Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2736

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
22-004793-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte wegens het aanwezig hebben van cocaïne tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week. De tenlastegelegde poging tot gekwalificeerde doodslag dan wel afpersing en/of diefstal met geweld acht het hof echter niet bewezen, waarvan de verdachte dan ook integraal behoort te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004793-10

Parketnummers: 10-630302-09, 10-643076-09, 10-642966-09 en 22-001689-08 (TUL)

Datum uitspraak: 27 mei 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 september 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Ethiopië) op [geboortedag] 1983,

ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond - Huis van Bewaring De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 13 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde is bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering na voorwaardelijke veroordeling als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Door en namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep is, zoals hiervoor reeds overwogen, ter zake van het onder 2 tenlastegelegde - handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie - bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Blijkens artikel 56 juncto artikel 54 van de Wet wapens en munitie heeft het strafbare feit, voorzien in artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, als een overtreding te gelden.

Naar het hof begrijpt, is het door en namens de verdachte ingestelde hoger beroep, gegeven het bepaalde bij artikel 404, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dan ook niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing inzake het onder 2 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog van belang - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 oktober 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met zijn mededaders, althans alleen, met dat opzet die [aangever 1] meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de buik en/of rug, althans in het lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de afpersing en/of de diefstal (met geweld) van een geldbedrag van (in totaal omtrent) 13.000 euro, althans 11.000 euro, althans enig(e) geldbedrag(en), toebehorende aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s) (een strafbaar feit als bedoeld in artikel 317 en/of 310 (jo. 312) Wetboek van Strafrecht), gepleegd tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

welke afpersing en/of diefstal (met geweld) werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 3] en/of [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die afpersing en/of diefstal (met geweld) voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededaders:

- een of meer vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of

- een of meer vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) op die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] heeft/hebben gericht en/of

- meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [aangever 1] heeft/hebben geslagen en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] heeft/hebben getoond/voorgehouden en/of

- de (jas)zak(ken) van die [aangever 3] heeft/hebben doorzocht en/of

- meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen heeft/hebben gemaakt in de richting van de buik, althans het lichaam van die [aangever 3] en/of [aangever 2] en/of

- meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de buik en/of de rug, althans het lichaam van die [aangever 1] heeft/hebben gestoken en/of

- (daarbij) aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] de woorden: "Give me money"en/of "Money, money" en/of "Where's the money" en/of "Put all out of your pockets" heeft/hebben toegevoegd, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die afpersing en/of diefstal (met geweld) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan het feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 oktober 2009 te Rotterdam, in een woning/pand, gelegen aan of nabij de [straat A], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, (totaalbedrag ongeveer 13.000 euro, althans 11.000 euro), in elk geval van een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen, (totaalbedrag ongeveer 13.000 euro, althans 11.000 euro), in elk geval van een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) bestond(en) uit het:

- tonen en/of voorhouden van een of meer vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] en/of

- richten van een of meer vuurwapens, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) op die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] en/of

- slaan met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [aangever 1] en/of

- tonen en/of voorhouden van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] en/of

- doorzoeken van de (jas)zak(ken) van die [aangever 3] en/of

- meermalen, althans éénmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, maken van stekende

bewegingen in de richting van de buik, althans het lichaam van die [aangever 3] en/of die [aangever 2] en/of

- meermalen, althans eenmaal steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de buik en/of de rug, althans het lichaam van die [aangever 1] en/of

- (daarbij) aan die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] toevoegen van de woorden: "Give me money" en/of "Money, money" en/of "Where's the money" en/of "Put all out of your pockets", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 29 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 4,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken niet tot de overtuiging kunnen komen dat de verdachte één van de daders is geweest van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag dan wel de onder 1 subsidiair ten laste gelegde afpersing en/of diefstal met (bedreiging met) geweld.

Het hof overweegt daartoe meer in het bijzonder het navolgende.

Blijkens diverse processen-verbaal van bevindingen, opgenomen op de pagina's 1 t/m 13 van het doorgenummerde dossier, is op 17 oktober 2009 omstreeks 22.40 à 22.42 uur een melding binnengekomen dat er, aldus die melding, op het [plein A] te Rotterdam een steekpartij had plaatsgevonden. Toen de politie daar korte tijd later arriveerde, troffen zij de gewonde [aangever 1] aan, die in gezelschap bleek te zijn van [aangever 2] en [aangever 3].

[aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] hebben alle drie verklaard dat zij in een woning - naar later bleek: gelegen aan de [straat A, nummer X] te Rotterdam - van hun geld zijn beroofd. Bij die beroving zouden volgens hen vier personen betrokken zijn geweest: de verdachte, een man in een groen trainingspak en - indien het resultaat van de gehouden fotoconfrontaties betrouwbaar zou moeten worden geacht - [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De verdachte zou degene zijn geweest die [aangever 1] met een mes had gestoken.

Indien de verklaringen van [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] in onderling verband en samenhang worden bezien, zouden zij, het tijdstip van de melding mede in aanmerking genomen, omstreeks 22.00 uur de woning aan de [straat A, nummer X] te Rotterdam tezamen met de verdachte hebben betreden. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zouden zich toen al in die woning hebben bevonden.

De verdachte heeft verklaard dat hij [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] in de avond van 17 oktober 2009 weliswaar naar de [straat A] heeft gebracht, maar dat hij vervolgens is vertrokken en niet in vorenbedoelde woning is geweest gedurende de tijd dat [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] daar aanwezig waren.

Afgaande op de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van de verdachte, opgenomen op de pagina's 513 t/m 524 van het doorgenummerde dossier, is er op 17 oktober 2009 om 22.14 uur een inkomend gesprek geweest, afkomstig van het telefoontoestel van [aangever 1], en om 22.25 uur een uitgaand gesprek naar het telefoontoestel van de medeverdachte [medeverdachte 1]. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij de bewuste gesprekken met respectievelijk [aangever 1] en [medeverdachte 1] heeft gevoerd.

In het licht van de verklaringen van [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] laten deze telefonische contacten zich niet goed verklaren: [aangever 1], de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] zouden immers ten tijde van die telefonische contacten alle drie in de woning aan de [straat A, nummer X] te Rotterdam aanwezig zijn geweest.

Daarnaast dient te worden vastgesteld dat diverse sporen - waaronder het in de auto van de verdachte aangetroffen mes en de in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen wapens, waarvan celmateriaal is veiliggesteld - klaarblijkelijk niet nader zijn onderzocht en bijvoorbeeld ook niet is gerelateerd of onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van een magazijn in de woning aan de [straat A, nummer X], welk magazijn [aangever 2], uitgaande van zijn verklaringen, ergens, mogelijk op een tafel, in die woning zou hebben neergelegd nadat dit uit een door één van de daders gebruikt wapen zou zijn gevallen. Daarenboven is kennelijk evenmin enige poging in het werk gesteld om de door de verdachte genoemde - en onder meer aan de hand van een signalement nader omschreven - "[persoon X]" te traceren.

Indien dan onder andere ook nog in aanmerking wordt genomen dat [aangever 3] en [aangever 2] bij aankomst van de politie op het [plein A] ter plaatse in elkaars aanwezigheid zijn gehoord en dat [aangever 1] eerst op 26 oktober 2009 - mitsdien, zijn verklaring ter plaatse op 17 oktober 2009 meegerekend, bij gelegenheid van zijn vierde verhoor - heeft verklaard dat de verdachte degene is geweest die hem heeft gestoken, acht het hof niet boven iedere redelijke twijfel verheven dat de verdachte zich aan het onder 1 primair dan wel subsidiair tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt.

De verdachte dient dan ook integraal van het onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,58 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, indien het hof dienaangaande nog een beslissing zou moeten nemen, geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. Dit betreft een stof waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar die ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van (vermogens)criminaliteit.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 april 2011 is de verdachte veelvuldig onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij arrest van dit gerechtshof van 12 maart 2009 onder rolnummer 22-001689-08 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest, met bevel dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 1 maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Naar het oordeel van het hof zijn er, gelet op de omstandigheid dat de verdachte thans ter zake van het onder 3 tenlastegelegde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijk kortere duur zal worden opgelegd dan de duur van de voorlopige hechtenis die hij ter zake van het onder 1 tenlastegelegde heeft ondergaan, evenwel geen termen aanwezig voor een last tot tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf van 1 maand.

De daartoe strekkende vordering, welke in eerste aanleg door de officier van justitie is ingediend en waarbij in hoger beroep door de advocaat-generaal is gepersisteerd, zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst de vordering van het openbaar ministerie, strekkende tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van dit gerechtshof van 12 maart 2009, gewezen onder rolnummer 22-001689-08, af.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. Chr.A. Baardman, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 mei 2011.