Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT6989

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
MHD 200.075.909
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2010:BM8742, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot levering van elektriciteit en gas van voor 14 juli 2004; bepalingen consumentenkoop van toepassing?; overgangsrecht; verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2012/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer MHD 200.075.909

arrest van de vierde kamer van 4 oktober 2011

in de zaak van

1. Delta Comfort B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. Evides N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. Zeelandnet B.V., voorheen Delta Kabelcomfort B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. Delta Netwerkbedrijf B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

5. Delta Infra B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. N.A. Koole,

tegen:

[X.]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 augustus 2010 en het herstelexploot van 13 oktober 2010 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, gewezen vonnissen van 3 maart 2010 en 2 juni 2010 tussen appellanten - hierna gezamenlijk Delta c.s. genoemd - als eiseressen en geïntimeerde - hierna [X.] genoemd - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 194267 / 09-2555)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Tegen de niet verschenen [X.] is verstek verleend.

2.2. Bij memorie van grieven hebben Delta c.s. één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot het - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - alsnog toewijzen van de vorderingen van Delta c.s. met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties.

2.3. Delta c.s. hebben daarna de gedingstukken overgelegd voor uitspraak.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grief wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2. In de inleidende dagvaarding van 20 oktober 2009 hebben Delta c.s. de veroordeling gevorderd van [X.], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 2.012,32 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening en de kosten waaronder een bedrag aan salaris en verschotten van de gemachtigde van Delta c.s.

4.3. Delta c.s. hebben daartoe gesteld dat zij terzake van geleverde energie aan het perceel [perceel] te [plaatsnaam] een opeisbare vordering op [X.] hebben, die ten onrechte onbetaald is gebleven, ondanks schriftelijke aanmaningen. De door Delta c.s. overgelegde facturen hebben betrekking op de levering van water, elektriciteit en gas en aansluiting op de kabel in de periode van 1 december 2003 tot 11 maart 2005. Daarnaast stellen Delta c.s. werkzaamheden te hebben verricht, waarvoor kosten zijn gemaakt, die aangemerkt dienen te worden als buitengerechtelijke kosten.

4.4. De kantonrechter heeft de vordering van Delta c.s. slechts toegewezen voor zover deze betrekking had op (een deel van) de levering van water en de aansluiting op de kabel. De kantonrechter heeft daartoe geoordeeld dat de overeenkomsten met betrekking tot de koop van water, aangevoerd door leidingen en de aansluiting op de kabel uitgezonderd zijn van consumentenkoop, zodat voor dat gedeelte van de vordering een verjaringstermijn geldt van vijf jaar. Deze termijn is gestuit en de dagvaarding is binnen de termijn van vijf jaar daarna uitgebracht, waardoor deze vordering niet is verjaard, aldus de kantonrechter.

Met betrekking tot het deel van de vordering dat ziet op de overeenkomsten tot levering van elektriciteit en gas heeft de kantonrechter geoordeeld dat vanaf 14 juli 2005 de verkorte verjaringstermijn van twee jaar van art. 7:28 BW van toepassing is. Omdat tussen de betalingsherinnering van 14 juli 2006 en de volgende aanmaning van 28 januari 2009 meer dan twee jaar is verlopen, heeft de kantonrechter dit gedeelte van de vordering verjaard geacht en afgewezen.

4.5. Delta c.s. zijn tijdig in hoger beroep gekomen tegen de bestreden vonnissen. Met hun grief komen Delta c.s. op tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van consumentenkoop en daarmee van verjaring op grond van art. 7:28 BW, voor zover de vordering betrekking heeft op de levering van elektriciteit en gas. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering die ziet op de aansluiting op de kabel respectievelijk op de levering van water, niet toewijsbaar is, voor zover Zeelandnet B.V. (voorheen Delta Kabelcomfort B.V.) en Evides N.V. méér vorderen dan door de kantonrechter is toegewezen, is door Delta c.s. geen grief gericht.

Dit brengt mee dat Delta Kabelcomfort en Evides N.V. geen eigen belang hebben in dit hoger beroep. Op grond van art. 3:303 BW zal het hof Zeelandnet B.V. en Evides N.V. daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het hof zal hierna de overige eisers gezamenlijk Delta c.s. blijven noemen.

4.6. Op grond van het bepaalde in art. 139 Rv wijst de rechter de vordering in een verstekzaak toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Deze bepaling, die ingevolge art. 353 lid 1 Rv ook in hoger beroep van toepassing is - met dien verstande dat het hof daar de toets hanteert in het licht van het bestreden vonnis en de aangevoerde grieven - verplicht de rechter ambtshalve te onderzoeken of de vordering en de grondslag waarop deze berust aan de wettelijke maatstaven voldoen. Daar komt bij dat de devolutieve werking van het hoger beroep met zich meebrengt dat, wanneer de vordering in eerste aanleg is afgewezen en de eiser hoger beroep instelt zoals in de onderhavige zaak, het hof ook acht zal slaan op hetgeen gedaagde in eerste aanleg tot zijn verweer heeft aangevoerd, ondanks dat deze in appel niet is verschenen (zie HR 13 november 1998, LJN ZC 2780, NJ 1999,133).

4.7. Uit de afrekennota van 1 juni 2004 (deel uitmakend van productie 1 bij de conclusie van repliek) blijkt dat de overeenkomst met [X.] is ingegaan op 1 december 2003. Dit wordt door [X.] ook niet betwist. De eindafrekening van 22 juli 2005 is opgemaakt tot maart 2005. De door Delta gevorderde hoofdsom bedraagt € 1.391,91. Bij conclusie van repliek heeft Delta alle facturen overgelegd. Uit optelling daarvan blijkt, dat de gevorderde hoofdsom alle facturen betreft; door [X.] is dus geen van deze facturen betaald.

4.8. Tussen de aanmaning van 14 juli 2006 en de daarop volgende aanmaning van 28 januari 2009 heeft geen stuitingshandeling plaatsgevonden. Indien art. 7:28 BW van toepassing is, zou de vordering van Delta c.s., zoals deze in hoger beroep voorligt, verjaard zijn, zoals ook de kantonrechter overwoog. Mitsdien ligt de vraag voor of de bepalingen van consumentenkoop, waaronder de verkorte verjaringstermijn van art. 7:28 BW, van toepassing is op de vordering van Delta c.s. met betrekking tot de onbetaald gebleven levering van elektriciteit en gas.

4.9. Van belang zijn de artikelen 5 leden 1 en 3 van Boek 7 BW en de artikelen 68 en 196 leden 1-3 van de Overgangswet NBW (hierna: Ow). Art. 7:5 leden 1 en 3 BW zijn sedert de inwerkingtreding van het nieuw BW op 1 januari 1992 (behoudens een voor deze kwestie irrelevante wijziging in lid 3, waarbij de passage “een registergoed of” is geschrapt) ongewijzigd gebleven, totdat deze bij de wet van 1 juli 2004, Stb. 2004-328, in werking getreden op 14 juli 2004 (dus na de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen) werd gewijzigd in nader te noemen zin.

4.10.Art. 7:5 lid 1 BW luidt thans:

In deze titel wordt verstaan onder ‘consumentenkoop’: de koop met betrekking tot een roerende zaak, elektriciteit daaronder begrepen, die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Bij de wet van 1 juli 2004 werd de gemarkeerde passage toegevoegd; daarvoor maakte deze geen deel uit van de tekst.

4.11.Art. 7:5 lid 3 BW luidde tot 14 juli 2004:

De vorige leden zijn niet van toepassing indien de overeenkomst [ … ] door leidingen naar de verbruiker aangevoerd water of gas betreft.

Bij de wet van 1 juli 2004 werd de gemarkeerde passage geschrapt.

Elektriciteit

4.12.Anders dan in HR 23-05-1921, NJ 1921, 564 (elektriciteitsarrest) voor het strafrecht werd bepaald, werd in het civiele recht tot aan de inwerkingtreding van de bepalingen inzake consumentenkoop, zoals deze werden gewijzigd bij voornoemde wet, elektriciteit niet beschouwd als een ‘goed’ en de overeenkomst tot levering van elektriciteit dus niet beschouwd als ‘koop’. Het ligt voor de hand dat tot dan toe de overeenkomst tot ‘levering’ van elektriciteit werd aangemerkt als een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten dan wel een overeenkomst van opdracht.

4.13.De door Delta met [X.] gesloten overeenkomst werd dus ten tijde van het sluiten noch als koop, noch als consumentenkoop aangeduid. Met de wet van 1 juli 2004 werd die overeenkomst als consumentenkoop, en daarmee impliciet ook als koop aangeduid.

4.14.Het overgangsrecht ziet, naar blijkt uit de tekst ervan, primair op de situatie waarin op overeenkomsten van een bepaald type, gedurende de looptijd van die overeenkomst, nieuwe regels toepasselijk worden verklaard. Met betrekking tot elektriciteit is een iets andere situatie aan de orde, namelijk de situatie waarin een bepaald type overeenkomst op enig moment gedurende de looptijd van die overeenkomst anders wordt gekwalificeerd dan voorheen, met als gevolg dat daarop andere regels toepasselijk worden.

Wezenlijk maakt dit echter geen verschil, zodat dezelfde overgangsrechtelijke regels toepasselijk zijn als in het eerst bedoelde geval.

Gas

4.14.Gas is altijd als een ‘goed’ aangemerkt, zodat in zoverre altijd sprake is geweest van een koopovereenkomst, welke echter tot 14 juli 2004 niet als consumentenkoop werd aangemerkt.

Overgangsrecht

4.15.Artikel 68 Ow. luidt:

In de volgende artikelen worden onder “de wet” verstaan de in werking getreden bepalingen van de Boeken 3-8.

4.16.Voor zover voor het onderhavig hoger beroep van belang luidt art. 196 Ow.:

Lid 1: Op overeenkomsten van koop en ruil die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn gesloten, wordt titel 1 van Boek 7 een jaar na dat tijdstip van toepassing.

Lid 2: In afwijking van lid 1 worden de bepalingen van titel 1 van Boek 7 omtrent consumentenkoop niet van toepassing op een consumentenkoop die vóór dat tijdstip is gesloten.

Lid 3:In afwijking van de leden 1 en 2 is titel 1 van Boek 7 van toepassing op de gevolgen van niet nakoming in het geval dat een der partijen na het in werking treden van de wet in de nakoming van een van haar verbintenissen tekortschiet, tenzij dat tekortschieten een voortzetting van een eerdere tekortkoming is.

4.17.Art. 7:5 BW is op een voor de onderhavige zaak niet relevant gedeelte gewijzigd bij de Wet van 6 maart 2003 (Wet tot aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, Staatsblad 2003, 110). De MvT bij art. III van die wet hield onder meer het volgende in:

‘Artikel 196 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow) bevat voor de overeenkomst van koop het overgangsrecht. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de wijzigingen die dit wetsvoorstel in titel 7.1 BW brengt, waarbij aantekening verdient dat in overeenstemming met artikel 68 Ow onder het woord «wet» in in artikel 196 Ow ook dient te worden begrepen dit wetsvoorstel zodra het in werking is getreden. Artikel 196 geeft voor de meeste wijzigingen die dit wetsvoorstel brengt ook een bevredigende overgangsrechtelijke oplossing, zodat met uitzondering van de twee hierna te bespreken punten dit artikel ook deze wijzigingen kan beheersen. Dit brengt mee dat met betrekking tot de wijzigingen in artikel 5, 6, 18 en 19 ingevolge artikel 196 lid 2 Ow het oude recht wordt geëerbiedigd. Deze wijzigingen zijn derhalve niet van toepassing op een consumentenkoop die vóór het in werking treden van deze wet is gesloten. Omdat de wijzigingen in artikel 17 niet slechts betrekking hebben op een consumentenkoop, is daarop artikel 196 lid 1 Ow van toepassing. Dit brengt mee dat deze wijzigingen na het verstrijken van een jaar na het in werking treden van dit wetsvoorstel ook van toepassing zijn op overeenkomsten van koop die vóór deze inwerkingtreding zijn gesloten. Overigens zullen de meeste van deze koopovereenkomsten binnen deze periode zijn uitgewerkt. Hierbij zij bovendien aangetekend dat met uitzondering van de tweede zin van lid 5 van artikel 17, deze wijzigingen geen inhoudelijke verandering brengen. De artikelen 21 en 23 geven regels voor de gevolgen van niet nakoming, zodat de wijzigingen daarvan beheerst worden door artikel 196 lid 3 Ow. Deze wijzigingen zijn derhalve onmiddellijk van toepassing in het geval de verkoper na het in werking treden van deze wet tekort schiet.

4.17.Uit deze wetsbepalingen en toelichting in onderling verband bezien valt af te leiden, dat art. 196 Ow. niet enkel betrekking heeft op de inwerkingtreding van het (toen nog nieuwe) Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992, doch ook op de inwerkingtreding van eventuele latere wijzigingswetten die betrekking hebben op overeenkomsten van koop. In de wijzigingswet van 1 juli 2004 is geen specifieke bepaling van overgangsrecht opgenomen, noch wordt in de MvT op deze wet iets opgemerkt over een overgangsrecht voor de hier van belang zijnde bepaling. Het hof knoopt daarom voor de bepaling van het overgangsrecht van het hier van belang zijnde art. Va van de wijzigingswet van 1 juli 2004 aan bij voornoemd uitgangspunt dat volgt uit de MvT bij de Wet van 6 maart 2003.

4.18.Het gaat in casu om een duurovereenkomst welke tot telkens nieuwe verplichtingen tot betaling van voorschottermijnen leidt. Voor deze zaak is van belang dat twee perioden te onderscheiden zijn: voor en na 14 juli 2004. Niet de factuurdatum, maar de vervaldatum van de facturen is daarbij het relevante criterium voor de bepaling of de factuur tot de eerste dan wel tot de tweede categorie behoort.

4.19.Leden 1 en 2 van art. 196 Ow. dienen in onderling verband te worden gelezen, en houden in dat voor bestaande koopovereenkomsten, niet zijnde consumentenkoopovereenkomsten, Boek 7 titel I op 14 juli 2005 van toepassing wordt. Op consumentenkoopovereenkomsten (ook op overeenkomsten als de onderhavige, welke aanvankelijk niet als zodanig werden aangeduid, maar door de wetswijziging wel) wordt Boek 7 titel I nooit van toepassing.

4.20.Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt, dat de regelingen met betrekking tot het overgangsrecht bij koop en consumentenkoop zijn bepaald door de gedachte dat het gaat om naar de aard kortdurende, tot een eenmalige prestatie leidende verplichtingen. Uitgestelde werking voor de duur van één jaar zou bewerkstelligen dat het gros van de deze koopovereenkomsten reeds zijn nagekomen.

Deze ratio gaat echter bij uitstek niet op voor langlopende contracten met betrekking tot nutsvoorzieningen. Naar aanleiding van de wetswijzigingen van 2004 heeft het ‘switchen’ van leverancier een hoge vlucht genomen, hetgeen juist ook de bedoeling van de wetgever was. Echter, er zijn nog steeds veel huishoudens welke bij de vanouds vertrouwde regionale leverancier klant zijn gebleven. Dat betekent dat er, ook heden ten dage, nog veel lopende contracten zijn welke vóór 14 juli 2004 zijn gesloten, dus op een moment dat deze nog niet als consumentenkoop en zelfs niet als koop werden aangemerkt.

4.21.Desondanks vormt dat geen reden om al die oude overeenkomsten toch onder het bereik van de bepalingen inzake consumentenkoop te brengen, ook al beogen die bepalingen de bescherming van consumenten en zou aldus een niet onaanzienlijke groep consumenten van die bescherming verstoken kunnen blijven. Het genoemde artikel 196 lid 3 bepaalt immers voor de meest wezenlijke geschillen - namelijk geschillen met betrekking tot de niet-nakoming door een van partijen - dat indien die niet-nakoming ná 14 juli 2004 plaatsvindt, de bepalingen inzake consumentenkoop alsnog van toepassing zijn. De facto betekent dit dat met een omweg alsnog in veel geschillen (vrijwel) al die bepalingen van toepassing zijn, ook op bestaande consumentenkoopovereenkomsten die vóór 14 juli 2004 zijn gesloten.

4.22.Op de met [X.] gesloten overeenkomsten met betrekking tot elektriciteit en gas is Boek 7 titel I, en daarmee art. 7:28 BW niet toepasselijk op grond van lid 2 van art. 196 Ow. Het hof acht dit niet bezwaarlijk, omdat niet valt in te zien waarom in verband met een tekortkoming die zich reeds gemanifesteerd had vóór het moment van inwerkingtreding van de gunstiger wet, [X.] van die gunstiger wet zou moeten profiteren.

4.23.Bij de vraag welke invloed art. 196 lid 3 Ow. heeft op het onderhavig geschil, dient onderscheid gemaakt te worden tussen de vóór en nà 14 juli 2004 vervallen bedragen: inzake de vóór 14 juli 2004 vervallen bedragen geldt, dat lid 3 niet tot toepassing van de regels van consumentenkoop leidt. De tekortkoming is aangevangen vóór 14 juli 2004 en, omdat [X.] deze termijnen nooit heeft betaald, voortgezet nadien. De laatste bijzin (beginnende met “tenzij”) van lid 3 is dus van toepassing, met als gevolg dat niet - overeenkomstig het eerste deel van lid 3 - afgeweken dient te worden van leden 1 en 2 van art. 96 Ow.

4.24.Het hof komt dus tot de conclusie dat in verband met de vóór 14 juli 2004 vervallen bedragen art. 7:28 BW niet van toepassing is, doch de normale vijfjaars verjaringstermijn geldt.

De oudste factuur dateert van 19 december 2003 en heeft als vervaldatum 2 januari 2004. De verjaringstermijn is voor wat betreft dat gedeelte van de vordering aangevangen op 3 januari 2004. Op 14 juli 2006 is door Delta c.s. een betalingsherinnering verzonden, waarvan de ontvangst door [X.] wordt betwist. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat -indien deze betalingsherinnering [X.] niet heeft bereikt - dit het gevolg was van een voor rekening van [X.] komende omstandigheid. [X.] heeft namelijk niet betwist dat hij heeft nagelaten zijn adreswijziging door te geven aan Delta c.s. Door de betalingsherinnering is de verjaring op 14 juli 2006 gestuit. De inleidende dagvaarding is van 19 oktober 2009, dus binnen vijf jaar na de stuitingshandeling, zodat het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de vóór 14 juli 2004 vervallen bedragen voor gas en elektriciteit niet is verjaard.

4.25.Voor de ná 14 juli 2004 vervallen bedragen geldt dat art. 196 lid 3 Ow., eerste deel, wél van toepassing is en de “tenzij”- bepaling in de laatste bijzin niet. Ten aanzien van deze bedragen hebben de tekortkomingen immers pas plaatsgevonden ná 14 juli 2004. Deze kunnen ook niet beschouwd worden als een voortzetting van eerdere tekortkomingen ten aanzien van eerdere facturen met ieder een eigen vervaldatum. Dit leidt ertoe dat art. 7:28 BW wel van toepassing is op het gedeelte van de vordering dat ziet op de ná 14 juli 2004 vervallen bedragen voor gas en elektriciteit. Zoals hiervoor in ro. 4.8 overwogen, brengt dat met zich dat de vordering van Delta c.s. in zoverre verjaard is.

4.26. De facturen hebben betrekking op elektriciteit, gas, water en kabel. Zoals hiervoor overwogen in ro. 4.5 is het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op water en kabel in dit hoger beroep niet aan de orde. Bij elektriciteit en gas wordt op de facturen, zoals gebruikelijk, onderscheid gemaakt tussen levering, netwerk en bemetering. Het voorgaande leidt tot de volgende uitsplitsing van de vordering van Delta c.s., voor zover in dit hoger beroep aan de orde. Deze uitsplitsing is gebaseerd op de afrekennota van 1 juni 2004 en de maandnota’s inclusief BTW vanaf 19 maart 2004, waarbij het hof opmerkt dat laatstgenoemde maandnota een beperktere uitsplitsing kent dan de andere nota’s.

Maandnota's

4.27.Zoals bekend zijn heden ten dage de leverancier en de netwerkbeheerder verschillende rechtspersonen; in 2004 ging het nog vaak om dezelfde rechtspersonen, zo ook in casu. De overeenkomst tot “levering” van elektriciteit en gas werd na 14 juli 2004 aangemerkt als consumentenkoop; dat geldt niet voor de overeenkomst tot transport van elektriciteit en gas. Ook al was destijds nog geen sprake van de splitsing tussen leveranciers en netwerkbeheerders, de overeenkomsten hadden een gemengd karakter. Door Delta is echter niet naar voren gebracht dat voor het “transport”-gedeelte van de overeenkomsten een ander verjaringsregime zou gelden dan voor het leveringsgedeelte, en dat zou ook tot een onwerkbare situatie leiden.

4.28.Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Delta c.s. voor zover in dit hoger beroep aan de orde niet is verjaard voor de hiervoor aangegeven facturen waarvan de vervaldatum vóór 14 juli 2004 was gelegen en wel is verjaard voor zover de vervaldata ná 14 juli 2004 zijn gelegen.

Het hof zal daarom de vonnissen van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, van 3 maart 2010 en 2 juni 2010 vernietigen voor zover deze betrekking hebben op de verjaring van het gedeelte van de vordering betreffende gas en elektriciteit ten aanzien waarvan de vervaldatum van de facturen vóór 14 juli 2004 is gelegen.

4.29.Naast de gevorderde hoofdsom hebben Delta c.s. onbetwist vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente gevorderd. Het hof zal de buitengerechtelijke incassokosten voor een evenredig deel toewijzen. Dat komt neer op een bedrag van € 83,25. De wettelijke rente zal het hof over het bedrag van het toegewezen deel van de vordering toewijzen vanaf de vervaldata van de genoemde facturen, die liggen vóór 14 juli 2004. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf 3 februari 2009, de dag waartegen [X.] in gebreke is gesteld.

4.30.Nu in dit hoger beroep Delta c.s. deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding om de proceskosten van het hoger beroep te compenseren in die zin dat Delta c.s. de eigen kosten dragen.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart Zeelandnet B.V. en Evides N.V. niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

vernietigt de vonnissen waarvan beroep voor zover daarbij de vorderingen van appellanten sub 1, 4 en 5 integraal zijn afgewezen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X.] om aan Delta c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 386,23 te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschillende factuurbedragen (tot en met de factuur van 1 juni 2004) vanaf de vervaldata van deze facturen tot aan de dag der algehele voldoening en een bedrag van € 83,25, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis van 2 juni 2010 ten aanzien van de proceskostenbeslissing;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep, in die zin dat Delta c.s. de eigen kosten dragen;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.Th. Gründemann en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 oktober 2011.