Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2483

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
22-001956-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod (meermalen gepleegd). Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001956-11

Parketnummer: 10-700216-10

Datum uitspraak: 14 september 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 1991, [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 31 augustus 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 juni 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 9968,70 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 89,6 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers is/zijn/heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- vanuit Frankrijk in een (personen)auto (met Duits kenteken) naar Nederland gereisd en/of (vervolgens) die (personen)auto (met Duits kenteken) in Rotterdam geparkeerd, en/of

- (vervolgens) in Rotterdam die cocaïne en/of heroïne aangeschaft, en/of

- (vervolgens) die cocaïne en/of heroïne in een (personen)auto (met Nederlands kenteken) richting Frankrijk, althans Venlo, laten vervoeren en/of (vervolgens) met die (personen)auto (met Duits kenteken) achter voornoemde (personen)auto (met Nederlands kenteken) is aangereden;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 juni 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 9968,70 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 89,6 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de gevangenneming van de verdachte bevolen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 03 juni 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 1523,90 gram van een materiaal bevattende heroïne en 89,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk die cocaïne en heroïne in een personenauto met Nederlands kenteken richting Frankrijk vervoerd en met een personenauto met Duits kenteken achter voornoemde personenauto met Nederlands kenteken aangereden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer – in de zin van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet - van ruim anderhalve kilo heroïne en bijna 90 gram cocaïne vanuit Nederland richting Frankrijk. Indien deze harddrugs niet zouden zijn onderschept, zouden de verdachte en zijn mededaders doelbewust een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het op de – buitenlandse - markt brengen daarvan. Algemeen bekend is dat de handel in en het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormen en dat het gebruik van zulke middelen de criminaliteit bevordert. Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is maatschappelijk gezien dan ook onaanvaardbaar en rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Anderzijds houdt het hof bij het bepalen van de duur van de straf in matigende zin rekening met de nog jeugdige leeftijd van de verdachte en met het gegeven dat hij – voor zover uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken – first offender is.

Het hof is - mede vanuit een oogpunt van speciale preventie - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. D.J.C. van den Broek,

mr. L.A.J.M. van Dijk en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 september 2011.