Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT1552

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
200.089.527-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing minderjarige. Belang van een nog zeer jong kind, twee jaar, dat nog volledig afhankelijk is van primaire verzorger, af te zetten tegen omstandigheden waarin de ouder, die op de beterende weg is, zich bevindt, gelet ook op diens geschiedenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 24 augustus 2011

Zaaknummer : 200.089.527/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-252

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.B. Baumgarten te ’s-Gravenhage,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. van Slee te Alphen aan den Rijn.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 22 juni 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 juni 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 22 juli 2011 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Jeugdzorg heeft op 22 juli 2011 een verweerschrift tegen het hoger beroep van de vader ingediend.

Jeugdzorg heeft bij brief van 27 juli 2011, ingekomen bij het hof op 29 juli 2011, voor haar verweer tegen het incidentele hoger beroep van de moeder verwezen naar haar verweerschrift tegen het hoger beroep van de vader.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 14 juli 2011 een brief van 12 juli 2011 met bijlagen;

- op 26 juli 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 3 augustus 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw M.A.Y. Fierstra en mevrouw D. J. van den Bos (de gezinsvoogd) namens Jeugdzorg;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Jeugdzorg heeft, met instemming van de vader en de moeder, ter terechtzitting een aanvullend stuk overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikkingen van 27 januari 2011 en 7 februari 2011 van de kinderrechter en de bestreden beschikking.

Bij de beschikking van 27 januari 2011 is, uitvoerbaar bij voorraad, Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige [de minderjarige], geboren [in 2009] te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige, gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 27 januari 2011 tot 9 februari 2011. De behandeling van het inleidende verzoek is voor het overige aangehouden.

Bij de beschikking van 7 februari 2011 is, uitvoerbaar bij voorraad, Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 9 februari 2011 tot 9 juni 2011. De behandeling van het inleidende verzoek is voor het overige aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 9 juni 2011 tot 27 januari 2012, zulks ter effectuering van het aan de beschikking gehechte indicatiebesluit van 28 januari 2011. De behandeling van het inleidende verzoek is voor het overige aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg.

2. De vader verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het door Jeugdzorg gedane verzoek tot uithuisplaatsing af te wijzen.

3. De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarige wordt teruggeplaatst bij de vader, dan wel het inleidende verzoek van Jeugdzorg slechts toe te wijzen voor de duur van drie maanden.

4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep van de vader en het incidentele beroep van de moeder en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien de verzoeken van de vader en de moeder, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.

5. De vader stelt zich op het standpunt dat de stellingen die ten grondslag liggen aan het verzoek van Jeugdzorg om haar een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarige deels niet (meer) de conclusie rechtvaardigen dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De vader acht zichzelf in staat om met hulp en steun de zorg voor de minderjarige op zich te nemen.

6. De moeder staat volledig achter een terugplaatsing van de minderjarige bij de vader. Zij stelt dat de dreigende situatie waarvan eind vorig jaar en begin dit jaar sprake was, thans niet meer bestaat. De moeder heeft haar aangifte tegen de vader ingetrokken omdat deze onjuist was. De vader is volgens haar dan ook terecht vrijgesproken van mishandeling. Naar de mening van de moeder is de uithuisplaatsing thans volstrekt niet meer noodzakelijk omdat de vader met hulp van instanties de minderjarige de structuur, grenzen en veiligheid kan bieden die zij nodig heeft. De moeder wijst erop dat de vader nog steeds onder controle staat bij de Brijder Stichting en dat hij hieraan zijn volledige medewerking verleent. Zij geeft te kennen dat de vader bovendien zelfstandig contact heeft opgenomen met hulpverlenende instanties om het een en ander te regelen voor als de minderjarige weer bij hem komt wonen. De vader en de moeder hebben een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechter. Volgens de moeder gaat het veel beter tussen hen nu zij niet meer samenwonen.

7. Jeugdzorg is van mening dat een continuering van de uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Volgens Jeugdzorg heeft de minderjarige in haar korte bestaan reeds veel last ondervonden van spanningen en veranderende situaties en heeft zij daardoor momenteel een verhoogde behoefte aan rust, stabiliteit, duidelijkheid en structuur. Tot op heden heeft de vader Jeugdzorg er niet van kunnen overtuigen dat hij de minderjarige dit op de lange termijn voldoende kan bieden. Jeugdzorg wijst er in dit kader op dat er recent aangifte is gedaan tegen de vader wegens mishandeling, dat er zorgen zijn over het verslavingsgedrag van de vader en over de relatie tussen de vader en de moeder en dat de opvoedingsvaardigheden van de vader minimaal zijn. De vader is voorts nog bezig om te voldoen aan de door Jeugdzorg opgestelde voorwaarden voor thuisplaatsing van de minderjarige. Jeugdzorg betoogt dat er op dit moment nog sprake is van te veel spanningen, escalaties, onduidelijkheden en onveiligheden in en rond de leefomgeving van de vader om voldoende tegemoet te kunnen komen aan de belangen van de minderjarige.

8. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing mag slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

9. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de vader een belast verleden heeft. Vanaf zijn achttiende jaar is hij verslaafd geweest aan drugs en alcohol. Voorts is hij meerdere malen in aanraking gekomen met politie en justitie vanwege delictgedrag. Momenteel doet de vader erg zijn best om zijn leven te beteren. Hij is voor zijn verslaving onder behandeling bij de Brijder Stichting. Blijkens de door de vader overgelegde brief van zijn behandelaar van de Brijder Stichting heeft hij de afgelopen twee jaren bewezen zijn situatie te kunnen stabiliseren. Zijn urinecontroles zijn positief, hetgeen inhoudt dat hij geen harddrugs meer gebruikt. De vader is daarnaast bezig zijn cannabisgebruik af te bouwen en zijn alcoholgebruik is beperkt.

10. Ondanks het feit dat de vader zeer gemotiveerd is om zijn leven weer op de rails te krijgen voor de minderjarige, is het hof van oordeel dat een terugplaatsing bij de vader op dit moment (nog) niet in het belang van de minderjarige is. De minderjarige is net twee jaar oud en dus nog volledig afhankelijk van haar primaire verzorger(s). Zij bevindt zich in een kwetsbare levensfase waarin de basis wordt gelegd voor haar verdere ontwikkeling. In geval van terugplaatsing is het derhalve van essentieel belang dat de vader constant beschikbaar zal zijn voor de minderjarige, temeer daar er geen andere ouder is die de minderjarige kan opvangen. Gelet op het verleden van de vader betwijfelt het hof of de vader hier op dit moment toe in staat is. De omstandigheid dat er inmiddels gedurende enige maanden sprake is van een positieve ontwikkeling in het leven van de vader maakt nog niet dat het nu rondom hem zo veilig is dat de minderjarige aan hem kan worden toevertrouwd. Naar het oordeel van het hof dient de vader langere tijd te laten zien dat zijn situatie stabiel blijft alvorens een terugplaatsing aan de orde kan zijn. In dit kader acht het hof het alleszins redelijk om gezien de achtergrond van de vader als voorwaarde te stellen dat hij volledig vrij is van drugs en alcohol.

11. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de kinderrechter terecht een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend tot 27 januari 2012. Het hof ziet geen reden om de duur van de machtiging te bekorten. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dan ook bekrachtigen.

Getuigenverhoor

12. De vader heeft het hof in zijn beroepschrift verzocht om zijn behandelaar van de Brijder Stichting op te roepen voor een getuigenverhoor. Het hof neemt hetgeen in de overgelegde brief van de behandelaar van de vader is vermeld voor waar aan, nu de inhoud van deze brief door Jeugdzorg niet is betwist. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om de behandelaar van de vader te horen.

13. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in principaal en incidenteel hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Pannekoek-Dubois en Bos, bijgestaan door mr. Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2011.