Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT7688

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
BK-10/00728 en 10/00729
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2512
V-N 2011/62.23.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00728 en 10/00729

Uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer d.d. 6 september 2011

in het geding tussen:

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zuidplas, hierna: de Inspecteur,

op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank

's-Gravenhage van 6 september 2010, nrs. AWB 09/7170 WOZ en AWB 09/7173 WOZ betreffende na te noemen beschikkingen en aanslagen.

Beschikkingen, aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikkingen als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft de Inspecteur de waarde van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [a-straat 1] en [a-straat 2] te [P] vastgesteld op € 161.000 per onroerende zaak. De waarden zijn vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 2008 en de beschikkingen gelden voor het kalenderjaar 2009. Met de beschikkingen is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2009.

1.2. Bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de beschikkingen en de aanslagen afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen in de zaken met nummers BK 10-00728 en 10/00729 niet-ontvankelijk verklaard en gelast dat het griffierecht in deze zaken aan belanghebbende wordt vergoed.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraken van de rechtbank tijdig in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft in verband daarmee eenmaal griffierecht betaald van € 448. Dit bedrag aan griffierecht heeft ook betrekking op een derde samenhangende zaak met nummer

BK-10/00730.

2.2. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend

2.3. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zittingen van het Gerechtshof van 2 augustus 2011, gehouden te Den Haag. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Tevens is behandeld het hoger beroep van belanghebbende, kenmerk BK-10/00730. Ter zitting is belanghebbende wel, doch de Inspecteur niet verschenen. De Inspecteur heeft schriftelijk bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt dat tezamen met deze uitspraak aan partijen zal worden verzonden.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Bij schrijven van 9 oktober 2009 heeft belanghebbende beroep aangetekend tegen de uitspraken op bezwaar.

3.2. In het beroepschrift heeft belanghebbende verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb).

3.3. In het verweerschrift bij de rechtbank is - voor zover hier van belang - de volgende passage opgenomen:

” Naar aanleiding van het beroepschrift is nogmaals gecontroleerd of de afbakening van de in het geding zijnde WOZ-objecten correct heeft plaatsgevonden. Op basis van voortschrijdend inzicht moest geconcludeerd worden dat dit niet meer het geval was.

Daarom heb ik bij besluit van 18 februari 2010 de in het geding zijnde WOZ-beschikkingen en de daarop gebaseerde aanslagen onroerende-zaakbelastingen met betrekking tot de onroerende zaken [a-straat 1] en [2] vernietigd, zoadt in geschil resteert de WOZ-waarde c.a. van de onroerende –zaak [a-straat 3]”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank ten onrechte de Inspecteur niet heeft veroordeeld in de proceskosten van bezwaar en beroep, hetgeen belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

4.2.Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft als volgt overwogen, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder wordt aangeduid.

”3.5  Gelet op het vorenstaande en gelet op hetgeen is overwogen onder punt 3.8 in de uitspraak van de

rechtbank van heden in procedurenummer AWB 09/7174 WOZ betreffende het beroep van eiseres tegen de waardebepaling van de onroerende zaak [a-straat 3] te [P] heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet langer een processueel belang bij de materiële uitkomst van het geding. Gelet op de vernietiging van de beschikking zou eiseres immers niet in een gunstiger materiële rechtspositie kunnen geraken.

 

3.6  Nu eiseres bijgevolg geen belang meer heeft bij het beroep, heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

 

3.7  De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, aangezien niet is gebleken van

kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel is de rechtbank van oordeel dat het voor deze zaak gestorte griffierecht aan eiseres dient te worden vergoed nu de vernietiging van de beschikking eerst heeft plaatsgevonden nadat eiseres op 9 oktober 2009 beroep had ingesteld.

In de zaak met nummer 10/00729 heeft de rechtbank met betrekking tot het griffierecht onder punt 3.7 nog het volgende overwogen:

“Echter,vanwege samenhang met de zaak met procedurenummer AWB 09/7170 WOZ heeft eiseres in de onderhavige zaak geen griffierecht voldaan, zodat de rechtbank zal volstaan met het terugstorten van het griffierecht in die zaak.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De Inspecteur is tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende met betrekking tot de beschikkingen WOZ en de daarop gebaseerde aanslagen nadat belanghebbende beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Hierdoor was er niet langer sprake van een geschil met betrekking tot voormelde beschikkingen en aanslagen. De rechtbank heeft daarom terecht het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak op het bezwaar wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard.

7.2.1. Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur moet worden veroordeeld in de proceskosten overweegt het Hof als volgt. In de gevallen waarin een rechtsmiddel niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het bestuursorgaan geheel aan de bezwaren van de belanghebbende is tegemoetgekomen, behoort de rechter vergoeding van griffierecht te gelasten en dient hij als hoofdregel het bestuursorgaan te veroordelen in proceskosten die op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen (Hoge Raad 3 december 2010, LJN: BO 5988, Hoge Raad 21 januari 2011, LJN: BP 1468). Veroordeling tot vergoeding van de proceskosten blijft achterwege indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelswijze van de belanghebbende. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van een zodanige handelswijze van belanghebbende, zodat de Inspecteur moet worden veroordeeld in de proceskosten.

7.2.2. De proceskostenvergoeding dient te worden bepaald overeenkomstig de forfaitaire regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nu belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die afwijking van de voormelde forfaitaire bedragen rechtvaardigen.

7.3. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Beslist moet worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel

3 van het Besluit. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 2.070 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, voor de rechtbank en voor het Hof. De proceskosten-vergoeding voor het Hof wordt becijferd op € 874 (1 punt voor het indienen van de hoger beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 437, een wegingsfactor van 1). De proceskostenvergoeding voor de rechtbank wordt becijferd op € 874 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437, een wegingsfactor van 1). De proceskostenvergoeding in bezwaarfase wordt becijferd op € 322 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 161 en een wegingsfactor van 1).

8.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 448 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraken van de rechtbank behoudens voor zover deze betrekking hebben op de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en de vergoeding van het betaalde griffierecht;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.070;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 448 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 6 september 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.