Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2498

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
22-002337-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan oplichting. De verdachte heeft financiële schade berokkend aan zijn geestelijk gehandicapte broer. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Het hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002337-10

Parketnummer: 09-655647-07

Datum uitspraak: 20 juni 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 24 april 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op 2 november 1969, ter terechtzitting opgegeven woonadres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

6 september 2010 en 6 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 december 2006 tot en met 28 februari 2007 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een medewerker van) de Postbank heeft bewogen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) (van in totaal 5.875,- euro of daaromtrent), in elk geval van enig geldbedrag en/of goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als [naam], zijnde de rekeninghouder van girorekening [gironummer], waardoor (die medewerker van) die Postbank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 12 december 2006 tot en met 28 februari 2007 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid de Postbank heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (van in totaal 5.875,- euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk zich voorgedaan als [naam], zijnde de rekeninghouder van girorekening [gironummer], waardoor die Postbank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Met betrekking tot het door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opgeworpen alternatieve scenario, waarin zijn broer of mogelijk een ander de door de verdachte op straat verloren simkaart (ten aanzien waarvan de verdachte aanvankelijk op 12 juni 2007 bij de politie heeft verklaard dat deze precies in de riolering is gevallen) heeft gevonden en in gebruik heeft genomen en daarmee via internetbankieren om hem moverende redenen geld heeft overgemaakt van de rekening van [naam] –een andere broer- naar de rekening van de verdachte, overweegt het hof dat dit scenario vanwege de hoge mate van onwaarschijnlijkheid volstrekt onaannemelijk is. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsook op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan oplichting van de Postbank, een en ander op de wijze zoals bewezen verklaard. Aldus heeft de verdachte financiële schade berokkend aan zijn geestelijk gehandicapte broer en hem in zijn vertrouwen beschaamd. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 mei 2011, waaruit blijkt dat de verdachte na een veroordeling in 1990 niet meer is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. S.A.J. van 't Hul en mr. M.F.L.M. van der Grinten, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juni 2011.

Mr. M.F.L.M. van der Grinten is buiten staat dit arrest te ondertekenen.