Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2564

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
22-002871-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een beroving op een autobedrijf. Ook hebben zij een geladen automatisch vuurwapen voorhanden gehad.

Het hof ziet gelet op de omstandigheid dat de verdachte niet de initiatiefnemer was en hij een geringer aandeel in de bewezen verklaarde feiten had, aanleiding hem voor deze feiten een lagere straf op te leggen dan aan zijn medeverdachte.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002871-11

Parketnummer: 10-700068-11

Datum uitspraak: 27 september 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond, De Schie, Rotterdam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 13 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen gegeven omtrent de vorderingen tot schadevergoedingen van de benadeelde partijen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 februari 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in/uit een (bedrijfs)pand gelegen aan de Driemanssteeweg (82) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee (gouden) kettingen en/of een (zilveren) armband en/of een of meer sleutel(s) en/of een of meer mobiele telefoon(s) en/of een tasje met inhoud en/of een of meer portemonnee(s) en/of een of meer pasje(s) en/of OV-chipkaart en/of een (pols)horloge en/of een (gouden) schakelarmband, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- met bedekt(e) gezicht(en) en/of hoofd(en) dat pand binnen gaan en/of

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen aan die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of

- richten van een vuurwapen op die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of

- die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] dreigend toevoegen van de woorden: "Dit is een overval, op de grond liggen" en/of "Ga liggen anders schiet ik" en/of "Ik heb een uzi" en/of "Moet ik je doodschieten of zo", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- duwen en/of slaan en/of stompen van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of

- die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] dwingen op de grond te gaan liggen en/of blijven liggen en/of

- vastbinden van de handen van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] met tie-wraps en/of

- gooien en/of leggen van een automat en/of een stuk tapijt op/over het hoofd van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer C] terwijl die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer C] op de grond lag(en) en/of

- trekken van de capuchon van die [slachtoffer B] over het hoofd van die [slachtoffer B], terwijl deze op de grond lag en/of

- fouilleren van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of

- krachtig en/of gewelddadig trekken van twee (gouden) kettingen van de nek van die [slachtoffer A] en/of

- krachtig en/of gewelddadig trekken van een (gouden) schakelarmband van de pols van die [slachtoffer C] en/of

- met een vuurwapen slaan op/tegen het gezicht van die [slachtoffer C] en/of

- duwen van een vuurwapen op/tegen het gezicht, van die [slachtoffer C];

Subsidiair

hij op 3 februari 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te

nemen 50.000 euro en/of twee, althans een (gouden) ketting(en) en/of een (zilveren) armband en/of een of meer sleutel(s) en/of een of meer mobiele telefoon(s) en/of een tas(je) met inhoud en/of een of meer portemonnee(s) en/of een of meer pasje(s) en/of ov-chipkaart en/of polshorloge en/of (gouden) schakelarmband en/of goederen, althans goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorend aan

[slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer E] en/of [slachtoffer D], in elk geval aan een of meer anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl de uitvoering van dat uit te voeren misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- met bedekte gezicht(en) en/of hoofd(en) dat pand binnen gaan en/of

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen aan die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of

- richten van een vuurwapen op die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of

- die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] dreigend toevoegen van de woorden "dit is een overval, op de grond liggen"en/of "ga liggen, anders schiet ik" en/of "ik heb een uzi" en/of "moet ik je dood schieten of zo", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- duwen en/of slaan en/of stompen van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of

- die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] dwingen op de grond te gaan liggen en/of blijven liggen en/of

- vastbinden van de handen van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] met tie-rips en/of

- gooien en/of leggen van een automat en/of een stuk tapijt op of over het hoofd van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer C], terwijl die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer C] op de grond lag(en) en/of

- trekken van de capuchon van die [slachtoffer B] over diens hoofd en/of

- fouilleren van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of

- krachtig en/of gewelddadig trekken van twee (gouden) ketting(en) van de nek van die [slachtoffer A] en/of

- krachtig en/of gewelddadig trekken van een (gouden) schakelarmband van de pols van die [slachtoffer C] en/of

- met een vuurwapen slaan op/tegen het gezicht van die [slachtoffer C] en/of

- duwen van een vuurwapen op/tegen het gezicht van die [slachtoffer C];

2.

hij op of omstreeks 03 februari 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 03 februari 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander in een bedrijfspand gelegen aan de Driemanssteeweg 82 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee (gouden) kettingen en een zilveren armband en sleutels en mobiele telefoons en portemonnees en pasjes en een OV-chipkaart en een polshorloge en een gouden schakelarmband toebehorende aan [slachtoffer A] of [slachtoffer B] of [slachtoffer C], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] en [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

- met bedekte gezichten en hoofden dat pand binnen gaan en

- tonen van een vuurwapen aan die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] en[slachtoffer D] en

- richten van een vuurwapen op die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] en slachtoffer D] en

- die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] dreigend toevoegen van de woorden: "Dit is een overval, op de grond liggen" en "Ga liggen anders schiet ik" en "Ik heb een uzi" en "Moet ik je doodschieten of zo" en

- duwen en/of slaan en/of stompen van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en

- die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] dwingen op de grond te gaan liggen en blijven liggen en

- vastbinden van de handen van die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] met tie-wraps en

- gooien van een automat of een stuk tapijt over het hoofd van die [slachtoffer A] en [slachtoffer C] terwijl die [slachtoffer A] en [slachtoffer C] op de grond lagen en

- trekken van de capuchon van die [slachtoffer B] over het hoofd van die [slachtoffer B], terwijl deze op de grond lag en

- fouilleren van die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en

- krachtig en gewelddadig trekken van twee gouden kettingen van de nek van die [slachtoffer A] en

- krachtig trekken van een gouden schakelarmband van de pols van die [slachtoffer C] en

- met een vuurwapen slaan tegen het gezicht van die [slachtoffer C] en

- duwen van een vuurwapen tegen het gezicht van die [slachtoffer C];

2.

hij op 03 februari 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken , en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een beroving op een autobedrijf. Daarbij hebben zij een medewerker van dit bedrijf en twee van zijn vrienden onder bedreiging van een geladen automatisch vuurwapen met tie-wraps vastgebonden en van hun persoonlijke bezittingen, waaronder sieraden, beroofd. Tevens hebben zij de slachtoffers geduwd en geslagen en een mat of een stuk tapijt en/of een capuchon over de hoofden van de slachtoffers gedaan om hun zicht te belemmeren. Eén van de slachtoffers is met het vuurwapen tegen het hoofd geslagen, een ander heeft zich voor zijn verwondingen moeten laten behandelen door een arts. Tevens heeft de medeverdachte het vuurwapen gericht op een persoon die in het pand zijn bedrijf uitoefende.

Eerst ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdachte en zijn medeverdachte - die zich tot dan toe ten aanzien van de feiten 1 en 2 op hun zwijgrecht hadden beroepen - verklaard dat zij een bedrag van EUR 50.000,- van de eigenaar van het autobedrijf kwamen opeisen, nu hij dat bedrag aan hun opdrachtgever verschuldigd was. Deze opdrachtgever zou een belangrijke persoon zijn uit het criminele circuit. De verdachte en zijn medeverdachte wilden hem - naar eigen zeggen - onder druk zetten door te doen alsof een beroving plaatsvond. De omstandigheid dat het volgens de verdachte en zijn medeverdachte om een zogenoemd "alternatief incasso" ging, doet echter, als al moet worden uitgegaan van de waarheid van de desbetreffende verklaringen, naar het oordeel van het hof niet af aan de ernst van het feit. Het hof merkt daarbij op dat - wat er ook zij van de oorspronkelijke bedoelingen van de verdachte en diens medeverdachte - er feitelijk wel sprake is geweest van een gewapende overval waarbij voorwerpen zijn ontvreemd van personen die toevallig ter plaatse aanwezig waren en waarbij grof geweld is gebruikt.

Met deze handelwijze hebben de verdachte en zijn medeverdachte ernstige inbreuk op de geestelijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers gemaakt, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtoffer-verklaringen die zich in het dossier bevinden. De slachtoffers hebben voor hun leven gevreesd. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit bij de slachtoffers nog lang gevoelens van angst teweeg brengt, zeker indien de beroving zich - zoals in dit geval voor twee van de slachtoffers geldt - op hun werkvloer heeft afgespeeld.

Het hof rekent het de verdachte bovendien aan dat hij en zijn medeverdachte, toen zij merkten dat zij personen tot slachtoffer maakten die met hun beweerdelijke incasso-kwestie niets te maken hadden, bewust samen verder zijn gegaan met deze gewelddadige beroving. De verdachte voldeed daarbij aan de opdrachten van zijn medeverdachte, die de initiërende rol had en tevens het vuurwapen hanteerde. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij de beroving met zijn medeverdachte heeft begaan, enkel uit financiële overwegingen, te weten kennelijk voor

EUR 5.000,-.

De verdachte heeft bovendien samen met zijn medeverdachte een geladen automatisch vuurwapen voorhanden gehad. Het aanwezig hebben van vuurwapens heeft een gevaarzettend karakter en voedt het (voort)bestaan van criminaliteit, weshalve uit oogpunt van algemene en speciale preventie een stevige straf op zijn plaats is.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 september 2011, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder - zij het langer geleden, in 2003 - ter zake van onder meer een geweldsdelict tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Al deze eerdere straffen en waarschuwingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te begaan.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof in zijn oordeel betrokken dat de verdachte ter terechtzitting zijn spijt heeft betuigd naar de slachtoffers.

De bewezen verklaarde feiten zijn ernstig en rechtvaardigen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, waarbij het hof mede acht heeft geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken werden opgelegd.

Het hof ziet gelet op de omstandigheid dat de verdachte niet de initiatiefnemer was en hij een geringer aandeel in de bewezen verklaarde feiten had, aanleiding hem voor deze feiten een lagere straf op te leggen dan aan zijn medeverdachte.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer D]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer D] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 1.700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot het gevorderde bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer[slachtoffer D]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 1.700,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer D], te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer A]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer A] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 3.803,04, te weten EUR 303,04 ter zake van materiële schade en EUR 3.500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen ter zake van het gevorderde bedrag van EUR 303,04, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 2.803,04 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer C]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer C] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 4.101,72, te weten EUR 101,72 ter zake van materiële schade en EUR 4.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 2.576,72, te weten EUR 76,72 (gouden armband en reiskosten) ter zake van materiële schade en EUR 2.500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen ter zake van het gevorderde bedrag van EUR 76,72, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer C]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 2.576,72 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer C], te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer B]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer B] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 6.826,75, te weten EUR 1.426,75 ter zake van materiële schade en EUR 5.400,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 3.694,35, te weten EUR 1.194,35 (bonus en sneeuwdienstregeling) ter zake van materiële schade en EUR 2.500,- ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 232,40 (brillenglazen en reparatie horlogebandje) materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder

1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer B]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 2.732,40 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B], te vermeerderen met de wettelijke rente.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer D]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [slachtoffer D], terzake van het onder

1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.700,- (duizend zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer D], een bedrag te betalen van EUR 1.700,- (duizend zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer A] terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.803,04 (tweeduizend achthonderddrie euro en vier cent) bestaande uit EUR 303,04 (driehonderddrie euro en vier cent) als vergoeding voor materiële schade en

EUR 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer A], een bedrag te betalen van EUR 2.803,04 (tweeduizend achthonderddrie euro en vier cent) bestaande uit EUR 303,04 (driehonderddrie euro en vier cent) als vergoeding voor materiële schade en EUR 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 38 (achtendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer C]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [slachtoffer C], terzake van het onder

1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

EUR 2.576,72 (tweeduizend vijfhonderdzesenzeventig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit EUR 76,72 (zesenzeventig euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade en EUR 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer C], een bedrag te betalen van EUR 2.576,72 (tweeduizend vijfhonderdzesenzeventig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit EUR 76,72 (zesenzeventig euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade en EUR 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer B] terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.732,40 (tweeduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en veertig cent) bestaande uit EUR 232,40 (tweehonderdtweeëndertig euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade en EUR 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer B], een bedrag te betalen van EUR 2.732,40 (tweeduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en veertig cent) bestaande uit EUR 232,40 (tweehonderdtweeëndertig euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade en EUR 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, mr. A.L.J. van Strien en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 september 2011.

mr. A.J.M. Kaptein is buiten staat dit arrest te ondertekenen.