Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT7681

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
22-004718-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA3302, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3302
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geld. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Het hof verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van EUR 1.5007,88

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004718-10

Parketnummer: 10-701058-10

Datum uitspraak: 13 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1955,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

29 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde als in het vonnis omschreven. Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag is beslist als in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de akte rechtsmiddel niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van de onder 1, 2, 3, en 5 bewezenverklaarde feiten.

Het voorgaande brengt mee, dat het hof - nu in eerste aanleg ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten één hoofdstraf is uitgesproken - op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering alsnog een hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde zal bepalen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

4: hij op of omstreeks 17 februari 2010, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van 17.773,09, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden.

Op 17 februari 2010 is de verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Bij zijn aanhouding is de verdachte gefouilleerd. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op dat moment meer dan

EUR 2000,00 op zak had. Het inbeslaggenomen geldbedrag van in totaal EUR 2067,21 bestond uit coupures van: 3x100, 21x50, 26x20, 12x10, 4x5 en 57,21.

Op 17 februari 2010 is de woning van de verdachte doorzocht. Hierbij zijn op verschillende plaatsen onder meer de volgende goederen aangetroffen:

In de vaste kast in de hal, gemerkt XG, een zak met los geld gemerkt XG1. Het betreft EUR 275,80 (briefjes en munten);

In de woonkamer gemerkt XA, in de servicekast bankbiljetten gemerkt XA3. Het betreft: EUR 1200,00, in coupures van 12x50, 21x20 en 18x10;

In de woonkamer gemerkt XA, in de servicekast, een schaal met muntgeld, gemerkt XA4. Het betreft munten: 3x00,1, 25x0,05, 68x0,10, 90x0,20,52x0,50 en 55x1;

In de keuken gemerkt XB, geld in de keukenlade onder de bestekbak, gemerkt XB4. Het betreft EUR 2.270: 28x5, 24x10, 7x20, 19x50, 4x100 en 2x200;

In de slaapkamer gemerkt XD, in de wasbak een portemonnee en een zak gemerkt XD1; EUR 11.655: in coupures van 5x5, 49x10, 124x50, 27x100 en 2x200 euro.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij ten tijde van het onderhavige feit in totaal ongeveer EUR 1.500 per maand ontving en per maand EUR 254,00 uitgaf aan huur voor het huis, EUR 274,00 voor Eneco en EUR 69,00 voor UPC. Voorts betaalde de verdachte ter aflossing van zijn schulden per maand drie bedragen, waarvan twee bedragen ter hoogte van

EUR 150,00 en één bedrag ter hoogte van EUR 55,00. De verdachte heeft tegenover de politie eveneens verklaard dat hij in die periode – de drie maanden voordat hij werd aangehouden - per dag ongeveer EUR 10,00 uitgaf aan cocaïne en heroïne voor eigen gebruik.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij auto reed en – in afwachting van de reparatie van zijn eigen auto - een auto had gehuurd.

Het hof stelt tenslotte vast dat de verdachte bij (ten aanzien van dat feit) onherroepelijk geworden vonnis van de Rechtbank Rotterdam is veroordeeld voor het handelen in cocaïne en heroïne in of omstreeks de periode 15 december 2009 tot en met 17 februari 2010. In die periode hebben meerdere afnemers hun gebruikershoeveelheden cocaïne respectievelijk heroïne van de verdachte betrokken/gekocht. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 augustus 2010 verklaard dat hij gedurende een periode van twee à drie maanden bezig is geweest met de handel in cocaïne en heroïne.

Het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van het bewijs

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de onderhavige zaak gekenmerkt wordt door diverse typologieën die betrekking hebben op witwassen. Het hof verwijst hiervoor kortheidshalve naar de overgelegde schriftelijke requisitoiraantekeningen die aan het proces-verbaal van de zitting zijn aangehecht. Gelet op die omstandigheden, het patroon van inkomsten en uitgaven, alsmede het gegeven dat de verdachte ongeveer EUR 30.000,00 aan schulden had, heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de verdachte het bij hem aangetroffen bedrag heeft gespaard. De verklaringen van de verdachte over de leningen die hij zou hebben ontvangen van zijn zwager en zijn neef dienen als ongeloofwaardig terzijde te worden geschoven, aldus de advocaat-generaal.

Het standpunt van de verdachte en de raadsman ten aanzien van het bewijs

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit en teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag, nu niet is vast te stellen dat dit bedrag uit misdrijf afkomstig is.

Hij heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ter zake van de geldbedragen die de verdachte van zijn neef en zwager heeft geleend meent de raadsman dat het aangaan van nog meer schulden dan de verdachte op dat moment reeds had niet verbazingwekkend is. Uit berichten in de media blijkt immers dat het heden ten dage een punt van zorg is dat mensen die reeds schulden hebben steeds verder in de problemen raken door het aangaan van allerlei leningen. Ook het bezit van kleine coupures duidt niet noodzakerlijkwijs op witwassen. In Nederland worden grote coupures doorgaans niet geaccepteerd als betaalmiddel. Dat een dergelijk geldbedrag niet op een bankrekening wordt gezet, maar in de woning wordt bewaard behoeft geen nader betoog, gelet op het ‘gekrakeel’ van de banken in deze tijd. De door de verdediging overgelegde kopieën van bankafschriften alsmede de verklaring van A. dat hij een bedrag van EUR 2500,00 aan de verdachte heeft geleend, maken de legale herkomst van het aangetroffen geld voldoende aannemelijk.

De raadsman heeft tenslotte betoogd dat in de onderhavige zaak niet kan worden vastgesteld dat de verdachte geld heeft verdiend met de handel in verdovende middelen nu de verdachte niet eerder ter zake van een overtreding van de Opiumwet is veroordeeld en bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 3 september 2010 niet bewezen is verklaard dat hij aan de handel geld heeft verdiend en dit evenmin blijkt uit de zich in het dossier bevindende stukken.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij van zijn zwager EUR 7000,00 euro en van zijn neef EUR 2500,00 had geleend. Hij heeft voorts verklaard dat dit geld bestemd was om een loempiakraam te kopen. Een deel van het overige geld dat bij hem was aangetroffen, was afkomstig van kinderbijslag en van het spaargeld van zijn kinderen. Hij bewaarde het geld in huis, omdat hij de banken niet vertrouwde, aldus de verdachte.

Het oordeel van het hof

Uit de hierboven vermelde vastgestelde feiten en omstandigheden is naar ’s hof oordeel gebleken dat bij de verdachte een geldbedrag van EUR 17.575,09 is aangetroffen.

Gelet op het door de verdachte zelf beschreven uitgavenpatroon gedurende de maanden voorafgaand aan zijn aanhouding moet hij meer inkomsten hebben gehad dan hij heeft aangegeven. Zijn per maand gemaakte kosten zijn ongeveer gelijk aan de door hem opgegeven inkomsten en dan is nog geen rekening gehouden met de kosten voor levensonderhoud voor hemzelf en zijn gezin. Dat de verdachte zelf een groot – legaal verkregen – bedrag zou hebben gespaard is volstrekt niet aannemelijk geworden.

De verdachte heeft gesteld dat hij 7000 euro heeft geleend van een zwager en nog eens 2500 euro van een neef. Dat is niet aannemelijk geworden. Van enige zekerstelling of schuldverklaring omtrent deze toch aanzienlijke leningen blijkt niet. Bij de politie heeft de verdachte bovendien gesteld dat hij 7000 euro had geleend van een kennis; dat maakt zijn latere op dit punt andersluidende verklaring minder aannemelijk. Daarnaast heeft de verdachte desgevraagd niet kunnen aangeven op welke wijze hij een loempiakraam dacht te beginnen. De door de verdediging overgelegde stukken maken de afweging van het hof met betrekking tot de aannemelijkheid van dit onderdeel van het verweer niet anders.

De verklaring van de verdachte dat hij het geld op verschillende plaatsen in de woning verborgen hield, omdat hij geen vertrouwen had in banken, is ongeloofwaardig. Immers, uit het door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 augustus 2010 overgelegde transactieoverzicht blijkt dat de verdachte regelmatig gebruik maakte van zijn betaalrekening bij de Rabobank voor het doen van dagelijkse transacties en dat hij gebruik maakte van de mogelijkheid tot telebankieren, en dat dit ook grotere bedragen betrof.

De verdachte heeft tot slot bekend dat hij in de maanden voor zijn aanhouding in harddrugs heeft gehandeld, hetgeen ook bewezen is verklaard. Het is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in harddrugs geld pleegt te worden verdiend.

Het hof verwerpt het verweer op bovengenoemde gronden.

In samenhang met het hierboven gestelde, en de door de advocaat-generaal gegeven typologie van witwassen die van toepassing is op het handelen van de verdachte, die het hof aannemelijk voorkomt, is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een uit misdrijf (namelijk drugshandel) verkregen hoeveelheid geld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

4:

hij op 17 februari 2010, te Rotterdam, een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten 1 t/m 17 vermelde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafbepaling ex artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering

Gelet op de aard en ernst van de door de rechtbank onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde feiten, die in hoger beroep niet meer aan de orde zijn, kent het hof voor wat betreft de hoofdstraf geen zelfstandige betekenis toe aan het onder 4 bewezen verklaarde feit.

Het hof zal derhalve ten aanzien van de door de rechtbank onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde feiten de op te leggen hoofdstraf bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde als in het vonnis omschreven.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de van het vonnis deel uitmakende beslissing van de eerste rechter ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag zal worden bevestigd.

Van het inbeslaggenomen geldbedrag van EUR 17.575,09 is blijkens het proces-verbaal van afstandsverklaring en de correctie op het aldaar genoemde bedrag als vermeld in het proces-verbaal van bevindingen, door de verdachte reeds afstand gedaan van EUR 2067,21. Het resterende geldbedrag van EUR 1.5007,88 dat volgens opgave van verdachte aan hem toebehoort, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit geld is waarmee het bewezenverklaarde witwassen is begaan. Het hof zal daarom dit geldbedrag verbeurdverklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Bepaalt de straf voor het onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Verklaart dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden: de uitvoering van het opgestelde plan van aanpak.

Geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden

gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van EUR 1.5007,88.

Dit arrest is gewezen door

mr. C.P.E.M. Fonteijn- Van der Meulen, mr. H.C. Wiersinga en mr. E.W. Koning, in bijzijn van de griffier

mr. A.M.F.F. van Rede-van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 oktober 2011.

mr. E.W. Koning is buiten staat dit arrest te ondertekenen.