Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT6281

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
200.069.929-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BL1435, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geldigheid jurisdictieclausule bij inkomend zeevervoer (art. 629 Rv)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

sector civiel recht

Uitspraakdatum : 13 september 2011

Zaaknummer : 200.069.929/01

Rolnummer rechtbank : 09/2402

Arrest

in de zaak van:

LEHMANN & TROOST B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: L&T,

advocaat: mr. J.M. Wolfs (Maastricht),

tegen

APL CO. PTE LTD.,

gevestigd te Singapore,

geïntimeerde,

hierna te noemen: APL,

procesadvocaat: mr. E. Grabandt (’s-Gravenhage),

behandelend advocaat: mr. L.A.S. Boersen.

Het verloop van het geding

L&T is bij exploot van 8 maart 2010 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 december 2009 dat de Rechtbank Rotterdam tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft zij vier grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door APL bij memorie van antwoord zijn bestreden. Na aansluitend beraad hebben beide partijen arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering die L&T tegen APL heeft ingesteld. Die vordering strekt tot vergoeding van schade aan een zending maïs. Volgens L&T, die de maïs had gekocht van Duda Farm Fresh Foods Inc., gevestigd te Florida USA, is de schade ontstaan tijdens het vervoer ervan door APL met het m.s. ‘APL Malaysia’ van Miami naar Rotterdam. De oorzaak van de schade zou zijn dat, in strijd met de instructie, de ventilatieopening van de door APL voor het vervoer ter beschikking gestelde container gesloten is geweest.

2. De bevoegdheid van de Rotterdamse rechtbank heeft L&T gegrond op art. 629, lid 1, Rv. APL heeft die bevoegdheidsgrond bestreden met een beroep op de jurisdictieclausule welke is opgenomen in het cognossement dat voor het onderhavige vervoer is uitgegeven. Dat cognossement is door of namens L&T in Rotterdam ter fine van uitlevering van de goederen aan de vertegenwoordiger van APL gepresenteerd. De betreffende cognossementsclausule luidt:

“28. LAW AND JURISDICTION

i) Governing Law.

Insofar as anything has not been dealt with by the terms and conditions of this Bill of Lading, Singapore law shall apply. [..].

ii) Jurisdiction.

All disputes relating to this Bill of Lading shall be determined by the Courts of Singapore to the exclusion of the jurisdiction of the courts of any other country provided always that the Carrier may in its absolute and sole discretion invoke or voluntarily submit to the jurisdiction of the Courts of any other country [..].

iii) Notwithstanding Clause 28 i) and ii), if Carriage includes Carriage to, from or through a port in the United States of America, the Merchant may refer any claim or dispute to the United States District Court for the Southern District of New York in accordance with the laws of the United States of America.”

3. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de bevoegdheidsvraag vooropgesteld dat de vordering van L&T er één is uit hoofde van het cognossement en dat L&T derde houder is van het cognossement. Vervolgens heeft de rechtbank getoetst of clausule 28 van de cognossementsvoorwaarden voldoet aan het tweede lid van art. 629 Rv, waarin staat op welke wijze kan worden gederogeerd aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bij inkomend zeevervoer. Het resultaat van die toetsing is geweest dat de clausule deels nietig, deels geldig is bevonden; nietig voor zover in onderdeel (iii) van de clausule een rechter te New York, USA, bevoegd is verklaard, maar geldig wat betreft de bevoegdverklaring van ‘the Courts of Singapore’. Aangezien APL daar gevestigd is voldoet deze bevoegdverklaring aan de vereisten van art. 629, lid 2, Rv, aldus de rechtbank, die zich daarop onbevoegd heeft verklaard.

4. Tegen dit oordeel keren zich de grieven 1 en 2. Bij de beoordeling van deze grieven is het goed om eerst acht te slaan op de strekking van art. 629 Rv. Die strekking is - zo leert de parlementaire geschiedenis - het beschermen van de ladingontvanger (niet zijnde de afzender) tegen misbruik van forumkeuzeclausules die hem (i) verwijzen naar een moeilijk bereikbare rechter in een bij de vaststelling van oorzaak en omvang van de schade niet betrokken land, waar veelal onzekerheid bestaat over de toe te passen rechtsregels, en die (ii) bovendien de plaats van die rechter herhaaldelijk op zeer onduidelijke en dubbelzinnige wijze aanwijzen.

De wetgever heeft dergelijke forumkeuzeclausules niet geheel onmogelijk willen maken, maar aan het misbruik ervan paal en perk willen stellen door als geldigheidseis te stellen dat bevoegd wordt verklaard een duidelijk aangewezen rechter in hetzij het land van de vervoerder hetzij het land van de ontvanger.

5. Het bezwaar van L&T tegen de door APL ingeroepen forumkeuzeclausule is dat deze de bevoegde rechter niet met de vereiste duidelijkheid aanwijst. In de eerste aanleg heeft zij daartoe aangevoerd dat de verwijzing naar ‘the Courts of Singapore’ vanwege het meervoud ‘Courts’ te vaag is en dat bovendien naast ‘the Courts of Singapore’ andere bevoegde rechters zijn genoemd, te weten die te New York en die welke APL verkiest, waardoor exclusiviteit ontbreekt.

6. Het aldus gevoerde verweer is door de rechtbank terecht verworpen. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

Voor vorderingen van de derde cognossementhouder tegen de vervoerder wijst de forumkeuzeclausule als exclusief bevoegde rechter ‘the Courts of Singapore’ aan. Singapore is een stadstaat, derhalve een staat, maar tegelijk een plaats als bedoeld in art. 629, lid 2, sub a, Rv. Het gebruik van de meervoudsvorm ‘Courts’ vormt een aanwijzing dat Singapore de plaats voor de gehele rechtsgang is, dus voor de eerste aanleg, het eventuele hoger beroep en verder. Welke rechter voor de eerste aanleg dient te worden geadieerd en op welke wijze is een kwestie van het ter plaatse geldende procesrecht. Dat de clausule hier niet over uitwijdt maakt deze in dit geval niet zo onduidelijk dat een nietigverklaring moet volgen.

7. Het derde onderdeel van de clausule biedt ten gerieve van ‘the Merchant’ de mogelijkheid om bij vervoer ‘to, from or through’ havens in de US, in plaats van de rechter te Singapore, die te New York te adiëren. Dit leidt evenmin tot nietigheid, ook niet indien de bevoegdverklaring van de rechter te New York op zichzelf genomen de toets aan art. 629, lid 2, sub a, Rv niet zou kunnen doorstaan. Anders gezegd: als aanvulling, ten gunste van de ontvanger, op een geldig te achten aanwijzing van de rechter te Singapore kan deze optie niet als effect sorteren dat die aanwijzing haar geldigheid verliest. Voor een partiële nietigverklaring bestond dan ook geen aanleiding, maar dit terzijde.

Ook de omstandigheid dat de vervoerder zich het recht heeft voorbehouden om de bevoegdheid van de gerechten in een ander land in te roepen of zich daaraan te onderwerpen maakt de clausule niet ongeldig. Deze keuzevrijheid kan bijvoorbeeld van belang zijn indien de vervoerder ‘the merchant’ wil aanspreken in het land waar deze verhaal biedt. Voor de ontvanger vormt dit geen complicerende factor: voor hem blijft gelden dat hij zich voor zijn vordering moet wenden tot ‘the Courts of Singapore’, of, indien die optie zich voordoet en hij daarvoor kiest, de genoemde rechter te New York.

8. In hoger beroep heeft L&T aan de bestrijding van de forumkeuzeclausule als nieuw element toegevoegd dat het cognossement niet de vestigingsplaats van APL noemt. Onder verwijzing naar HR14 februari 2003, LJN AF1306 (Copiapo), meer specifiek het slot van rov 3.4, luidende: ‘Op omstandigheden die voor de derde cognossementhouder niet uit het cognossement kenbaar zijn, behoort bij de beantwoording van de vraag of de exclusief bevoegde rechter voldoende duidelijk is aangewezen, geen acht te worden geslagen’, stelt zij dat van haar niet kan worden geëist dat zij wist dat APL in Singapore gevestigd was en welke ‘courts’ in Singapore bevoegd zijn. Onbekendheid met het feit dat APL de aan te spreken vervoerder was, is door haar - ook in hoger beroep - niet aangevoerd. APL heeft trouwens als ‘carrier’ het cognossement afgegeven.

9. Naar aanleiding van dit beroep op bedoeld Hoge Raad-arrest wordt erop gewezen dat het daarin ging om een forumkeuzeclausule die bevoegd verklaarde: ‘the Courts of the city where the Carrier has his principal place of business’. Wil een dergelijke clausule voldoen aan art. 629, lid 2, Rv dan behoort in beginsel uit de tekst van het cognossement te blijken wie de vervoerder is en waar deze zijn ‘principal place of business’ heeft. Anders is immers uit het cognossement niet duidelijk wie als exclusief bevoegde rechter is aangewezen. Dat geval doet zich hier niet voor: de forumkeuzeclausule wijst voor de onderhavige claim expliciet ‘the Courts of Singapore’ als exclusief bevoegd aan. Een eis is nog wel dat de aldus ‘met name genoemde plaats’ is gelegen ‘op het grondgebied van de staat waarin hetzij de vervoerder hetzij de ontvanger woonplaats heeft’. Dat staat in art. 629, lid 2, sub a, Rv. Daarin staat niet dat uit de forumkeuzeclausule of uit het cognossement moet blijken dat hieraan is voldaan. Voor het niettemin stellen van die eis bestaat in het onderhavige geval onvoldoende aanleiding, te minder nu L&T wist dat APL de aan te spreken vervoerder was, zij APL tijdig op het juiste adres in Singapore heeft weten op te roepen en door haar niet gemotiveerd is betoogd dat het ontbreken van de adresgegevens van APL in het cognossement haar op achterstand heeft gesteld. Weliswaar stelt L&T - voor het eerst in hoger beroep - dat van haar niet kon worden geëist dat zij wist dat APL in Singapore gevestigd was en dat zij er bovendien vanuit mocht gaan dat de vestigingsplaats in Maleisië lag - omdat de bill of lading er volgens haar op wijst dat de ‘APL Malaysia’ onder Maleisische vlag vaart, wat volgens APL niet zo is - maar nu zij eerder op geen enkele wijze heeft kenbaar gemaakt dat er enige onduidelijkheid over de vestigingsplaats van APL heeft bestaan, hebben deze, in slechts algemene bewoordingen vervatte stellingen meer het karakter van beschouwingen dan van een gemotiveerde ontkenning van een in werkelijkheid bestaande bekendheid van L&T met die vestigingsplaats.

Verder is nog van belang dat gesteld noch gebleken is dat de vestigingsplaats van APL in Singapore eigenlijk niets voorstelt en in feite niet meer is dan een postadres. Het beroep door APL op de forumkeuzeclausule is onder deze omstandigheden toelaatbaar. De conclusie is dan ook dat de grieven falen.

10. De derde grief is gericht tegen rov 5.7 van het vonnis, inhoudende: ‘Lehmann & Troost zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van APL. Tegen de vordering van vergoeding van nakosten noch tegen de vordering tot het bij voorraad uitvoerbaar verklaren van de proceskostenveroordeling heeft Lehmann & Troost [..] geen verweer gevoerd. Daarom zal dienovereenkomstig worden beslist.’

Uit de toelichting valt op te maken dat het bezwaar de veroordeling in de nakosten betreft. Het dictum van het vonnis houdt daarover in: ‘veroordeelt Lehmann & Troost in de na deze uitspraak vallen kosten van salaris van de advocaat van APL hierbij bepaald op € 131,- indien geen betekening van dit vonnis plaatsvindt en € 199,- indien APL dit vonnis aan Lehmann & Troost laat betekenen.’

Volgens L&H, die stelt de proceskosten inclusief genoemd bedrag van € 131,- aan APL te hebben voldaan, is de beslissing om haar in de nakosten te veroordelen, ook al vindt geen betekening plaats, onjuist.

11. Hierover wordt het volgende opgemerkt. Het bedrag van € 131,- betreft een vergoeding voor de ná de uitspraak gevallen salariskosten van de advocaat. De grief gaat kennelijk uit van de gedachte dat, als de noodzaak tot het inschakelen van een deurwaarder zich niet voordoet, er ook geen kosten van de advocaat kunnen zijn. Die gedachte is onjuist. Zo zal er in een zaak als de onderhavige sprake zijn van bestudering van het vonnis en overleg / correspondentie over de betekenis ervan met de buitenlandse cliënt. Dat er in feite geen kosten zijn gemaakt, is door L&H niet gemotiveerd betoogd en evenmin dat het bedrag van € 131,- daarvoor geen redelijke vergoeding inhoudt. De klacht ontbeert daarom een voldoende onderbouwing, waardoor de grief faalt.

12. De vierde grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft na het voorgaande, waarin de geldigheid van de forumkeuzeclausule is vastgesteld, geen aparte bespreking. Zij kan niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden, noch in het incident, noch in de hoofdzaak.

Het bewijsaanbod wordt gepasseerd. De te bewijzen stellingen zijn niet ter zake doende en bovendien onvoldoende onderbouwd.

13. De slotsom is dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. L&T is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de kosten van het hoger beroep dragen.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt L&T in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van APL bepaald op € 535,= aan verschotten en op € 894,= aan salaris voor de advocaat;

- verklaart deze uitspraak ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, T.L. Tan en J.H.J. Teunissen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2011 in aanwezigheid van de griffier.