Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2774

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
22-002713-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BL6580, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BL6587, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft over een lange periode ontuchtige handelingen gepleegd met zijn vijf jaar jongere nichtje. Deze ontuchtige handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.

Het hof veroordeelt de verdachte tot voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 5 maanden en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002713-11

Parketnummer: 12-715008-09

Datum uitspraak: 1 juli 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 16 december 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 17 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarde van reclassering alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent het beslag als omschreven is het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 27 januari 2005 te Middelburg en/of te Eindhoven, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of één of meer van zijn vinger(s) in de vagina van de [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een uit leeftijd en/of postuur voortvloeiend overwicht op die [slachtoffer] en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 6 januari 2004 te Middelburg en/of te Eindhoven, (telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1992, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, één of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of één of meer van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 januari 2004 tot en met 27 januari 2005 te Middelburg en/of Eindhoven, (telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1992, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of een of meer van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 27 januari 2005 te Middelburg en/of te Eindhoven, met [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1992, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het wrijven over en/of betasten van de buik en/of de schaamstreek en/of de vagina en/of de borsten en/of de borststreek van die [slachtoffer] en/of het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij een bedreigende situatie voor aangeefster heeft doen ontstaan door gebruik te maken van een uit leeftijd en postuur voortvloeiend overwicht op aangeefster. Het hof stelt vast dat uit het leeftijdsverschil tussen de verdachte en aangeefster, te weten vijf jaren, een feitelijk overwicht valt af te leiden. Het hof is echter van oordeel dat noch uit de verklaringen van aangeefster noch uit enig ander bewijsmiddel blijkt dat ten aanzien van aangeefster sprake is geweest van de in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde en voor een bewezenverklaring vereiste dwang. Het voorhanden bewijsmateriaal biedt onvoldoende basis om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de verdachte opzettelijk een zodanige bedreigende situatie voor de aangeefster heeft doen ontstaan dat zij zich daardoor niet tegen zijn handelingen kon verzetten. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 6 januari 2004 te Middelburg en te Eindhoven, met [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1992, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, één of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en één of meer van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

en

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2004 tot en met 27 januari 2005 te Middelburg en Eindhoven, met [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1992, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 27 januari 1999 tot en met 27 januari 2005 te Middelburg en te Eindhoven, met [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1992, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het wrijven over en betasten van de buik en de schaamstreek en de vagina en/of de borsten en de borststreek van die [slachtoffer] en/of het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat er meer geloof moet worden gehecht aan de verklaringen van de verdachte dan aan de verklaringen van aangeefster. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de zeden-intake, de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen met e-mails van aangeefster aan haar vriendinnen onderling tegenstrijdigheden bevatten ten aanzien van het moment waarop de ontuchtige handelingen zijn gestopt en de mogelijke aanwezigheid van de buurjongen van aangeefster. De verdachte zou daarentegen altijd consequent hebben verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof onderschrijft hetgeen door de rechtbank is overwogen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de tegenover de politie afgelegde verklaringen van aangeefster. Deze verklaringen acht het hof derhalve betrouwbaar.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

en

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. .

het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft over een lange periode ontuchtige handelingen gepleegd met zijn vijf jaar jongere nichtje. Deze ontuchtige handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.

Het kan als een feit van algemene bekendheid worden aangenomen, dat slachtoffers van zedendelicten vaak langdurige ernstige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen overkomen is. Dit klemt des te meer als de slachtoffers - zoals in de onderhavige zaak het geval is geweest - reeds op jonge leeftijd tot ontuchtige handelingen worden gedwongen.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof meegewogen dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 mei 2011, niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op:

- een voortgangsverslag van RN Advies-Toezichtsunit Middelburg d.d. 14 juni 2011, opgesteld door C. Rampaart, reclasseringswerker. Hierin staat vermeld dat de verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Het resultaat van de behandeling bij De Waag is goed en de kans op recidive wordt bij de beëindiging van de behandeling als verminderd geschat. De reclassering is van mening dat toezicht in de toekomst niet is geïndiceerd en dat een voorwaardelijke straf een voldoende stok achter de deur biedt.

Het hof stelt voorts vast dat de behandeling in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de inzendtermijn in hoger beroep met circa acht maanden is overschreden. Het hof zal deze termijnoverschrijding verdisconteren door in plaats van een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vijf maanden op te leggen.

Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten in beginsel een straf rechtvaardigt zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof zal evenwel, gelet op het tijdsverloop sedert het plegen van de feiten en hetgeen in bovengenoemde rapportage is opgemerkt ten aanzien van het recidiverisico, een proeftijd opleggen van twee jaren.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van navermelde duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 244, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam, mr. J.A.C. Bartels en mr. G. Knobbout, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juli 2011.