Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT6959

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
07-10-2011
Zaaknummer
BK-10/00003
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Uitgaven wegens chronische ziekte zoon. Uitgaven voor vervoer. Heffingsrente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2454
Belastingadvies 2011/22.4
FutD 2011-2424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/003

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 14 september 2011

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Zuidwest, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda van 2 december 2009, nummer AWB 08/5206, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.182, alsmede bij beschikking een bedrag van € 362 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband hiermee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 augustus 2011, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel en belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, aan hem verzonden op 23 juni 2011 op het adres [a-straat 1], [0000 XX] [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens informatie op de website van PostNL, waarvan een afschrift in het dossier is gevoegd, is de vorenbedoelde brief op 24 juni 2011 door een medewerker van TNT Post op het voormelde adres afgeleverd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [Y]. In 2005 behoorden tot 10 januari vijf kinderen tot het huishouden. Vanaf 10 januari behoorden vier kinderen tot het huishouden, geboren op [dag en maand] 1983, [dag en maand] 1995, [dag en maand] 1996 en [dag en maand] 2000.

3.2. Blijkens een rapport van de Stichting [A], gedagtekend 23 januari 2006 en opgesteld door verzekeringsarts [B], lijdt belanghebbende onder meer aan chronisch lage rugpijn, uitstralend naar het linkerbeen, een en ander als gevolg van tussenwervelslijtage van de lumbale wervelkolom en is belanghebbende energetisch beperkt ten gevolge van een chronisch intermitterend optredende exacerbatie/remissie van de ziekte van Besnier Boeck, hetgeen gepaard gaat met afweerstoornissen. De functie van het linkerbeen is ernstig verminderd ten gevolge van krachtsverlies, gevoelsstoornissen en beperkte beweeglijkheid.

3.3. Belanghebbende maakte voor zijn vervoer en dat van zijn gezin in 2005 gebruik van een Volkswagen Golf met automatische transmissie (hierna: de auto).

3.4. Belanghebbende genoot in 2005 een WAO-uitkering van € 28.648. Zijn echtgenote was werkzaam bij de Stichting [C] en heeft een loon van € 14.862 genoten. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in hun aangiften voor het onderhavige jaar de volgende bedragen aan uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling in mindering gebracht op hun inkomen:

Eiser (€) Echtgenote (€)

Algemene uitgaven 4.557 1.848

Specifieke uitgaven 5.280 449

Aftrek chronisch zieke 787 787

Overige uitgaven 600 311

Totaal 11.224 3.395

Drempel -/- 1.122 -

Aftrek 10.102 -

Belanghebbende heeft de betreffende uitgaven niet gespecificeerd. Het bedrag van € 5.280 heeft betrekking op de leasekosten van de auto.

3.5. De inspecteur heeft de bij de echtgenote vermelde ziektekosten ten bedrage van € 3.395 overgebracht naar de aangifte van belanghebbende, de aftrek van voormelde uitgaven voor vervoer ten bedrage van € 5.280 geweigerd en de drempel verhoogd tot (11,2% x € 28.648 + € 14.862 =) € 4.873, zodat een aftrek ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling resteert van € 4.466.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende voor het jaar 2005 recht heeft op aftrek van uitgaven voor een chronisch ziek kind als bedoeld in artikel 6.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2005, hierna: Wet IB 2001) en op aftrek van de tot de buitengewone lasten te rekenen uitgaven voor vervoer ter zake van invaliditeit als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Tevens is in geschil of de in rekening gebrachte heffingsrente tot het juiste bedrag is berekend.

4.2. Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat:

- hij recht heeft op de forfaitaire aftrek van € 787 voor zijn geestelijk en gehandicapte zoon; - de uitgaven van zijn Volkswagen Golf moeten integraal worden aangemerkt als uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit;

- de heffingsrente dient te worden berekend met ingang van 1 april 2006 en dat er aanleiding is de heffingsrente te matigen omdat de Inspecteur de aanslag pas in september 2007 heeft geregeld.

4.3. De Inspecteur heeft het hoger beroep van belanghebbende gemotiveerd bestreden en stelt dat de rechtbank een juiste beslissing heeft gegeven. Hij voert daartoe aan dat:

- belanghebbende geen recht heeft op aftrek wegens chronische ziekte van zijn zoon;

- de kosten van vervoer geen buitengewone uitgaven vormen, enerzijds omdat er geen rechtstreeks verband bestaat met de ziekte en anderzijds omdat belanghebbende op grond van het zogenoemde vergelijkingscriterium niet aan aftrek toekomt.

4.4. Voor de overige standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“De aftrekbare ziektekosten

4.1. Belanghebbende heeft in zijn aangifte en die van zijn echtgenote in verband met chronische ziekte tweemaal een vaste aftrek ad € 787 voor uitgaven wegens chronische ziekte vermeld. Eenmaal een bedrag van € 787 behoort tot de buitengewone uitgaven vanwege de arbeidsongeschiktheid van belanghebbende. Het tweede bedrag van € 787 heeft blijkbaar betrekking op zijn echtgenote. Belanghebbende wil nogmaals aftrek van € 787 wegens een chronisch ziek kind. Zoals de inspecteur terecht stelt in het verweerschrift, kan aftrek voor een chronisch ziek kind alleen worden verleend indien belanghebbende voor dat kind meer dan € 311 aan specifieke medische uitgaven heeft gedaan. Er is geen bewijs dat belanghebbende zoveel uitgaven heeft gedaan. Nu belanghebbende degene is die de aftrek claimt, moet hij bewijzen dat hij daar recht op heeft. Dat bewijs heeft hij niet geleverd. Hij heeft daardoor geen recht op die aftrek.

4.2. Hetzelfde geldt voor de aftrek voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij extra kosten voor kleding en beddengoed heeft gemaakt. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift ontkend dat dergelijke kosten zijn gemaakt. Ook hier ligt de bewijslast bij belanghebbende. Daardoor is er ook geen ruimte voor deze aftrekpost.

4.3. Autokosten zijn niet zonder meer aftrekbaar als ziektekosten. Dergelijke kosten zijn alleen aftrekbaar als iemand door zijn ziekte hogere autokosten heeft dan andere, niet zieke personen. De Hoge Raad heeft daarover het volgende bepaald (arrest van 15 december 1999, nummer 35157):

“Voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de kosten van een in verband met invaliditeit gehouden auto die niet zijn aan te merken als kosten van vervoer in rechtstreeks verband met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp, of als kosten ter zake van regelmatig ziekenbezoek, kunnen worden gerangschikt onder de buitengewone lasten (…) moet worden bepaald of en in hoeverre de in een kalenderjaar door de zieke of gehandicapte gemaakte autokosten overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de betrokkene.”

4.4. Ook voor de autokosten geldt dat belanghebbende de bewijslast heeft. Hij moet drie dingen bewijzen, namelijk (1) de hoogte van de kosten, (2) dat hij de auto nodig heeft vanwege zijn ziekte, en (3) dat zijn kosten hoger zijn dan de kosten van vergelijkbare, gezonde personen.

4.4.1. Belanghebbende heeft € 5.280 aan kosten opgevoerd. De inspecteur gaat uit van € 4.873 aan kosten (pagina 4 van het verweerschrift). Belanghebbende heeft niet bewezen dat de echte kosten hoger waren.

4.4.2. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de auto nodig heeft vanwege zijn ziekte/handicap.

4.4.3. De inspecteur heeft het netto inkomen van belanghebbende berekend op ongeveer € 3.000 per maand. Naar het oordeel van de rechtbank klopt die berekening. Tevens heeft de inspecteur een NIBUD overzicht overgelegd, waaruit blijkt dat personen met een gezin en een netto inkomen zoals dat van belanghebbende in 2005 gemiddeld € 397 per maand uitgaven aan vervoer. Dat is per jaar € 4.764. De door de inspecteur berekende kosten van € 4.873 zijn nauwelijks hoger. Dan is aftrek van die kosten niet mogelijk.

De heffingsrente

4.5. Belanghebbende stelt dat de heffingsrente moet worden beperkt. Hoewel belanghebbende daar niet eerder over heeft geklaagd, kan de rechtbank deze stelling wel behandelen (Hoge Raad, 27 november 2009, nr. 07/13621, onder meer gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BJ7907).

4.6. De heffingsrente is berekend zoals dat volgens de wet moet. Artikel 30f, eerste en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepalen, voor zover hier van belang, dat heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli 2005 en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

4.7. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 september 2009, nr. 07/13362, onder meer gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BJ8524, een beperking gegeven aan de termijn waarover heffingsrente wordt berekend. Die beperking geldt echter alleen indien de aanslag meer dan 3 maanden na de aangifte wordt opgelegd, en de inspecteur op basis van de aangifte al eerder een voorlopige aanslag had kunnen opleggen. Dan eist het zorgvuldigheidsbeginsel dat de inspecteur de heffingsrente tot die drie maanden beperkt. In de situatie van belanghebbende is het inkomen in de aanslag veel hoger vastgesteld dan in de aangifte. Het feit dat belanghebbende daardoor ook heffingsrente verschuldigd wordt, is dus niet het gevolg van onzorgvuldig handelen van de belastingdienst maar van de onjuistheid van de aangifte. Voor beperking van de heffingsrente is dan geen reden.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.”

Beoordeling van het hoger beroep

Uitgaven wegens chronische ziekte zoon

7.1. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat hij recht heeft op aftrek op de voet van artikel 6:20a Wet IB 2001 van een bedrag van € 787 wegens chronische ziekte van zijn zoon.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005 en in die van zijn echtgenote in verband met chronische ziekte tweemaal een vaste aftrek van € 787 voor uitgaven wegens chronische ziekte vermeld. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005 daarnaast in het onderdeel algemene uitgaven ter zake van ziekte nogmaals een bedrag van

€ 787 voor uitgaven wegens chronische ziekte heeft vermeld. De Inspecteur heeft al deze in aftrek gebrachte bedragen geaccepteerd. Het Hof hecht geloof aan het door de Inspecteur gestelde als voormeld. Belanghebbende heeft dan niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan forfaitaire aftrek wegens chronische ziekte dan waarmee bij het vaststellen van de aanslag rekening is gehouden.

Uitgaven voor vervoer

7.2. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 behoren tot de buitengewone uitgaven onder meer de met ziekte en invaliditeit verband houdende uitgaven ter zake van vervoer.

7.3. Belanghebbende heeft met het door hem gestelde en het door hem ingebrachte rapport van Stichting [A], zoals zakelijk weergegeven onder 3.2 van deze uitspraak, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat hij door zijn invaliditeit is aangewezen op vervoer per auto met automatische transmissie. Dit brengt mee dat met betrekking tot de autokosten sprake is van noodzakelijke en als rechtstreeks gevolg van zijn invaliditeit gemaakte kosten van vervoer. De omstandigheid dat een auto met automatische transmissie ook door personen zonder ziekte of handicap wordt gebruikt, maakt dit oordeel niet anders. Ook de omstandigheid dat in het onderhavige geval geen sprake is van het aanpassen casu quo ombouwen van een auto, staat aan voormeld oordeel niet in de weg.

7.4. Op belanghebbende rust - bij betwisting door de inspecteur - de last aannemelijk te maken in hoeverre de door hem gemaakte autokosten niet behoren tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens, wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als hij (het zogenoemde vergelijkingscriterium).

7.5. Het Hof neemt voor wat betreft de berekening van de uitgaven van vervoer binnen het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens, wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als belanghebbende als uitgangspunt de door de Inspecteur bij zijn verweerschrift in eerste aanleg als bijlage 10 gevoegde gegevens van het Nibud. De Inspecteur leidt uit dat rapport af dat vergelijkbare personen in 2005 € 397 per maand uitgaven aan vervoer, hetgeen het Hof aannemelijk acht.

7.6.1. Voor wat betreft de door belanghebbende in 2005 gemaakte autokosten stelt hij dat uitgegaan dient te worden van 12 maal het door [D] aan hem in rekening gebrachte bedrag van afgerond € 440, inclusief BTW, ofwel € 5.280, alsmede van € 2.300 aan benzinekosten en van een - niet begroot - bedrag aan verzekeringskosten en belasting.

7.6.2. De Inspecteur stelt de totale autokosten van belanghebbende in 2005 op € 4.873. Hij heeft dit bedrag als volgt gespecificeerd:

leasekosten (exclusief rente en BTW) € 2.500

belasting 440

verzekering 420

benzine 1.800

reiskostenvergoeding echtgenote -/- 287

----------

totaal € 4.873

De Inspecteur heeft deze bedragen ontleend aan gegevens die belanghebbende heeft verstrekt bij zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2004. De Inspecteur stelt dat in de leaseprijs begrepen financieringskosten en omzetbelasting niet kunnen worden aangemerkt als uitgaven van vervoer in de hier bedoelde zin.

7.6.3. Met de door belanghebbende overgelegde nota’s van [D] is aannemelijk gemaakt dat hij ter zake van het gebruik van de auto in het jaar 2005 € 5.280 heeft uitgegeven. Het Hof is van oordeel dat de omzetbelasting, die blijkens de nota’s in de aan belanghebbende in rekening gebrachte leaseprijs is begrepen, kan worden aangemerkt als uitgaven van vervoer, omdat deze op belanghebbende als particulier drukt. Het Hof ziet geen aanleiding om de financieringsrente die de lessor als component van de leaseprijs aan belanghebbende in rekening bracht en die door hem zijn betaald, niet aan te merken als uitgaven van vervoer.

7.6.4. Belanghebbende stelt dat naast voormeld bedrag een bedrag van € 2.300 aan benzinekosten en een niet begroot bedrag aan verzekeringspremie en belasting in aanmerking moet worden genomen. Wat betreft de brandstofkosten stelt het Hof voorop dat uit de door belanghebbende overgelegde nota’s van [D] is af te leiden dat in het aan hem in rekening gebrachte leasebedrag geen brandstofkosten zijn begrepen. Nu de Inspecteur het door belanghebbende voor het onderhavige jaar gestelde bedrag aan benzinekosten voor zover dit uitgaat boven een bedrag van € 1.800 heeft weersproken is het aan belanghebbende dit meerdere aannemelijk te maken. Belanghebbende heeft niets aangevoerd dat zijn stelling in zoverre kan schragen. Het Hof acht belanghebbende derhalve niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast en rekent het bedrag van € 1.800 tot de vervoerskosten.

7.6.5. Wat betreft de kosten voor verzekeringspremies en belasting heeft de Inspecteur, blijkens de hiervoor onder 7.6.2 opgenomen kostenopstelling,enerzijds tot uitgangspunt genomen dat deze niet in de leaseprijs waren begrepen en anderzijds dat belanghebbende tot bedragen van respectievelijk € 420 en € 440 kosten heeft gemaakt. Het Hof sluit zich bij de uitgangspunten van de Inspecteur aan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt te dier zake hogere kosten te hebben gemaakt. Deze uitgaven moeten derhalve voor de hiervoorgenoemde bedragen als kosten van vervoer in aanmerking worden genomen.

7.6.6. De Inspecteur stelt, blijkens de onder 7.6.2. opgenomen opstelling van kosten, dat de echtgenote van belanghebbende een reiskostenvergoeding van € 287 heeft genoten. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur echter niet aannemelijk gemaakt dat de echtgenote in het onderhavige jaar een reiskostenvergoeding heeft genoten.

7.7. Gelet op het vorenoverwogene heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de door hem gemaakte vervoerskosten uitstijgen boven hetgeen vergelijkbare personen in meerbedoelde zin uitgeven aan vervoerskosten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat met belanghebbende vergelijkbare personen volgens de Nibud-gegevens voor het jaar 2005 een bedrag van € 4.764 uitgeven aan vervoerskosten en dat de door belanghebbende gemaakte autokosten voor dat jaar uitkomen op een bedrag van € 5.280 + € 1.800 + € 420 + € 440 = € 7.940. De voor aftrek in aanmerking komende meerkosten bedragen dan € 7.940 -/-

€ 4.764 = € 3.176

7.8. Gezien het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat de Inspecteur de door belanghebbende geclaimde buitengewone uitgaven voor vervoer ter zake van ziekte en invaliditeit voor een bedrag van per saldo € 3.176 ten onrechte niet in aftrek heeft toegelaten.

Heffingsrente

7.9. De Inspecteur stelt dat, anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, de heffingsrente is berekend met ingang van 1 januari 2006. Het Hof kan de Inspecteur niet in zijn stelling volgen, omdat voor het jaar 2005 als aanvangstijdstip voor de berekening van heffingsrente gold het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven (artikel 30f, lid 3, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De Inspecteur heeft geen bewijs voor zijn stelling aangedragen en ook anderszins is niet gebleken dat de heffingsrente niet in overeenstemming met de wet, zoals deze voor het onderhavige jaar gold, is berekend.

7.10. Belanghebbende stelt dat het bedrag van de heffingsrente dient te worden gematigd, omdat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet voortvarend heeft gehandeld.

Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de stelling dat de Inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de aanslag, kan dit belanghebbende niet baten. De door de Hoge Raad in zijn arrest van 25 september 2009, nr. 07/13362, BNB 2009/295 gehonoreerde matiging van heffingsrente geldt uitsluitend in het geval dat het belopen van heffingsrente een gevolg is van onzorgvuldig handelen van de inspecteur. Bij het niet naar het juiste bedrag doen van aangifte is daarvan geen sprake.

Conclusie

7.11. Op grond van het in 7.8 overwogene is het hoger beroep gedeeltelijk gegrond en dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7.2. Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van € 41 en € 110 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.006 (= € 24.182 -/- € 3.176);

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig; en

- gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 151 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, T. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 14 september 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.