Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BT1546

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
200.089.609-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag over minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 24 augustus 2011

Zaaknummer. : 200.089.609/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-549

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Verschoor te Rotterdam-Hoogvliet,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

3. de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Diemen,

kantoorhoudende te Diemen,

hierna te noemen: de WSS.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 23 juni 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 maart 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De raad heeft op 2 augustus 2011 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 22 juli 2011 een brief van 21 juli 2011 ingekomen, waarbij het raadsrapport van 18 februari 2011 is overgelegd.

De zaak is op 3 augustus 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- mr. J. van de Kreeke, kantoorgenoot van mr. M. Verschoor;

- mevrouw R. Westerkamp namens de raad;

- mevrouw G. Richardson namens de WSS.

De moeder, de vader en Jeugdzorg zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de moeder en de vader ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige [de minderjarige], geboren [in 2000] te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige, en is Jeugdzorg benoemd tot voogdes over de minderjarige. Voorts is bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door de WSS. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt:) voor zover daarbij de moeder is ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige en, in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad tot het ontheffen van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige af te wijzen, althans een zodanige beschikking te geven als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt het ingestelde appel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De WSS bestrijdt het beroep eveneens.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij ten onrechte is ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige. Volgens de moeder is er geen sprake van onduidelijkheid ter zake van het toekomstperspectief van de minderjarige. Zij accepteert het verblijf van de minderjarige in het gezinshuis immers volledig. De moeder benadrukt dat zij de WSS en de feitelijke verzorgers van de minderjarige geen strobreed in de weg legt. De ontheffing van het ouderlijk gezag voelt voor de moeder als een totale diskwalificatie, waarbij haar fundamentele rechten worden ontnomen. Zij wijst erop dat zij door de ontheffing niet meer bij de rechter in beroep kan gaan tegen een aanwijzing ter zake van de omgangsregeling en dat haar daarmee een korte gang naar de rechter wordt ontnomen.

6. De raad is van mening dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing niet langer de geëigende maatregelen zijn omdat een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder niet meer tot de mogelijkheden behoort. Volgens de raad is de minderjarige gebaat bij stabiliteit en continuïteit in de opvoedingssituatie. De raad vindt het dan ook van groot belang dat er duidelijkheid komt over het toekomstperspectief van de minderjarige. De raad wijst erop dat de moeder ook na een ontheffing juridisch ouder blijft en derhalve een wettelijk recht op omgang heeft. Zij zal daarom ook altijd een gang naar de rechter kunnen maken inzake kwesties rond de omgang. De raad acht het van belang dat de huidige omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige gehandhaafd blijft.

7. Namens de WSS is ter terechtzitting verklaard dat de moeder een lieve, toegewijde moeder is, maar dat er door haar psychiatrische problematiek en beperkte verstandelijke vermogens geen perspectief meer is op terugplaatsing van de minderjarige. De WSS betoogt dat er bij de moeder veel onduidelijkheid bestaat over de gevolgen van een ontheffing van het ouderlijk gezag. De moeder denkt dat er door de ontheffing van alles gaat veranderen, maar dat is niet zo, aldus de WSS. Het is niet de bedoeling van de WSS om de huidige omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige te veranderen.

8. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een ouder van het gezag over zijn kind worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet. Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de moeder niet instemt met de ontheffing van het gezag, ligt ter toetsing aan het hof voor de vraag of er gegronde vrees bestaat dat, na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden, deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige af te wenden.

9. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof het volgende gebleken. In maart 2003 is de minderjarige onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Na die uithuisplaatsing is hij in 2006 weer bij de moeder teruggeplaatst. Deze terugplaatsing is mislukt omdat de moeder de minderjarige opnieuw verwaarloosde en drugs gebruikte. De minderjarige is daarop wederom uit huis geplaatst. Sinds augustus 2009 verblijft hij in een gezinshuis. Een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder is thans niet meer aan de orde. Door haar psychiatrische stoornis en beperkte verstandelijke vermogens beschikt de moeder over onvoldoende vaardigheden om aan de ontwikkelings- en opvoedingsbehoeften van de minderjarige te voldoen. Op grond van het voorgaande acht het hof de moeder ongeschikt, althans onmachtig om de minderjarige te verzorgen en op te voeden.

10. Door de vele wisselingen in woon- en leefomgeving is de minderjarige op sociaal en emotioneel gebied beschadigd. Gebleken is dat de minderjarige de afgelopen periode in het gezinshuis een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij wordt steeds meer zelfstandig en is beter dan voorheen in staat zijn emoties te tonen. Het is duidelijk dat de minderjarige erbij gebaat is om op te groeien elders dan in de thuissituatie bij de moeder. Blijkens het overgelegde raadsrapport heeft de minderjarige zelf aangegeven dat hij het liefst weer bij de moeder zou willen wonen. Naar het oordeel van het hof is het, mede gelet daarop, van groot belang dat er voor de minderjarige duidelijkheid komt over zijn opvoedings- en ontwikkelingsperspectief. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijft de onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Het hof acht de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dan ook onvoldoende om de ernstige bedreiging van de minderjarige af te wenden.

11. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van het gezag over de minderjarige is voldaan. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

12. Het hof wijst erop dat omgang niet enkel is voorbehouden aan een ouder met gezag. De huidige omgangsregeling, waarbij de minderjarige eenmaal in de twee weken een weekend bij de moeder verblijft, verloopt volgens alle betrokken naar tevredenheid. Er is geen reden om aan te nemen dat dit in de toekomst anders zal zijn. Mochten zich op enig moment toch problemen voordoen met betrekking tot de omgang, dan kan de moeder een en ander ook na de ontheffing middels een verzoekschrift voorleggen aan de rechter.

13. Het hof beslist als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Van Leuven en Bos, bijgestaan door mr. Verburg als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2011.