke criteria van artikel 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

b. De verdachte is op 16 juli 2011 Nederland uitgezet op grond van hetzelfde paspoort dat heden ter terechtzitting ter discussie staat. Aangezien een persoon niet kan worden uitgezet met een vals of vervalst reisdocument, kan men op basis hiervan aannemen dat het hier een geldig paspoort betreft en er geen sprake is van een vals of vervalst reisdocument.

c. De verdachte heeft niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het paspoort vals zou zijn, nu hij deze van een advocaat in Griekenland heeft bemachtigd en hij deze advocaat hiervoor EUR 2400,00 heeft betaald. De verdachte mocht vertrouwen op de validiteit van het document. Derhalve kan van voorwaardelijk opzet geen sprake zijn.

Met betrekking tot het onder a. en b. verwoorde verweer van de verdediging overweegt het hof als volgt.

Vervalsen in de zin van artikel 225 en art. 231 Wetboek van Strafrecht houdt in dat in geschriften bestemd tot bewijs van enig feit wijzigingen worden aangebracht met het oogmerk de aldus gewijzigde geschriften te gebruiken ter misleiding van derden (HR 12 november 1985, NJ 1986, 316, rov. 4).

In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 24 mei 1989, Stb. 189 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de bestrijding van fraude met paspoorten en andere reisdocumenten, wordt opgemerkt dat alle misdrijven die met betrekking tot reisdocumenten kunnen worden begaan, in artikel 231 Wetboek van Strafrecht zijn ondergebracht (Kamerstukken II, 1988-1989, 20 652, nr. 3, p. 2). Voorts staat in de Nota naar aanleiding van het verslag met zoveel woorden dat ook het namaken van visa onder het bereik van artikel 231 Wetboek van Strafrecht valt. Visa maken immers onderdeel uit van reisdocumenten, nu ze voor de toelating in bepaalde landen worden vereist (Kamerstukken II, 1988-1989, 29652, nr. 5, p. 1).

Uit onderzoek door de politie is gebleken dat de verdachte beschikte over een geldig Albanees paspoort dat op zijn naam was gesteld (proces-verbaal van documentenonderzoek, pagina's 28-29). In voornoemd paspoort was op pagina 9 een verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland, EU-model, documentnummer [nummer] aangebracht. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat dit een vals verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) was (proces-verbaal van documentenonderzoek, pagina's 7-8).

Door het aanbrengen van een vals verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland in een geldig paspoort wordt een dergelijk paspoort zodanig veranderd dat het daarna vervalst is in de zin van artikel 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

De door de verdediging in dit verband nog aangevoerde omstandigheid - zo al juist - dat de verdachte met het bewuste paspoort Nederland zou zijn uitgezet, kan daar niet aan afdoen.

Het hof verwerpt dan ook het onder a. en b. verwoorde verweer van de verdediging.

Met betrekking tot het onder c. verwoorde verweer van de verdediging, overweegt het hof als volgt.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte - naar zijn zeggen - via een advocaat in Griekenland en zonder naar de nationale bevoegde instantie te gaan een visum voor in zijn paspoort heeft geregeld en deze advocaat voor deze dienst contant EUR 2400,- heeft betaald. Verdachte heeft verklaard van deze advocaat geen gegevens meer te hebben.

Door een visum te kopen onder omstandigheden die zozeer afwijken van de normale gang van zaken heeft de verdachte naar het oordeel van het hof reeds willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het visum vals zou zijn.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij, op 3 mei 2010, te Rotterdam,

opzettelijk een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een nationaal rijbewijs van Griekenland, voorzien van het documentnummer [nummer X] (rijbewijsnummer [nummer Y]), op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 te Albanië, voorhanden heeft gehad,

bestaande die valsheid hieruit dat het rijbewijs niet door de bevoegde autoriteit aan verdachte is afgegeven, hetgeen blijkt uit het feit dat het rijbewijs een door middel van inkjet-technologie vervaardigd falsificaat betreft, immers komt het rijbewijs, qua detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeen met een origineel exemplaar van dit model;

terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware dit echt en onvervalst;

2.

hij, op 3 mei 2010, te Rotterdam, in ieder geval in Nederland,

in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Albanië, voorzien van het documentnummer [nummer Z], op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 te Albanië, met daarin (op bladzijde 9) aangebracht een vals verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland, voorzien van het documentnummer [nummer], waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het in het reisdocument aangebrachte verblijfs-/vreemdelingendocument bestemd was voor gebruik als ware dit echt en onvervalst,

bestaande de vervalsing hieruit dat de paspoortsticker een door middel van inkjet-technologie vervaardigd falsificaat betreft, immers komt de paspoortsticker, qua detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeen met een origineel exemplaar van dit model;

en

hij, op 3 mei 2010, te Rotterdam, in ieder geval in Nederland,

opzettelijk een vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een nationaal paspoort van Albanië, voorzien van het documentnummer [nummer Z], op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 te Albanië, met daarin (op bladzijde 9) aangebracht een vals verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) van Griekenland, voorzien van het documentnummer [nummer], voorhanden heeft gehad,

bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat het verblijfs-/vreemdelingendocument (paspoortsticker) een door middel van inkjet-technologie vervaardigd falsificaat betreft, immers komt de paspoortsticker, qua detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeen met een origineel exemplaar van dit model,

terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware dit echt en onvervalst.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Het onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde levert op:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vervalst is

en

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het hem onder 1 en onder 2 eerste en tweede cumulatief / alternatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 dagen, met aftrek van het voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vals rijbewijs en voorts heeft hij een vervalst paspoort in zijn bezit en voorhanden gehad. Aldus handelend heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming als de onderhavige.

Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de inzendtermijn voor de stukken in hoger beroep is overschreden.

Gelet echter op het feit dat de zaak op 16 februari 2011 is binnengekomen bij het gerechtshof en op 5 juli 2011 is afgedaan, is het hof - anders dan de advocaat-generaal -van oordeel dat er sprake is van een zodanige voortvarende behandeling in hoger beroep, dat de overschrijding van de inzendtermijn hierdoor is gecompenseerd en aan de voornoemde schending geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden.

Het hof is - mede gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten - van oordeel - anders dan door de raadsman in deze betoogd - dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 225 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr. T.E. van der Spoel en mr. M.I. Veldt-Foglia, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juli 2011.